Home Niet-westerse filosofie De slangenbezweerder en de ongeschoolde
Niet-westerse filosofie

De slangenbezweerder en de ongeschoolde

Door Rosan Hollak op 15 november 2012

06-2001 Filosofie magazine Lees het magazine

Spreken over ‘de’ islam is net zo ridicuul als Amerikaanse tv-dominees en de Nederlandse Acht Mei Beweging plaatsen onder het kopje ‘het’ christendom. Desondanks waagde wetenschapsfilosoof Michiel Leezenberg zich aan een boek over de geschiedenis van de islamitische filosofie. Een vraaggesprek over de harmonie tussen geloof en rede.

De islam mag dan het gebruik van alcohol verbieden, toch schreef nota bene de Iraanse Ayatolla Khomeini gedichten waarin hij de liederlijke dronkenmansstaat verheerlijkt. Een jeugdzonde wellicht? Net zoals Bill Clinton ooit zonder inhaleren een joint rookte? Welnee. Khomeini’s gedichten maken deel uit van een bloeiende literaire traditie in Iran en volgens de wetenschapsfilosoof Michiel Leezenberg moeten ze vooral niet te letterlijk worden opgevat. ‘Dronkenschap is een metafoor. Wie in een liederlijke roes verkeert, kan zich overgeven aan God’, vertelt de auteur van het zojuist verschenen boek Islamitische filosofie. Een geschiedenis.

Hij zit in zijn piepkleine werkkamer op de faculteit geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam en tovert ergens uit de stapels boeken zijn vijf jaar oude proefschrift over metaforen tevoorschijn: ‘Een van de interessantste theorieën over figuurlijk taalgebruik komt van de Iraanse geleerde Djoerdjaani. In de islamitische traditie is de betekenis van de metafoor zowel een filosofisch als een theologisch probleem. In de Koran wordt God beschreven als volledig één en transcendent. Tegelijkertijd wordt er ook in beeldende, menselijke termen over God geschreven zoals in het vers “De hemelen zullen zijn samengevouwen in Zijn rechterhand”. Voor theologen is dat een probleem, want hoe kun je die twee beelden in logische overeenstemming met elkaar brengen? Djoerdjaani kwam met een oplossing: omdat God geen menselijke eigenschappen heeft en dus geen handen bezit, drukt dit vers geen waarneembare gelijkenis uit, maar wordt er een abstracte gelijkenis uitgedrukt tussen de kracht van een rechterhand en de goddelijke almacht. Die beeldende versie moet je dus figuurlijk interpreteren. Op die manier wist Djoerdjaani de tegenstelling op te heffen.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Monolitisch geheel

Het hoofdstuk in zijn proefschrift werd de opmaat voor een heel overzichtswerk over de middeleeuwse islamitische wijsbegeerte. In Islamitische filosofie. Een geschiedenis gaat Leezenberg uitvoerig in op de ideeën van verschillende grote moslimdenkers die leefden in Noord-Afrika tot aan het Perzische cultuurgebied. Hij behandelt onderwerpen als islamitische politiek, poëzie, muziektheorie, logica en taalfilosofie. Tot dusver was de islamitische filosofie voornamelijk het domein van Arabisten, dus hoe kwam Leezenberg, een filosoof en geen Arabist, op het idee om zich te verdiepen in deze complexe en redelijk onbekende materie? ‘Ik heb veel door Turkije, Egypte en Syrië gereisd en was in eerste instantie vooral bezig met de cultuur en politiek van die landen’, vertelt hij. ‘Langzamerhand schoof mijn interesse meer richting de filosofie. Ik kwam in aanraking met nieuwe ideeën over een rechtvaardige samenleving en de verhouding tussen kerk en staat. Het viel me op dat de opvattingen die hierover in de islamitische wereld leven een stuk complexer zijn dan we hier in de media krijgen voorgeschoteld.’ Om zijn eigen intellectuele nieuwsgierigheid te bevredigen, besloot hij een geschiedenis van zo’n vijftienhonderd jaar op te tekenen over een gebied dat zich uitstrekt van Spanje tot aan China. Maar wat heeft zo’n overzichtswerk de Nederlandse lezer te bieden? ‘Het is zeker niet mijn doel geweest om met dit boek alle hedendaagse maatschappelijke problemen in de islamitische wereld te verklaren’, zegt Leezenberg met een lach. ‘Ook mensen die de islam beschouwen als een bron van intolerantie en dogmatisme, zal ik met de behandeling van deze islamitische filosofen niet kunnen overtuigen van het tegendeel. Maar wat ik in ieder geval niet probeer is om de complexe geschiedenis van het islamitische denken te herleiden tot een paar eenvoudige slogans. In de kranten wordt het gedrag van de inwoners van het gebied van Marokko tot aan de Filippijnen vaak verklaard in termen van een monolitisch geheel, namelijk “de” islam. Dat is te simpel. Je verklaart de Acht Mei Beweging, een Amerikaanse tv-dominee en de Lord’s Resistance Army in Oeganda toch ook niet simpelweg in termen van “het” christendom.’

Hedendaagse ontwikkelingen binnen de islamitische wereld zijn volgens Leezenberg beter te begrijpen tegen de achtergrond van wat er in het verleden is gebeurd. Zo grijpen de huidige fundamentalisten vaak terug op het werk van Ibn Taymiyya, een denker die aan het eind van de twaalfde eeuw als adviseur in dienst was bij de Mamloekensultan Mohammed ibn Qalaawoen. ‘Het is verleidelijk om hem als de bad guy te presenteren. Zijn opvattingen over de sjarie`a, de islamitische geopenbaarde wet, zijn nu een inspiratiebron voor soennitische fundamentalisten. Taymiyya meende dat het belangrijker is om de regels van de geopenbaarde wet – zoals het verbod op het drinken van alcohol of het verplicht geven van aalmoezen – na te leven dan de kalief te gehoorzamen. Hij stelde de onpersoonlijke macht van de sjarie`a boven de macht van de religieus leider. In feite probeerde Taymiyya, in een periode dat de Mongolen vernietigende veldtochten tegen de islamitische wereld ondernamen, een politieke en sociale theorie te leveren voor de omstandigheden waarin de kalief is verdwenen en de islamitische gemeenschap in kleine staatjes uiteen is gevallen. Bagdad was in 1258 volledig verwoest en honderdduizend mensen waren afgeslacht. De komst van de Mongolen kon leiden tot de ondergang van de islamitische beschaving. Daarom zag deze moslimdenker zich gedwongen om zijn cultuurgoed te verdedigen.’

Net zoals destijds Taymiyya hebben nu de hedendaagse fundamentalisten een defensieve houding aangenomen. ‘In hun ogen wordt de islamitische samenleving bedreigd’, vertelt Leezenberg. ‘Met de komst van de nationale staten is de soevereiniteit van God vervangen door een klein groepje heersers. Maar de enige legitieme heerschappij is die van God. Alle andere regeringsvormen zijn menselijk en dus gebrekkig. Daarom pleiten zij, in navolging van Taymiyya, voor de strikte naleving van de sjarie`a.’
 
Terwijl er in Nederland tot dusver nog maar weinig bekend is over islamitische filosofie, zijn de thema’s die de moslimdenkers behandelen minder ver van het bed van de westerse denker dan men zou vermoeden. Dit is ook niet zo vreemd, aangezien de antiek-Griekse wijsbegeerte de belangrijkste filosofische bron vormt voor het islamitische denken. ‘Het gedachtegoed van de moslimfilosofen is niet denkbaar zonder de Griekse filosofie’, legt Leezenberg uit. ‘In de negende eeuw vond er een soort islamitische verlichting plaats. De Abbasieden moedigden het gebruik van de rede aan en Griekse filosofen werden op het gezag van de staat in het Arabisch vertaald. Het was een poging van de wereldlijke heersers om de macht van de religieuze autoriteiten te verzwakken. Net zoals de Pruisische vorst Frederik de Grote in de achttiende eeuw de philosophes inzette tegen de macht van de kerk. In die periode zijn vooral de werken van Plato en Aristoteles en de neo-platonisten doorgedrongen tot de islamitische cultuur en daar is een eigen filosofische traditie uit voortgekomen. De stoïsche logica is met name in de juridische en theologische redeneringen terug te vinden.’ 

Logica

Toch heeft Leezenberg een poging ondernomen om in zijn boek de islamitische denktraditie, die door de Griekse achtergronden vertrouwd zou moeten zijn, te doorgronden zonder al te veel vergelijkingen te maken met de moderne westerse filosofische traditie. Hij wilde de opvattingen van de moslimdenkers in hun eigen termen benaderen en begrijpen. Een van de opvallende thema’s in de islamitische wijsbegeerte is de harmonieuze verhouding tussen geloof en rede. De moslimdenkers hebben deze verhouding op een geheel eigen manier uitgewerkt. ‘In tegenstelling tot het christendom, waar sprake is van de Goddelijke drie-eenheid, is God volgens de islamitische openbaring volstrekt enkelvoudig en transcendent’, vertelt Leezenberg. ‘De waarheid is één en voorzover redelijke kennis correct is, moet deze in overeenkomst zijn met de kennis van de openbaring. Doordat de Koran door theologen wordt geïnterpreteerd, is het onvermijdelijk dat de religieuze openbaring op een verstandelijke en dus redelijke manier moet worden uitgelegd. Natuurlijk kan je dan, als je maar hard genoeg denkt, uitkomen op logische tegenstrijdigheden, maar toch hebben moslimdenkers nooit betwijfeld dat geopenbaarde waarheden uiteindelijk in overeenstemming zijn met de inzichten van de rede.’

Een van de filosofen die een grote invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het islamitische denken is de wijsgeer Aboe Nasr al-Farabi die omstreeks 870 werd geboren in wat vandaag Turkmenistan heet. Hij maakte de aristotelische logica begrijpelijk en aanvaardbaar voor een breder Arabischtalig en islamitisch publiek en is de eerste die de rationeel verworven kennis van de falsafa (Arabisch voor filosofie) superieur verklaarde aan de religieuze openbaring. ‘Logica is in de filosofie een methode om tot zekerheid te komen’, aldus Leezenberg. ‘Met behulp van regels die voor onwaarheden behoeden, kan het menselijk verstand zonder hulp van buitenaf tot de waarheid komen. Farabi beweerde dat een elite van denkers zekerheid kan bereiken op eigen kracht, en de religieuze openbaring dus niet nodig heeft. Het beeldend taalgebruik in de Koran is volgens hem bedoeld voor de gewone man. Het vers “De hemelen zullen zijn samengevouwen in Zijn rechterhand” is een manier om de macht van God uit te drukken en een retorisch hulpmiddel om het volk van die almacht te overtuigen. Maar die waarheid kunnen sommigen ook op eigen kracht verkrijgen door middel van de aristotelische logica. Deze redeneringen lopen via het intellect en kunnen leiden tot onbetwijfelbare kennis. Maar ook voor een rationalist als Farabi – die alles verklaart in naturalistische termen – zijn we alleen bij de gratie van God in staat tot redelijk denken. Hij verwerpt het idee dat de mens volstrekt autonoom zou zijn en geheel zelfstandig tot kennis en morele inzichten zou kunnen komen.
 
Ook een beroemde moslim-intellectueel als Ghazali (1085-1111), voor veel soennieten de tweede moslim na de profeet Mohammed en bekend onder zijn erenaam Hoeddjat al-islaam (‘bewijs van de islam’), heeft nooit getwijfeld aan de waarheid van de openbaring. Wel vroeg deze denker zich af hoe aanspraken op kennis van de openbaring kunnen worden bewapend tegen kritiek van sterke tegenstanders. Leezenberg: ‘In de islamitische wereld is het altijd een punt van discussie geweest wie de Koran mag interpreteren en in hoeverre de ongeschoolden deelgenoot worden gemaakt van zulke abstracte interpretaties. Volgens de Koran staat niemand tussen God en mens in. De oelamaa, imams en andere religieus geschoolden vervullen dan ook een andere rol dan onze pastoor of dominee. Ze zijn geen autoriteit in de strikte zin van het woord. In de islam heeft elke gelovige een gelijke relatie tot God. Alleen om praktische reden is het niet zo handig dat iedereen zich met juridische en theologische redeneringen inlaat.’ Het volk is dus afhankelijk van de interpretaties van een opgeleide elite. Het interessante aan Ghazali, meent Leezenberg, is dat hij zich afvroeg of de religieuze waarheid wel te bewijzen valt. ‘Volgens Ghazali leidde de instructie door een onfeilbare imam niet tot onbetwijfelbare kennis. De enige bronnen van onbetwijfelbare zekerheid zijn volgens hem de onmiddellijke ervaring en de geïnspireerde zielstoestand zoals die bij soefi’s voorkomen. Volgens de soefi-opvatting kan de menselijke ziel in de mystieke ervaring eenworden met God. Deze religieuze beleving gaat aan de menselijke rede voorbij en is een waarheid die niet in woorden valt uit te leggen.’

Ook waarschuwt Ghazali ervoor dat mystiek en wijsbegeerte voor de ongeschoolden verborgen moet blijven. Leezenberg: ‘Wie volgens hem aan filosofie doet, moet net zo oppassen als wie een slang bezweert. De slangenbezweerder moet zijn kunsten niet vertonen voor de onvolwassenen van geest. Want als die hem gaan imiteren, kunnen ze zichzelf daarmee in gevaar brengen.’
 
Islamitische filosofie. Een geschiedenis eindigt met het gedachtegoed van de belangrijkste denker uit de zeventiende eeuw, de Iraanse denker Molla Sadra. Het is de laatste filosoof die Leezenberg behandelt, omdat vanaf de achttiende eeuw de contacten met het industrialiserende Europa intensiveren, waardoor er op politiek, economisch en filosofisch vlak een radicale breuk wordt geforceerd met het verleden. ‘De traditionele Arabische filosofie uit de Middeleeuwen is langzamerhand opgegaan in theologie of in mystieke tradities. Het contact met Europa leidde tot hervormingen in de onderwijssystemen waardoor de intellectuele tradities verdwenen of vermengd raakten met het marxisme, het nationalisme of de evolutietheorie. De meeste religieuze opleidingsinstituten waar traditioneel de middeleeuwse filosofie werd gedoceerd, zijn nu verdwenen of heel klein geworden. Voorzover er nu filosofie wordt beoefend, gebeurt dit voornamelijk in de westerse traditie.’ Dat betekent volgens Leezenberg niet dat het gedachtegoed van de middeleeuwse moslimdenkers volledig uit het collectieve geheugen van de islamitische wereld is gewist. ‘Gelovigen putten nog steeds troost en inspiratie uit het denken van auteurs zoals Ghazali die, onder de chaotische en onzekere politieke omstandigheden van zijn tijd, een zware geestelijke crisis doormaakte en uiteindelijk toch innerlijke rust vond.’