Home Mens en techniek De knutselende mens
Mens en techniek

De knutselende mens

Door Ivana Ivkovic op 25 maart 2014

Cover van 04-2014
04-2014 Filosofie magazine Lees het magazine

Waarom willen wij consumenten toch apparaten die kant en klaar zijn en het altijd doen?  Juist knutselen kan heel bevrijdend zijn. Zet de zaken naar je eigen hand!

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Mijn opa wou altijd alleen maar Duitse kwaliteitsmerken hebben. Of het nou een auto, een wasmachine of een stofzuiger was, als je een Mercedes, een Miele of een Bosch kocht, dan had je geen kopzorgen. En het liefst wilde hij de apparaten hebben zoals ze vroeger werden gemaakt, want dan waren ze oerdegelijk, niet te vergelijken met de troep van tegenwoordig. Laatst was mijn vaatwasser kapot en ik moest aan opa denken. Had ik destijds toch voor een Duits kwaliteitsmerk moeten kiezen?

Het is frustrerend als de apparaten waarop we ons in het dagelijks leven verlaten het laten afweten. We voelen ons dan zelfs een beetje in de steek gelaten. Maar in feite vertelt deze frustratie ons hoe we eigenlijk denken over techniek. Ons techniek-archetype is een Miele-wasmachine die dertig jaar zonder haperen dienst blijft doen. Wanneer hij het plots niet meer doet, voelen we ons machteloos.

Maar  het is niet terecht van apparaten een extreme levensduur te verwachten. Dat zou neerkomen op pure utopie. De waarheid is namelijk dat techniek doorgaans onze voortdurende aandacht vergt om te blijven werken. We zouden eens moeten leren om bij het woord ‘techniek’ aan het krakkemikkige wagentje van stripfiguur Guust Flater te denken, in plaats van aan Miele. Ook zouden we moeten proberen om meer dan passieve techniekconsumenten te zijn – wat overigens onvermoede mogelijkheden biedt.

Lekke band

Gek dat we ooit zijn gaan denken dat technische apparaten het gewoon zouden doen wanneer ze aan zichzelf worden overgelaten. Er is immers meer dan genoeg empirisch bewijs voor het tegendeel. Hoe vaak komt het niet voor: de computer is gecrasht, de fiets heeft een lekke band, het lampje is kapotgesprongen, de auto heeft een rare piep, de kraan lekt, en die stomme vaatwasser doet het nog steeds niet. Wordt het niet de hoogste tijd om te erkennen dat ‘defect-zijn’ geen uitzondering is, maar een normale toestand? Technische apparaten hebben óns nodig om het te blijven doen.

Toch zijn we geobsedeerd door de autonomie van onze artefacten. Wanneer de Duitse filosofe Hannah Arendt schrijft over de Homo faber, de makende mens, stelt ze dat de producten van zijn werk in het teken staan van bestendigheid. Technische artefacten geven stabiliteit en vorm aan onze levens, zoals het huis waarin we wonen ons herbergt. Dankzij techniek kan de mens aan pure overleving ontsnappen.

Filosofen denken al sinds Aristoteles dat maken een proces is met een welomschreven en te bereiken doel. Een meubelmaker maakt een stoel, en die stoel is op een gegeven moment af. Maar er is veel op deze notie af te dingen. Is er een product gemaakt, dan moet dat nog worden afgewerkt, ingelopen, geijkt of geïnstalleerd. En een poosje later bijgesteld, aangepast, bijgevijld en geüpdatet. Vervolgens hersteld, gerepareerd, verbeterd. Dat alles is de normale gang van zaken. Er is hier meer aan de hand dan  noodzakelijke reparatie of onderhoud. Er is geen fase in het bestaan van een technisch artefact waarbij de mens níét continu nodig is. ‘Maken’ is dus een proces met een heel lange staart. Zo lang dat we beter zouden kunnen zeggen dat een ding nooit helemaal ‘af’ is.

Sleutelen

Vanuit het geloof in de autonomie van artefacten hebben we een paradoxale omgang met techniek ontwikkeld. Techniek wordt steeds alledaagser en is op steeds meer levensterreinen te vinden. Maar hoe meer ze aanwezig is, hoe meer de ‘achterkant’ aan het zicht wordt onttrokken. Wie vroeger iets van motoren wist, kon aan zijn eigen auto sleutelen. Maar als je nu de motorkap opendoet van je nieuwe hybride, weet je haast niet waar je zou moeten beginnen. Techniek moet weliswaar steeds ‘toegankelijker’ en ‘gebruiksvriendelijker’ worden – maar dat geldt vooral voor het gebruik en niet voor het maken. Als techniekconsument hoef je niets te kunnen – druk maar gewoon op het knopje en het apparaat doet het vanzelf. Maken en gebruiken zijn gescheiden: alle kennis zit in het maken, en de gebruiker moet geloven in de mythe van Miele dat het product af is, klaar voor gebruik en niet kapot te krijgen is. Dat is althans de theorie.

Zoals alle technische kennis uit het gebruik wordt weggehaald, zo wordt het maken gemystificeerd. Het maken wordt meer en meer gezien als een god-achtige activiteit, waarin de mens zich heer en meester over de natuur toont en die in het teken staat van rationele beheersing. Technische kunde – technè, zoals de Oude Grieken het noemen –  zou die macht zijn waarmee we onze wil opleggen aan dode materie. Sinds de industrialisering is dat zeker het geval. Was het maken ooit een ambachtelijk proces, handwerk, nu is het uiteengevallen in ontwerp en uitvoering; en aangezien uitvoering simpel lopendebandwerk is geworden, dat nauwelijks kennis vergt, wordt technè meer geïdentificeerd met ontwerpen. Het is dus geen wonder dat techniek meer in het teken van beheersing en controle is komen te staan. Ontwerpen gebeurt meer ‘van bovenaf’, letterlijk vanaf de ontwerptafel. Een ambachtsman werkt veel meer vanuit zijn materiaal – denk bijvoorbeeld aan een instrumentenmaker die zoekt naar een geschikt stuk hout, van precies de juiste hardheid en buigzaamheid, omdat hij er anders niets mee kan aanvangen. Maar maken is nu een proces dat plaatsvindt in een 3D-printer, zeg maar de moderne versie van de lopende band: je plugt een soort kunststof koord in aan de ene kant van de printer en dat kan alles worden wat je maar wilt. We lijken steeds meer los te komen van de beperkingen van het ambachtelijk maken. Maar schijn bedriegt.
Aristoteles zegt: bij het maken is de archè, het beginsel van het ding dat wordt gemaakt, in de maker. Met andere woorden, de maker maakt iets tot wat het is – een stoel van hout, een pot van klei. Dat klinkt inderdaad machtig. Het is die macht die we in techniek bewonderen en vrezen. Maar Aristoteles stelt ook dat de kennis en kunde die nodig zijn om iets te maken – technè – praktisch van aard is. Het is geen wetenschap. Je kunt het niet uit boekjes leren. Het vergt herhaling en oefening – je moet honderd stoelen maken om een stoel te leren maken. De ene stoel kan beter gelukt zijn dan de andere, of mislukken. Maken vergt altijd een inspanning en is nooit helemaal moeiteloos. Wat maken is, is niet goed uit te leggen en na te vertellen – het is meer een fingerspitzengefühl. Om het meesterschap te bereiken, moet de maker vooral leren om zich in dienst te stellen van het maken zelf.

Hightech

In werkelijkheid is het ambachtelijke, en daarmee de praktische kant van het maken, helemaal niet verdwenen in de hightech wereld. Het is gewoon naar de achtergrond verschoven. Een voorbeeld: ooit studeerde ik technische natuurkunde. Ik liep stage bij een hightech instituut. De groep waar ik stage liep was een nieuw systeem aan het maken, waarmee kleinere chips zouden kunnen worden geproduceerd. Een belangrijk onderdeel van dat systeem waren speciale spiegels, die bestonden uit laagjes die werden ‘opgedampt’ in een vacuümkamer. Klinkt dat hightech genoeg? Die spiegels werden als volgt gemaakt: een hoogopgeleide onderzoeker zat zeven uur lang naar een curve op een monitor te staren, en wanneer hij daarop aflas dat het laagje goed was, ging hij door met een volgend laagje. Waar dat moment van omschakelen precies ligt, is een ingewikkeld verhaal. Er bestaat een theorie voor, dus in principe kun je dat uitrekenen. Maar zoals iedere ingenieur weet te vertellen, is dat slechts theorie. De ervaring leerde dat je eigenlijk ‘een beetje eerder’ moest omschakelen. Waar dat beetje eerder precies lag, was kennis die je opdeed door eerst honderd spiegels te verprutsen. ‘Daar krijg je mettertijd steeds meer gevoel voor’, legden de onderzoekers mij uit. En dan nog kwamen die spiegels nooit helemaal goed uit, want de laagjes trokken altijd een beetje krom. De materie is weerbarstig, en je kunt die niet zomaar je wil opleggen. Pas na een lang en ingewikkeld proces, na veel zwoegen en zweten en vloeken, lukte het de spiegels goed te maken.

Maken is dus geen god-achtige activiteit in het teken van rationele beheersing. Niet dat er helemaal geen beheersing aan de orde is, alleen: het is eerder een soort beheersing met een zachte g.

Billy

Dit is nu een fase van het maken die we vergeten zodra dit soort gerommel achter de rug is en de nieuwe techniek een soepel lopend industrieel proces is geworden. Dan lijkt het alsof bedenken en produceren naadloos op elkaar aansluiten. Maar dat is een constructie achteraf. Dat is de wereld waarin Apple, Samsung, Microsoft en Ikea u willen laten geloven: een kant-en-klaar product – een iPhone, een tablet of een besturingssysteem, een Billy. Helemaal op maat. Natuurlijk is dat wat producenten willen: een duidelijke rolverdeling, waarin zij de Maker zijn, en u slechts de consument. U hoeft slechts het format te volgen zoals zij dat u voorschotelen – voorspelbaarheid is goed voor bedrijven.

Het gerommel en gepruts moeten buiten beeld blijven. Dat is natuurlijk onmogelijk, zoals iedereen weet die regelmatig iets bij Ikea koopt. Het gerommel wordt ook mooi samengevat in wat onder nerds bekendstaat als ‘de tweede wet van de hardware’: als het niet werkt, neem dan een grotere hamer.

Natuurlijk wil Apple liever niet dat u door dit gerommel de zaken naar eigen hand zet. Het bedrijf wil het liefst dat als uw iPhone het niet meer doet, u er een van een nieuwe generatie aanschaft. Maar gebruiken komt ook neer op praktisch omgaan met techniek, en daarin zit altijd ook een beetje maken of ver-maken. Technische artefacten kunnen een loopje nemen met de bedoelingen van de maker, met de archè die hij in de producten had gelegd. Elk stuk techniek kan in mensenhanden worden gehackt, en dat begint al met bierviltjes die onder de poot van een wankele tafel worden geschoven, of petflessen die worden omgebouwd tot wespenvallen. Gebruik is eigenlijk een behoorlijk anarchistische activiteit.
 
Recentelijk hebben denkers zoals de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben gewezen op dit anarchistische karakter van het gebruik. Zelfs het ideale Zweedse paradijs dat Ikea ons voorschotelt, kan worden ondermijnd. De ‘Ikea-hackers’ is een beweging die Ikea-meubelen ombouwt tot allerhande design – zelfs een Billy knapt ervan op.

Agamben zegt ook dat gebruik in onze laatkapitalistische samenleving tot consumentisme is verworden. Consumentisme is eigenlijk gebruik dat vervallen is tot zijn meest luie en de meest brave vorm. Dat betekent niet alleen dat we, wanneer we iets nodig hebben, dat dan maar gewoon gaan kopen, want in onze samenleving is elk dingetje voor elk dingetje al gemaakt. De ergere consequentie is dat elke technè uit gebruik wordt weggehaald. Bij pure consumptie worden mensen onwetend en machteloos ten opzichte van de techniek die hen omringt. Technè zou juist wat democratischer moeten worden, en dat techniek zo hightech is geworden sluit de mogelijkheid van de democratisering van technè helemaal niet uit. Want de laatste keer dat de creatieve mogelijkheden van gebruik zichtbaar werden, was het juist te midden van een hightech revolutie: toen computers de huiskamers veroverden. De doorsneegebruiker kon behoorlijk sleutelen, experimenteren en uitproberen. Met een ongekende groei van technè als resultaat, waarvan we nu nog de vruchten plukken.

In gebruiken kan minstens zo veel vernuft zitten als in maken. Het is geen zwaktebod van makers dat geen enkel apparaat ooit helemaal af is. Het is juist bevrijdend, want het levert de maaksels uit aan de wereld van gebruik, waarin bemoeienis ook creatief en speels kan zijn en geklungel steeds nieuwe dingen kan opleveren.