Home Confucius over de aardse deugden

Confucius over de aardse deugden

In de turbulente Lente- en Herfstperiode verlangden veel Chinezen terug naar de mythische rijken van vroeger. Confucius wierp zich in die tijd op als hoeder van de antieke filosofie.

Door Michel Dijkstra op 29 oktober 2006

Confucius over de aardse deugden
09-2006 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

‘Met vijftien jaar was ik gericht op studie; met dertig stond ik stevig op mijn benen; met veertig twijfelde ik niet meer; met vijftig begreep ik de opdracht van de hemel; met zestig was het oor volgzaam; met zeventig volgde ik de wensen van mijn hart zonder over de schreef te gaan.’ Zo beschreef de Chinese wijsgeer Confucius (551 – 479 v. Chr.) zijn strijd met het leven. Deze uitspraak bevat zijn leer in een notendop: de mens moet levenslang streven naar begrip en volgzaamheid, tot hij uiteindelijk spontaan zijn hart kan volgen.

In Confucianisme. Een inleiding in de leer van Confucius houdt Karel van der Leeuw de westerse filosofie een spiegel voor. Confucius leefde omstreeks dezelfde tijd als Plato, maar zijn filosofie heeft een compleet ander uitgangspunt. Terwijl Plato zijn denken op de hogere, onzichtbare Ideeënwereld richt, stelt Confucius juist de zichtbare wereld centraal. De confucianist denkt er geen ogenblik aan zich los te maken van het materiële. Hij steekt al z’n energie in het ontwikkelen van de aardse deugd.

Op een heldere, soms humoristische manier behandelt Van der Leeuw achtergronden, geschiedenis en de belangrijkste figuren uit het confucianisme. Hij is erin geslaagd om in minder dan tweehonderd pagina’s een duidelijk beeld van deze complexe Chinese filosofie te schetsen, waarbij hij ook nog eens een uitstapje maakt naar de westerse receptie door de Verlichtingsfilosofen Voltaire en Leibniz.

Voorspoed en vrede

Van der Leeuw beschrijft in het eerste hoofdstuk hoe het confucianisme opkwam in een roerige politieke tijd, de zogenaamde Lente- en Herfstperiode (722 – 481 v. Chr.). De mensen verlangden terug naar de mythische rijken van vroeger, waarin grote voorspoed en vrede heersten. Sommige denkers probeerden het verval tegen te gaan door zich als hoeders van de antieke cultuur op te werpen. Confucius was een van die filosofen. Hij ontwikkelde een deugdethiek met als doel zowel het leven van de individuele mens als de staatsinrichting in goede banen te leiden.

Centraal in Confucius’ gedachtegoed staat de ontwikkeling van de hoogste deugd, menselijkheid oftewel ren in het Chinees. Menselijkheid wil zeggen dat je anderen met hetzelfde respect behandelt als jezelf: ‘Zigong vroeg: “Is er een woord waarnaar men gedurende zijn gehele leven kan handelen?” De Meester (Confucius) zei: “Dat is dan wel ‘wederzijdsheid’. Wat je voor jezelf niet wilt, leg dat ook niet op aan anderen.”’

Na de dood van Confucius werd zijn leer door de latere denkers Mencius (371 – 300 v. Chr.) en Xunzi (320 –235 v. Chr.) verschillend uitgelegd. Mencius geloofde dat de mens van nature goed is. Xunzi was net als Hobbes van mening dat de mens een doortrapte egoïst is. Beiden waren het erover eens dat het ideaal van menselijkheid buitengewoon moeilijk te verwezenlijken is. De ware wijze is een zeldzaam individu dat eens in de vijfhonderd jaar voorkomt. Door zijn morele voortreffelijkheid heeft hij automatisch het recht om de staat te besturen. De onderdanen dienen hun plaats te kennen en zich aan de wijze te onderwerpen.

De onderwerpen deugd, menselijke natuur en hiërarchie keren steeds terug in de geschiedenis van het confucianisme. Karel van der Leeuw maakt in zijn inleiding duidelijk dat elke grote denker uit de traditie zijn eigen, originele invulling aan de kernthema’s geeft. Hierdoor is het confucianisme een fascinerende mengeling van de meest uiteenlopende filosofische opvattingen. Op iedere pagina van het boek toont Van der Leeuw – verbonden aan de universiteit van Amsterdam – zijn grote kennis van de Chinese wijsbegeerte. Door zijn glasheldere, onderzoekende stijl prikkelt Confucianisme bovendien tot verdere studie. Als inleiding tot een oosterse wijsbegeerte is het boek daarom minstens zo geslaagd als het eerder verschenen deel over taoïsme door Patricia de Martelaere.