Nietzsche maakte in november 1868 kennis met Richard Wagner tijdens een receptie. Wagner was een wereldberoemde componist en meer dan dertig jaar ouder dan Nietzsche, die bij hun ontmoeting bezig was met zijn laatste studiejaar. Hieruit ontstond een lange verstandhouding tussen de filosoof en de componist, waarbij Nietzsche zijn werk veel liet beïnvloeden door Wagners ideeën.
Maarten van Buuren (1948) is vertaler en emeritus hoogleraar Franse letterkunde aan de Universiteit Utrecht. Hij vertaalt het werk van verschillende filosofen uit het Frans, Duits en Latijn. Eerder vertaalde hij Nietzsches Voorbij goed en kwaad en Genealogie van de moraal.
Wagner bepleitte een nieuwe vorm van kunst die hij muziek-drama of Gesamtkunstwerk noemde. De moderne kunst was volgens Wagner een onsamenhangend ratjetoe van op zichzelf teruggeworpen kunsten: muziek, theater, schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur. Wagner verwees naar de klassieke tragedie uit het oude Griekenland als model voor het Gesamtkunstwerk. De tragedie was ontstaan uit de muziek van de dithyrambe: het extatische, aan Dionysus gewijde koor. Uit deze dithyrambe had het toneel (de tragedie) zich losgemaakt en zich in de loop van de tijd zozeer verzelfstandigd dat het koor was gemarginaliseerd en uiteindelijk was verdwenen.
Verscheurende kracht
Wagner bepleitte een re-integratie van muziek en drama naar het model van de vroege klassieke tragedie, waarin koor en toneel een even belangrijke rol speelden. Maar zijn standpunt daarover veranderde gedurende zijn leven. De vroege Wagner (tot aan 1854) pleitte voor een muziek-drama in de zin van Aristoteles, dat wil zeggen een kunstwerk dat zich vanuit de bron (de dithyrambische muziek) ontwikkelde tot zijn doel en bestemming: woord en drama. Wagner gaf als voorbeeld de Negende Symfonie van Beethoven en betoogde dat de muziek als doel had de boodschap over te brengen die Beethoven aan zijn laatste symfonie had meegegeven, namelijk: Alle Menschen werden Brüder. Wie deze boodschap veronachtzaamt, degradeert Beethovens Negende tot ‘absolute’ muziek, waarmee Wagner een muziek bedoelde die van haar eigenlijke bestemming was vervreemd.
De latere Wagner stond onder invloed van Schopenhauer. In 1854 ontdekte Wagner De wereld als wil en voorstelling. Hij las het boek viermaal achter elkaar en was diep onder de indruk van de rol die Schopenhauer aan de muziek toekende. Volgens Schopenhauer bestaat de wereld uit Wil en Voorstelling. Bij ‘Wil’ moeten we iets denken als de levensdrift die zich in alle levende organismen manifesteert en meer in het algemeen de zijnsdrift die de motor vormt achter het ontstaan van alle dingen, universumbreed. De Wil is een woeste en verscheurende kracht die individuen vermorzelt om daar nieuwe schepselen uit voort te brengen. Schopenhauer trekt de conclusie dat leven lijden is en dat de mens de Voorstelling heeft ontwikkeld om het lijden achter schone schijn te verbergen.
Volgens Schopenhauer is muziek boven alle andere kunsten verheven, omdat de Wil daarin direct tot uiting komt. Alle andere kunsten maken deel uit van de Voorstelling, dat wil zeggen van het flatteuze beeld waarachter de barbaarse werkelijkheid van de Wil zich terugtrekt. Wagner trok daaruit de conclusie dat hij de rangorde tussen muziek en drama moest herzien. Hij beschouwde het muziek-drama niet langer als een muziekstuk dat zijn bestemming dient te bereiken in woord en drama. De relatie lag precies andersom! Wagner beschouwde woord en drama voortaan als de schone schijn waarachter de oerbron van alle leven zich, in de vorm van muziek, hoorbaar probeert te maken! Hij hernam het voorbeeld van Beethovens Negende en betoogde nu dat Alle Menschen werden Brüder de onbelangrijke aanleiding was waaruit de hoofdzaak kon ontstaan, en die hoofdzaak was muziek. Beethovens Negende, zei de latere Wagner, is een voorbeeld van absolute muziek. En ditmaal gebruikte hij ‘absoluut’ in de positieve zin van een muziek die de luisteraar in contact brengt met de oerbron waaruit het leven en de wereld zijn ontstaan.
Goden
De betekenis van Nietszsches boek De geboorte van de tragedie ligt in de dialectiek tussen Dionysus, de god van muziek en roes en Apollo, god van de beeldende kunst, het woord en het toneel. Deze twee Griekse goden bepaalden in onderlinge wisselwerking het wezen van de Griekse cultuur.
Het belang van Wagners Gesamtkunstwerk ligt volgens Nietzsche in de belofte dat Wagner de harmonische relatie tussen muziek en drama, Dionysus en Apollo, zal doen herleven. Dit is het eerste niveau van betekenis van de dialectiek tussen Dionysus en Apollo. Achter deze eerste betekenis gaat een hele reeks diepere betekenissen schuil. De werkelijke diepgang van De geboorte van de tragedie bevindt zich in de associaties van Dionysus en Apollo met de grote thema’s van de eigentijdse filosofie.
Deze koppeling betreft in de eerste plaats Schopenhauer. Nietzsche was net zo bevlogen van Schopenhauer als Wagner, maar hij verbond hem op een andere manier met zijn eigen filosofie. Volgens Nietzsche ligt het belang van Schopenhauers dialectiek tussen Wil en Voorstelling in de overeenkomst met de dialectiek tussen Dionysus en Apollo. Zoals Schopenhauers Wil (het brute geweld van de zijnsdrift) zich verhoudt tot de Voorstelling die het brute geweld verbergt achter schone schijn, zo verhoudt Dionysus zich tot Apollo, niet alleen in de klassieke cultuur, maar in de cultuur überhaupt. Volgens Nietzsche moet cultuur in het algemeen worden beschouwd als het resultaat van de botsing tussen Dionysus en Apollo. De dialectiek tussen Dionysus en Apollo geeft dus in eerste instantie betekenis aan Wagners muziek-drama, maar deze betekenis wordt filosofisch verdiept doordat Nietzsche haar associeert met Schopenhauers tegenstelling tussen Wil en Voorstelling.
Het brute geweld verbergt zich achter schone schijn
Daarmee is de zeggingskracht van de tegenstelling Dionysus-Apollo nog lang niet uitgeput, want Nietzsche herleidt de tegenstelling tot de filosoof waarop beiden, zowel Schopenhauer als Wagner, zich beroepen, namelijk Immanuel Kant. In talloze uitweidingen en verwijzingen maakt Nietzsche duidelijk dat het belang van Dionysus-Apollo moet worden begrepen volgens de kantiaanse tegenstelling tussen het Ding an sich (het ‘ding als zodanig’, of ‘het ding op zichzelf’) en zijn Erscheinung: de verschijning waaronder het Ding an sich zich aan ons voordoet. Zoals het Ding an sich zich aan de waarneming onttrekt, omdat het als essentie verborgen gaat achter ontelbare verschijningsvormen (Erscheinungen), zo verbergt Dionysus zich achter Apollo.
Nietzsche is geen fan van Kant; hij verwijt Kant vaagheid en inconsistentie. De redenering die hij volgt in De geboorte van de tragedie, namelijk dat de tegenstellingen Dionysus-Apollo, Wagners muziek-drama en Schopenhauers Wille-Vorstellung zich afspelen tegen de achtergrond van de kantiaanse tegenstelling Ding an sich-Erscheinung, moet dan ook begrepen worden als een verheldering en verbetering van de filosofie van Kant.
Droom
Vervolgens is er, om zo te zeggen een verdieping lager, het niveau van droom en onbewuste. Nietzsche begint De geboorte van tragedie met een uitleg van de dialectiek tussen Dionysus en Apollo in termen van droom en onbewuste, dat wil zeggen in termen van de tegenstelling tussen het onbewuste (Dionysus) enerzijds en het bewuste (Apollo) anderzijds. Hij wijst op het psychologische, dat wil zeggen algemeen menselijke, belang van Dionysus-Apollo door de tegenstelling tussen beide goden te identificeren met de onbewuste krachten (Dionysus) die via allerlei eufemiserende symbolen tot uiting komen in de beelden van de droom (Apollo). Vervolgens trekt Nietzsche een lijn tussen Dionysus-Apollo en de tegenstelling tussen de uitwissing van de individualiteit op momenten van roes (Dionysus) enerzijds en het daaraan tegengestelde proces van individuatie (Apollo) anderzijds.
Tenslotte, en dat is het laatste en meest fundamentele betekenisniveau, verwijst Nietzsche naar Heraclitus. Volgens Heraclitus is het Zijn in voortdurende strijd met het Niet-Zijn. Schepping gaat volgens hem gepaard met vernietiging. De dialectiek tussen Zijn en Niet-Zijn schept volgens Heraclitus de dynamiek die ervoor zorgt dat het universum in voortdurende en heftige ontwikkeling is. Het prototype van deze dialectiek is die tussen Dionysus en Apollo. De wisselwerking tussen Dionysus en Apollo leidt op het diepste niveau van betekenis dus tot het inzicht dat het Zijn berust op Wording.
De complexe Dionysus-Apollo-dialectiek vormt de motor achter Nietzsches werk en leven. De geboorte van de tragedie is Nietzsches moeilijkste, maar tevens belangrijkste werk.
Dit is een bewerkte en ingekorte voorpublicatie uit het nawoord van Maarten van Buuren bij zijn vertaling van Friedrich Nietzsches De geboorte van de tragedie, die op 26 juni 2026 verschijnt bij Boom.
De geboorte van de tragedie
Friedrich Nietzsche
vert. Maarten van Buuren
Boom
200 blz.
€ 21,90

