Je manier van spreken bepaalt je relatie tot anderen, stelt psychiater en antikoloniale denker Frantz Fanon (1925-1961), want door te spreken ‘omarm je een cultuur en draag je het gewicht van een beschaving’. Hij put uit eigen ervaring: Fanon vertrekt tijdens de Tweede Wereldoorlog vanuit zijn geboorteplaats, Fort-de-France in de Franse kolonie Martinique, naar Frankrijk om tegen de nazi’s te vechten. In Frankrijk krijgt hij als zwarte man te maken met racisme. In Zwarte huid, witte maskers (1952) beschrijft Fanon het belang van taal voor de ervaring van zwart-zijn: in eerste instantie wordt de zwarte persoon in Frankrijk begroet met kinderachtig taalgebruik en overdreven articulatie, waarmee de witte persoon zijn denkbeelden over zwarte mensen kenbaar maakt. Een zwart persoon wordt niet gezien als iemand met een andere cultuur en beschaving, maar als iemand zonder cultuur en beschaving. Fanon analyseert hoe zwarte mensen ‘witter’ worden naarmate zij de taal van de kolonisator beter spreken. Het feit dat een zwart persoon goed Frans spreekt, geldt als teken van beschaving. Zo krijgt hij als student in Lyon na een opmerking over poëzie te horen dat hij ‘eigenlijk gewoon een witte man is’.
Die gevoeligheid voor taal, voor het gewicht en de betekenis van woorden, neemt filosoof en middelbareschooldocent Sam de Vlieger (1990) als vertrekpunt voor zijn werk als socratisch gespreksleider. Hij voert groepsgesprekken en een-op-eengesprekken met volwassenen en leerlingen. ‘We gebruiken de hele dag gedachteloos allerlei woorden,’ zegt De Vlieger. ‘Maar woorden zijn niet neutraal: er zit een historisch gegroeid “cultureel archief” aan vast, zoals Gloria Wekker het noemt, dat samenhangt met politieke macht en onderdrukking.’
Wat is een voorbeeld van zo’n woord in deze tijd?
‘Neem het woord “terrorist”. Wat gebeurt er als je die term hoort? Grote kans dat je een islamitische man voor je ziet die een aanslag pleegt vanuit religieus-extremistische motieven. Maar toen ik in Palestina was, ontmoette ik een vrouw die tijdens de Tweede Intifada een bom in een winkel had gelegd. De aanslag mislukte en daar was ze achteraf blij om. Het woord “terrorist” zorgt ervoor dat we blind worden voor de verschillende oorzaken die iemand tot zo’n gewelddadige actie aanzetten. Uit interviews met familieleden en vrienden van Palestijnen die destijds een aanslag pleegden, is gebleken dat verschillende factoren meespeelden, waarbij de gewelddadige Israëlische onderdrukking als hoofdfactor naar voren kwam. De Portugese socioloog Boaventura de Sousa Santos zegt: Palestijnen zijn voor ons onzichtbaar en als zij zichtbaar worden, is dat alleen als “terrorist”. Hun leed blijft onbesproken, en dat is niet onschuldig: Palestijnse “terroristen” kunnen bijvoorbeeld nu de doodstraf krijgen.
Een heel ander voorbeeld: ik werk als docent in het voortgezet onderwijs en daar waren een tijd geleden de begrippen “formatieve evaluatie” en “feedback” erg in zwang. Wij gebruikten ze ook, maar tijdens een vergadering bleek dat iedereen er iets anders onder verstond. Want als je iemand om “feedback” vraagt, wat vraag je dan precies? Wil je suggesties om je werk te verbeteren, wil je een cijfer of applaus? Ik noem zulke termen ook wel “woekerwoorden”, omdat ze zich razendsnel verspreiden en een heldere kijk op de praktijk belemmeren. Als je wetenschappelijke, bureaucratische taal gebruikt, creëer je direct een afstand tot de praktijk. Je communiceert dat je bij het management hoort. Fanon zou zeggen dat het belangrijk is om geworteld te zijn in de praktijk en in de taal die daarbij hoort.’
Hoe zorg je er als socratisch gespreksleider voor dat je dicht bij de praktijk blijft?
‘De Duitse filosoof Leonard Nelson had een belangrijke rol in de ontwikkeling van de socratische methode en gebruikte daarbij Plato’s dialogen van Socrates als inspiratiebron. Hij stelt dat een socratisch gesprek bepaalde filosofische grondbeginselen aan het licht wil brengen, bijvoorbeeld rechtvaardigheid of vrijheid. Maar anders dan bij empirische wetenschappen verwijzen filosofische grondbeginselen niet naar iets in de waarneming; je kunt vrijheid en rechtvaardigheid niet aanwijzen. Daarom heeft Nelson een methode ontwikkeld die hij “regressieve abstractie” noemt: vanuit feitelijke ervaringsoordelen kun je “terugvragen” naar de vooronderstellingen en principes die erachter zitten. Omdat de directe, feitelijke ervaring het vertrekpunt is, moet je je als vragensteller aansluiten bij het dagelijkse taalgebruik. Nelson vond dat een vraag altijd vanuit de deelnemers zelf moet komen en dat je als filosoof geen nieuwe woorden moest toevoegen. Ik vermoed dat hij het eens zou zijn met mijn kritiek op het gebruik van “feedback”, een woord dat in zijn tijd überhaupt niet bestond.
Stel je voor dat je het omdraait en niet bij de ervaring, maar bij een concept begint. Je vraagt deelnemers bijvoorbeeld een situatie te beschrijven waarin zij iets “rechtvaardig” vinden. Door de introductie van zo’n concept gaan mensen dáár ervaringen bij zoeken, terwijl ze zo’n term niet spontaan zouden gebruiken. Ze proberen in het discours van de vraag te komen waardoor de link naar de directe ervaring iets kunstmatigs krijgt. Wat ik veel interessanter vind: goed luisteren naar de oordelen van mensen. We doen de hele dag uitspraken over wat wel of niet het geval is. Een simpel voorbeeld: vrienden moeten er voor elkaar zijn. Een socratisch gesprek begint voor mij bij zo’n oordeel. Daar kan vervolgens een vraag uit voortkomen, zoals: wanneer ben je er voor iemand?’
Hoopt u zo net als Nelson filosofische grondbeginselen bloot te leggen?
‘Nee, daar ben ik niet in geïnteresseerd. Er zit wat mij betreft een spanning in Nelsons idee van filosofische grondbeginselen die je uit de duisternis omhoog kunt halen. Want hoe werkt dat dan, zijn die universeel? Nelson lijkt dat te geloven, maar tegelijkertijd zal hij niet zeggen dat die grondbeginselen zomaar overdraagbaar zijn. Hij ziet filosofie als de kunst van het zelf denken. Daar ben ik het hartgrondig mee eens. De kracht van het socratische gesprek schuilt in de emancipatie van het kritisch denken. Een filosofisch gesprek is altijd een onderzoek naar denken en taal. Zo’n onderzoek is in zichzelf waardevol, omdat het ervoor zorgt dat je een kritische houding ontwikkelt en op je eigen oordeelsvermogen leert vertrouwen. Waarom gebruiken we dit woord, zijn daar goede redenen voor? Je hoeft je niet omver te laten blazen door een manier van spreken die toevallig intelligent klinkt, maar je leert je daar juist tegen verweren.’
Het gaat er dus om vertrouwen te krijgen in het eigen oordeel en niet om het uitstellen ervan?
‘We oordelen de hele dag door. Tegenwoordig hoor je dat het beter is om niet te oordelen dan wel, maar ook dat is een oordeel. Het is interessant om dat standpunt te onderzoeken: is niet oordelen beter? Heb je een voorbeeld van een situatie waarin je niet oordeelde en dat goed was? Dan moet je een voorbeeld vinden waarin je niet oordeelde en ik kan je vertellen: dat is extreem moeilijk. Het leuke van zo’n socratisch gesprek is dat mensen zich ervan bewust worden dat ze allerlei woordgroepen recyclen – “oordelen is niet goed” – waar ze zelf nog nooit over hebben nagedacht. Overigens: als je wél met een goed voorbeeld komt, kan de conclusie van een gesprek ook zijn dat oordelen inderdaad niet goed is. Maar dat moet dan uit jou komen: jij kiest je woorden en daar ben je dan ook verantwoordelijk voor. Je moet dan goede redenen geven waarom je zegt dat je in een bepaalde situatie niet oordeelde en dat dat goed was.’
Ook wel spannend, al die verantwoordelijkheid voor de woorden die je kiest.
‘Wat je regelmatig ziet, is dat mensen eerst spontaan antwoord geven, maar een terugtrekkende beweging maken bij een kritische vraag. Voor mij voelt het nu eenmaal zo, zeggen ze dan. Het gevaar daarvan is dat alles tot een individueel probleem gemaakt wordt, in plaats van een gemeenschappelijke kwestie die ons allemaal aangaat. Het is van belang dat je een uitspraak durft te doen over dat iets het geval is, in plaats van dat het zo voelt. Een leidinggevende kan je anders gemakkelijk klemzetten bij een klacht over grensoverschrijdend gedrag, door bijvoorbeeld te vragen waarom jij je onveilig voelt. In plaats daarvan is het belangrijk om samen te onderzoeken: klopt het dat het hier onveilig ís?’
Tekst loopt door onder afbeelding

Wat zijn goede vragen om gesprekspartners verantwoordelijkheid te laten nemen voor hun woorden?
‘Je wil zo precies mogelijk zijn. Ik ben geen fan van de vraag “Wat bedoel je?”, omdat die de ander te veel ruimte geeft om zelf te kiezen waarop hij of zij antwoord geeft. Als iemand spreekt over “goede samenwerking” kan een vraag zijn: vind je dat we nu goed samenwerken? Of als de term “zelfontwikkeling” valt: wat is het verschil tussen iets leren en zelfontwikkeling? Kun je alleen zelf jezelf ontwikkelen of kunnen anderen dat ook voor je doen? Ik zit ook weleens in een socratisch gesprek als deelnemer en dan voelt het door zulke vragen alsof ik een stevige massage krijg, waardoor ik “gedwongen” wordt om een bepaalde denkbeweging te maken.’
U heeft een educatieve website ontwikkeld, Peertest, waarop leerlingen elkaar anoniem vragen stellen over de lesstof en elkaars antwoorden beoordelen. Waarom is dat belangrijk?
‘Op school leren leerlingen doorgaans om vragen te beantwoorden. De docent beoordeelt of die antwoorden goed of fout zijn. Wat je vaak ziet, is dat leerlingen het antwoord geven waarvan ze denken dat de docent het wil horen. Die heeft dus het laatste woord en bepaalt door de vraagstelling bovendien al wat de relevantie van de lesstof is. Zodra dat gebeurt, is het met de zelfstandigheid van het denken gedaan. Als leerlingen zelf vragen over de lesstof bedenken, ontwikkelen ze een eigen, authentieke relatie tot een onderwerp – ook kinderen die in de klas altijd stil zijn. Door de vragen te anonimiseren, voelen ze zich vrij een origineel in plaats van een gewenst antwoord te geven. Wat geldt voor de filosofie, geldt wat mij betreft voor het hele onderwijs: dat zou altijd in de eerste plaats gericht moeten zijn op zelfstandig leren denken.’

