Home 20 jaar publieksfilosofie: de schrijfsters

20 jaar publieksfilosofie: de schrijfsters

Door Frank en Maarten Meester, Frank en Maarten Meester op 29 mei 2012

Cover van 06-2012
06-2012 Filosofie magazine Lees het magazine

Frank Meester prijst de grootsheid van de romanschrijvende filosofen. Zijn broer Maarten heeft het niet zo op de filosofisch-literaire diva’s. Een twistgesprek.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Maarten: ‘Laat ik beginnen met een bekentenis: ook ik heb in 1991 vrijwillig Connie Palmens De wetten gekocht. Ik was nog jong en onwetend, begon me net in de filosofie te verdiepen. Wat meegespeeld zal hebben, is dat een automobilist me vlak daarvoor midden in Amsterdam van mijn fiets had gereden. Ik was plat op mijn rug neergekomen, had veel pijn, achteraf gezien waarschijnlijk ook een lichte hersenschudding. Ik lag bij onze ouders in Amstelveen te revalideren. Omdat de boekwinkel daar niet veel keuze bood, heb ik uiteindelijk maar…’

Frank: ‘Je hoeft je niet te verontschuldigen.’

Maarten: ‘Jawel, Ik schaam me nog altijd. Toen ik het boek las, riep het al veel vragen bij me op (Waarom lees ik dit gedweep? Waarom lees ik dit gedweep? Waarom lees ik dit gedweep?). Later kwam ik erachter dat ik me het slachtoffer heb laten maken van een hype. Haar uitgever en minnaar, Mai Spijkers, had Palmen toegezegd “echt alles” voor haar debuut te doen. En hij had woord gehouden. Zo had Het Parool al voor De wetten uitkwam een paginagroot interview met Palmen. Vervolgens wilde elk medium haar hebben; de schrijver Robert Anker sprak later van een “collectieve verliefdheid in de vaderlandse pers”. En nog later uitte de niet altijd even verstandige Theo van Gogh de volgens mij verstandigste woorden over Palmen ooit: “Ik vind Connie Palmen een schat van een vrouw, meen ik echt. Ik vind alleen dat ze niet goed kan schrijven. Maar ze heeft wel één briljant talent: het vermogen om zo gewichtig te doen dat iedereen erin stinkt.”’

Frank: ‘Palmen heeft inderdaad het briljante talent om iedereen erin te laten stinken. Maar een schrijver is geen priester. Een priester pretendeert de waarheid te verkondigen, een schrijver probeert een mooi verhaal te vertellen en zal nooit ontkennen dat hij slechts een verhaal vertelt. Een goed verhaal is in staat je te betoveren, je even de zinloosheid van het bestaan te doen vergeten. Dat kun je het vermogen om “de mensen erin laten stinken” noemen, alleen spreek ik liever van het vermogen om goed te schrijven.’

Maarten: ‘Zelf pretendeert Palmen juist de waarheid te vertellen: “Goeie filosofie doet pijn, die brandt”, zei ze in dat allereerste interview in Het Parool. “Je krijgt een paar klappen in je gezicht, wordt wakker. En goeie literatuur heeft dat voor mij ook. Zoutzuur, vitriool. Het doet vreselijk zeer als ze het over je heen gieten, maar daar kan je op zo’n moment ook van genieten, omdat het eindelijk de waarheid lijkt. Je gaat steeds meer van de schijn genezen.”’

Frank: ‘In haar prachtige essay voor de Maand van de Filosofie, iets wat niet bloeden kan, over de moord op Pim Fortuyn, zegt ze; “Echt en onecht zijn de nieuwe normen waarmee we het gedrag en het voorkomen van publieke personen beoordelen”. En zelf speelt ze daar natuurlijk ook mee.  Palmen is iemand van grootse daden en grootse woorden. Ze wil graag meeslepend leven. Ze had al jong besloten dat ze geen burgerlijk bestaan wilde, met een gezin. Ze leeft voor haar schrijverschap en voor haar grote liefdes. Natuurlijk is dat een romantisch toneelstuk. Maar het is toch ook wel weer vertederend dat iemand zulk verouderd repertoire nog zo vol overtuiging kan brengen. En nuttig bovendien. Geheel in lijn met de traditie van Annie M.G. Schmidt en Simon Carmiggelt is hier elke neiging tot grootsheid of intellectuele diepgang lange tijd direct de kop ingedrukt. Palmen geeft de Nederlandse literatuur tenminste nog wat grandeur mee.’

Maarten: ‘Alleen kampen we op dit moment met een overschot aan filosofisch-literaire diva’s. Neem La Hermsen. Die schijnt nogal lange tenen te hebben. Bij elk interview eist ze van tevoren inzage in de foto’s, en als ze daar naar haar mening niet fraai genoeg op staat, dan is zo’n redactie blijkbaar niet zomaar van haar af… Maar het toppunt is nog dat Hermsen laatst in een interview beweerde dat ze ouder worden wel fijn vindt, omdat mensen haar daardoor minder om haar uiterlijk waarderen…’

Frank: ‘Jij begint ook weer over haar uiterlijk. Jij zet haar weg als een ijdele vrouw, neemt haar niet serieus als schrijver en filosoof. Precies waar Hermsen altijd tegen heeft gestreden. Toen ze in een politiek-filosofisch programma aandacht wilde besteden aan Hannah Arendt kreeg ze te horen:  “Dat is geen filosofe, maar een eh… vrouw.” 

In Heimwee naar de mens beschrijft Hermsen hoe ze de Franse filosofe Sarah Kofman bezoekt. Die is uiterst gespannen. Kofman kan elk moment te horen krijgen of ze hoogleraar wordt aan de Sorbonne. Ze is met nog slechts één andere kandidaat over: een man, een jonge, net gepromoveerde filosoof, die maar één publicatie op zijn naam heeft staan. Kofman daarentegen doceert al twintig jaar aan de Sorbonne en heeft een heel oeuvre bijeengeschreven. Kat-in-het-bakkie, zou je zeggen. Dan gaat de telefoon: de jonge filosoof is het geworden. “Non, ce n’est pas vrai”, hoort Hermsen Kofman kreunen, “ce n’est pas possible”.

“Maar het was wél waar en het was wél mogelijk”, schrijft Hermsen. “Op de universiteit is alles mogelijk, en niet alleen in Frankrijk.” Ze wist dat uit eigen ervaring, want terwijl ze net als Kofman al lange tijd aan de universiteit had gewerkt en veel had geschreven, kreeg Hermsen zelf ook geen gepaste aanstelling. “Mijn carrière in de wetenschap is uiteindelijk geëindigd, doordat ik een tweede postdocplaats niet kreeg”, zei Hermsen daar later over. “Ondanks de hoge beoordelingen die de referenten van NWO voor mijn aanvraag hadden gegeven. Een commissielid zocht een baantje voor zijn liefje. Ja, zo gaat dat dus.”’

Maarten: ‘En daarom schreef Hermsen zeker dat ordinaire roddelboek over filosofen, De profielschets?

Frank: ‘Ordinair roddelboek? Hermsen zelf vergeleek het met Zola’s pamflet J’accuse. ‘Directe aanleiding om daadwerkelijk te gaan schrijven, was een krantenbericht van enkele jaren geleden waarin stond dat een Amsterdamse hoogleraar voor de derde keer z’n liefje benoemd wist te krijgen op een post binnen een universiteit, eerst als postdoc, later als hoogleraar’, zei ze. Ze is zelfs nog zo netjes om Hent de Vries niet bij zijn naam te noemen.
Maarten: ‘Terug naar de filosofie. Volgens mij hebben we nu wel voldoende aangetoond dat filosofische literatuur een verkapte vorm van roddelen is.’

Frank: ‘”Ach, iedere filosoof heeft zo zijn biografisch appeltje te schillen – metafysica en roddelen liggen dichter bij elkaar dan je denkt”, zei de filosoof Stephen Toulmin terecht in een interview. Mooi punt, al overdrijft Toulmin. Wel. Zo zijn er genoeg filosofische romans waarin niet geroddeld wordt. Neem Mensen met een hobby van Désanne van Brederode. Daarin gaat het beslist niet om de personen maar om de ideeën. Sterker nog, er komen teksten van een filosoof in voor die uiteindelijk niet blijkt te bestaan. Ideeën op z’n puurst, zou je zeggen. Geest zonder lichaam.’

Maarten: ‘No-body. Daar draait het inderdaad om. Maar dat is geen pure geest, dat is een populaire rubriek in het meisjesblad Viva, Anybody. Vrouwen kunnen een foto laten maken van hun naakte lichaam, zonder hun hoofd erbij. Naast de foto staat een interviewtje met de gefotografeerde, waarin die vertelt wat ze wel en niet mooi vindt aan haar lichaam. We zijn dus al zo diep gezonken dat we een Viva-rubriek filosofisch noemen.’

Frank: ‘Dat is toch juist prachtig. Van Brederode speelt met de klassieke filosofische kwestie van het dualisme tussen lichaam en geest en weet die te verbinden met de rubriek Anybody uit Viva. Het hoofdpersonage leest die altijd. Ze is onzeker, ook over haar relatie en vooral over haar lichaam. Haar vriend zegt dat ze zo’n mooi lichaam heeft, maar ze vertrouwt hem niet. Daarom geeft ze zich stiekem op voor de rubriek. Als ze erin staat, probeert ze terloops de mening van haar vriend over haar lichaam te achterhalen. Hij prijst het. Ze is blij, maar uiteindelijk blijkt dat hij direct zag dat zij het was en het spel meespeelde. Een prachtig plot die meteen een nieuw beeld schept van Arjan Peters, want je weet toch wel dat hij in werkelijkheid Van Brederodes partner is? Zie je het voor je: de grote literatuurrecensent van de Volkskrant die samen met z’n partner, de filosoof-schrijfster, een Viva-rubriek leest?’

Maarten: ‘Het beeld wekt geen enthousiasme bij me op. Alleen al omdat Joost Zwagerman Peters terecht heeft beticht van belangenverstrengeling. Als recensent heeft hij een relatie met een schrijfster.’

Frank: ‘Nu ga je te snel. Peters heeft juist onaardig over Van Brederode geschreven. Je weet toch hoe ze elkaar gevonden hebben? Hij had een vernietigende recensie geschreven van haar eerste boek Ave verum corpus. Zij was uiteraard beledigd en zocht hem op. Sindsdien zijn ze bij elkaar.’

Maarten: ‘Het verbaast me dat iemand die zo gevoelig is voor roddels als jij, Désanne van Brederode blijft verdedigen? Een paar jaar geleden liet ze zich niet zo positief over ons uit in dagblad De Pers. Ze had niets tegen populaire filosofie, wel vond ze de Gebroeders Meester veel te simplistisch.’

Frank: ‘Ze vond joú te simplistisch. Dat stuk verscheen vlak voor de Filosofie Nacht. Toen ik haar daar tegenkwam, zei ze me: “Dat ging natuurlijk niet over jou, maar over je broer”.’

Maarten: ‘Dat zei ze die Nacht ook tegen mij.’