Home Wittgensteins weigering om te springen

Wittgensteins weigering om te springen

Wittgensteins denken was een breuk met de geschiedenis van de filosofie. Hij zocht niet langer naar een hogere werkelijkheid, maar keerde terug naar de rommelige alledaagsheid – op een briljante manier.

Door Bert Keizer op 02 maart 2016

Wittgensteins weigering om te springen
Cover van 03-2016
03-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

Het denken van Wittgenstein staat aan het eind van de lange weg die de westerse filosofie door de eeuwen heeft afgelegd, volgend op het uitgangsvisioen van Plato. Wie Plato leest zal onvermijdelijk vallen voor de grootsheid van het geschetste tafereel, waarin de mens zich ver boven de sleetsheid van het dagelijkse omhoogdenkt tot een directe waarneming van het Goede, het Ware en het Schone.

Plato zag door zijn sterrenkijker het mooiste Luchtkasteel ooit door een mens gedroomd. Heel even maar. Want toen hij zijn instrument iets scherper wilde instellen, had hij het Visioen voorgoed weggedraaid. Dat platonische moment werd gevolgd door eeuwen van denken, bidden en bijstellen om het instrument weer op scherpte te krijgen, maar zonder resultaat.

Plato zelf keerde op zijn schreden terug in zijn latere filosofie. Het platonisme zit evenwel diep in ons, omdat het de uitdrukking is van ons verlangen naar Altijddurende Zekerheid. Wij wonen, intellectueel-historisch gesproken, dan ook veel meer in het platonisme dan in het christendom, dat pas bij het denkende deel van het volk over de vloer kon komen nadat het bij Plato een stropdas had geleend.

Reuzensprong

Plato droomde zich over de hindernis van de menselijke onvolkomenheid heen. Nietzsches filosofie is een woeste aanloop tot zo’n reuzensprong: ‘Der Mensch ist etwas, das überwunden werden soll.’ Maar Wittgensteins filosofie is de sublieme weigering om te springen. In zijn vroegere werk was ook Wittgenstein op zoek naar een platonisch getinte zekerheid over taal, wereld en logica, maar allengs zakte zijn onderneming weg uit het eeuwige om terecht te komen in het dagelijkse.

Die neiging om weg te springen uit rommelige alledaagsheid komt door ons verlangen om voor eeuwig en altijd zeker te weten hoe het nou precies zit. Uiteindelijk was dat Plato’s doel. En het is het doel van de westerse filosofie gebleven. Zo heeft Plato in de figuur van Socrates gezocht naar wat het Goede zelf nu eigenlijk precies is. Socrates is niet tevreden wanneer Meno als antwoord met een hele zwerm voorbeelden komt. Nee, zegt Socrates, ik wil het hebben over het Goede zelf dat achter al die voorbeelden steekt. Het Goede zelf voor ons geestesoog plaatsen, dat maakt ons tot ware zieners, want op aarde zullen we het Goede zelf nooit zien: het toeft in het luchtkasteel.

De geschiedenis van de westerse filosofie is eigenlijk een lange klim omlaag uit de platonische hemel, totdat we in Wittgensteins denken weer met twee voeten op aarde staan. De harde kristallijne begrippen, zoals Plato die vermoedde achter de flodderige schijn van het alledaagse, brengt Wittgenstein omlaag naar de mensenwereld en daar blijken ze niet zo hard en eenduidig, laat staan eeuwigdurend en onveranderlijk te zijn als Plato dacht. Het zijn geen ideale kubussen, maar gewone kartonnen dozen.

Wittgenstein beschrijft zijn methode als precies tegenovergesteld aan die van Socrates. Hij zoekt niet naar één definitieve versie van een begrip, één definitieve betekenis van een woord – nee, het gaat hem er juist om aan te tonen dat er achter een woord als ‘tafel’ een oneindig aantal mogelijke situaties ligt waarin het woord gebruikt kan worden, zónder dat u die allemaal kunt overzien. Het is in die zin dat u niet precies weet wat ‘tafel’ betekent.

Misverstand

Vele honderden van zijn opmerkingen zijn erop gericht om u van het idee af te helpen dat zelfstandige naamwoorden een eenduidige scherp omgrensde betekenis hebben: het misverstand van het essentialisme. Zo laat hij zien dat woorden als ‘fout’, ‘geest’, ‘gedachte’, ‘waarneming’, ‘tafel’, ‘één’, ‘pijn’, ‘lezen’, ‘steen’, ‘rood’ en ‘au’ in vele uiteenlopende sociale situaties gebruikt worden, waarbij het ten enenmale onmogelijk is aan te geven wat nou precies datgene is waarin al die situaties overeenstemmen; die essentie is er niet.

Aan de hand van een aantal situaties laat hij zien dat het soms onmogelijk is om van een bepaalde bezigheid te zeggen of die nou wel of niet als lezen gekenschetst moet worden. Nou en? Nou, de les is dat de betekenis van een woord een rafelige rand heeft, dat begrippen door mensen in sociale situaties ineengeknutseld worden en dat het geen geestelijke essenties zijn die van bovenaf in een klank neerdalen. Platonisch Lezen is per definitie juist niet van deze aard.

Wittgensteins ogenschijnlijk pietluttige verkenningen van taalkundige situaties (‘Wat ik zeg is niet moeilijk…’) vormen een wirwar van nederige paden door het gigantische landschap van menselijk doen en laten, waarboven het ooit zo stralende platonische visioen langzaam voorgoed uitdooft (‘… maar de reden waarom ik het zeg is dat wel’). Door aan te tonen dat de betekenis van een woord geen scherp begrensde cirkel van licht is, maar een cirkel die geleidelijk via een schemergebied aan de rand overgaat in duister, ondergraaft hij een hele denkwereld vol misverstanden over de aard van woorden.

Goed kijken naar taal is zo moeilijk, omdat uitdrukkingsvormen zoveel op elkaar lijken dat we in de war raken en met verkeerde beelden aan de haal gaan. ‘Hier zet men over en koffie’ is als boodschap bij een landelijk pontje nog wel uiteen te rafelen. Kennelijk hebben we hier twee totaal verschillende betekenissen van ‘zetten’. Maar het gaat Wittgenstein om verwarringen die dieper graven. Vooral filosofen vallen makkelijk ten prooi aan verwarring, omdat ze veelal met woorden goochelen zonder zich nog te bekommeren om een sociale situatie waarin ze die ooit zouden gebruiken.

Wittgenstein schrijft: ‘Een uitdrukking betekent alleen iets in de stroom van het leven.’ Hij geeft als illustratie van het absurde van veel filosofie de volgende scène:

Ik zit met een filosoof in de tuin; hij zegt keer op keer: ‘Ik weet dat dat een boom is’, terwijl hij wijst naar een boom naast ons. Iemand anders komt langs en hoort dit, en ik leg uit: ‘Hij is niet gek, hoor. Maar we zijn filosofie aan het doen.’

Wittgenstein schrijft bijna altijd in de vorm van een gesprek met zichzelf. Citaten, voorbeelden of tekeningen geven aanleiding tot opmerkingen, die dan vaak tot nieuwe vragen leiden. Zijn denken heeft iets onnavolgbaar oorspronkelijks en onverwachts, omdat hij altijd met van die eenvoudige en heldere vergelijkingen komt. Een voorbeeld:

Denk eens aan een gereedschapskist: er zit een hamer in, een tang, een zaag, een schroevendraaier, een duimstok, een pot met houtlijm, spijkers en schroeven. – De functies van woorden zijn net zo uiteenlopend als de functies van deze voorwerpen. (En in beide gevallen zijn er overeenkomsten tussen die functies.)

Maar wat ons zo verwart is het eenvormige uiterlijk van woorden als we ze gesproken, geschreven of gedrukt tegenkomen. Want de manier waarop ze gebruikt worden is niet zomaar te zien. En helemaal niet als we aan het filosoferen zijn!

Wittgenstein beschrijft zichzelf als denkend in gelijkenissen, waarbij de bijbelse echo niet toevallig is. Geen enkel onderwerp wordt ooit afgerond, omdat hij nooit alle concrete situaties waarin mensen over de wereld praten kan doorlichten. Zijn filosofie eindigt dan ook niet in een theorie, of een algemeen geldende bewering over de aard van taal of pijn of denken of geest. Nee, de hele onderneming is er juist op gericht om zulke algemeenheden te ontmaskeren voor wat ze zijn: talige ondingen die het gevolg zijn van de betovering van ons intellect door de taal. Uiteindelijk laat zijn filosofie alles wat het is. En toch is alles veranderd als je hem gelezen hebt.

Briljant

Wittgenstein had een hekel aan academische filosofie, een bezigheid die de bestaande verwarring alleen maar kon verergeren. Hij twijfelde dan ook nooit bij het geven van levensadviezen aan zijn briljantere studenten: verlaat onmiddellijk de universiteit, er is hier geen zuurstof. Waar hij aan toevoegde: ‘Voor mij geldt dat niet, want ik vervaardig mijn eigen zuurstof.’

De prettige overmoed die uit die laatste toevoeging spreekt, is eigenlijk iets wat Wittgenstein maar zelden voelde. Hij ervoer het universitaire bestaan als levenloos en werd altijd verteerd door twijfels aan de waarde van zijn filosofische werk. In zijn latere jaren was hij wel overtuigd van zijn filosofische talent, maar hij bleef zich zijn leven lang af- vragen of hij het goed aanwendde.

Steenrijk

Wittgenstein bestond niet alleen uit gedachten. Hij werd geboren in Wenen in 1889 en was de zoon van een steenrijke staalmagnaat. Op zijn vaders aandringen studeerde hij eerst werktuigbouwkunde in Berlijn. Na een periode in Manchester, waar hij onderzoek deed in aerodynamica, belandde hij in Cambridge, waar Russell zijn opmerkelijke intellect vrijwel onmiddellijk herkende en misschien ook deels ten bloei bracht.

Wittgenstein was soldaat in het Oostenrijkse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij onderwees vele jaren in Cambridge, maar onderbrak zijn academische bestaan keer op keer om zich af te zonderen voor zijn filosofische werk in een hut in Noorwegen, of in ontroerende pogingen om iets nuttigs te doen. Dat nuttige was een baan als onderwijzer op een plattelandsschool in Oostenrijk. Het ging hem niet goed af. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kon hij het evenmin uithouden in Cambridge en werkte hij geruime tijd in een Londens ziekenhuis als rondbrenger van medicijnen.

Wittgenstein was homoseksueel, min of meer praktiserend. Hij was geen eenzelvige engerd, maar ook niet bepaald een gezelligheidsdier. Hij was een moeilijk levend mens, een uitermate gevoelige perfectionist, die zich verplicht voelde ten opzichte van zijn gave. Hij wanhoopte vaak over het fragmentarische van zijn werk, maar wist eigenlijk ook wel dat de manier waarop hij een intellectueel domein doorkruiste nu eenmaal niet kon leiden tot traditionele uiteenzettingen.

Tijdens zijn laatste ziekte, die hij verwelkomde na zijn uitputtende leven, schreef Wittgenstein misschien wel zijn mooiste werk: Über Gewissheit, waarin hij in onvergetelijke stijl nog eens aantoonde dat het niet gaat om zekerheid, maar om helderheid. Dat boek is niet geschreven door een man die op de drempel van de eeuwigheid werd bestormd door twijfels over al zijn zekerheden. Het toont juist aan hoe vreemd het idee van zo’n bestorming zou zijn.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.