Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

vrijdag 8 februari 2013

‘Waarom zouden we de koning niet kiezen?’

Maarten Meester
filosoof, literatuurwetenschapper, publicist

Filosoof Hans Dijkhuis zet vraagtekens bij het automatisme waarmee Willem-Alexander Beatrix opvolgt. We zouden onze nieuwe koning ook kunnen kiezen, zegt de auteur van Monarchia, een studie naar het filosofisch denken over de monarchie.

Afgezien van doorgewinterde republikeinen en monarchisten staan de meeste mensen onverschillig tegen het moderne koningschap, stelt Hans Dijkhuis. ‘In feite leven we al anderhalve eeuw in een republiek, waardoor de discussie over het koningshuis zo voortsleept: De meeste mensen zullen zeggen: wat maakt het uit dat we een nieuwe koning krijgen? Hij heeft toch geen macht en kan toch geen kwaad doen. Zolang de Oranjes voldoende amusementswaarde hebben, tolereren we hen. Maar als Willem-Alexander te koppig blijkt te zijn, is het snel met hen gedaan.’

Ook filosofen hebben volgens Dijkhuis hun interesse in het koningschap verloren, waarbij hij wel opmerkt dat het om een recent verschijnsel gaat. ‘Tot de democratie in het centrum van het politieke denken kwam te staan, was de monarchie daar het uitgangspunt van.’ Grote geesten – denk aan Dante, Erasmus en Machiavelli – hebben zich gebogen over de positie van de vorst. Maar toen grofweg na het revolutiejaar 1848 de werkelijke macht van de monarch verdween, verdween daarmee tevens de wijsgerige interesse. ‘De moderne constitutionele, parlementaire monarchie is ook geen onderwerp meer dat filosofen kan boeien’, stelt Dijkhuis. ‘Zij is een merkwaardige, hybride mengvorm van monarchale en republikeinse elementen, ontstaan in een beperkt aantal monarchieën die wel een republiek wilden worden, maar toch niet volledig afstand konden of wilden doen van hun koningshuis. Filosofen houden zich liever bezig met zuivere, algemene en duidelijk te onderscheiden begrippen als “monarchie”en “republiek’; de historische details en nuances laten zij ter bestudering aan de wetenschappen.’

Dijkhuis is hier zelf geen uitzondering. In zijn boek wijdt hij slechts een hoofdstuk aan de constitutionele monarchie, die hij plaatst in het grotere verhaal van de monarchie. ‘Ik heb Monarchia in 2010 gepubliceerd, met in mijn achterhoofd de verwachting dat de troonswisseling niet lang op zich zou laten wachten. Als we dan toch een monarchie hebben, dacht ik, laat ik de mensen dan maar iets vertellen over het denken daarover.’

In zijn studie laat Dijkhuis zien dat het volk zijn monarch vroeger zeker niet kon negeren; hij had immers de macht in handen. Bovendien hing zijn legitimatie samen met het geloof: zijn macht was hem van bovenaf verleend. Dus ook de koningen leden onder de dood van God. Wat hun opvolgers rest is de harten van de burgers winnen. Het punt is: hoe moeten zij dat doen? Dijkhuis: ‘Echt geliefd worden bij het volk is moeilijk omdat er nog maar zo weinig van hun positie en daden afhangt; zij kunnen niet meer zoals een vader of moeder voor het welzijn van hun volk zorgen, niet meer als aanvoerder hun dapperheid betonen in een oorlog.’

Rationeel valt het erfelijk koningschap in elk geval niet te verdedigen, meent Dijkhuis. ‘Koningen volgen elkaar niet op als redelijke wezens maar als dieren’, schreef de achttiende-eeuwse filosoof Thomas Paine al. Niet hun capaciteiten geven de doorslag, puur het specifieke geboortekanaal waar zij uitkomen bepaalt dat zij de troon zullen bestijgen. ‘Er zijn nog bepaalde capaciteiten voor nodig om een ambachtsman te zijn’, schreef Paine, ‘maar om koning te worden is alleen de levende gedaante van een mens vereist – een soort ademende automaat.’

Daarbij komt, stelt Dijkhuis, dat een erfelijk staatshoofd principieel onverenigbaar is met de democratie. ‘Niet alleen is het ondemocratisch om het staatshoofd niet te kiezen, ook is deze overheidsfunctie niet voor iedereen bereikbaar. Zo vormt deze functie een in het oog springende uitzondering op de regel zoals die vastligt in artikel 3 van de Nederlandse Grondwet: “Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar”. Mijn verstand zegt dus: we moeten gewoon een republiek hebben. Het idee van een erfelijke macht stuit me tegen de borst. Maar mijn gevoel zegt iets anders. Ik vind de monarchie ook wel weer vertederend. Wij mensen hebben behoefte aan sprookjes, ook als tegenwicht tegen de Verlichting, de heerschappij van de ratio. Zo kwam ik op de gedachte: waarom zouden we de koning niet kiezen? Het zal bij een gedachte blijven, maar het zou wel de enige manier zijn om het koningschap echt democratisch te maken. Bovendien is het idee van erfelijk koningschap geen gevaarlijke nieuwlichterij maar juist een terugkeer naar de oorsprong van de monarchie. Aristoteles schrijft al dat de Grieken bepaalde mannen als beloning voor hun weldaden tot koning kozen. En Erasmus schrijft aan de latere Karel V: “In de vroegste tijden werden koningen eensgezind door het volk aangesteld”. Tot in de achttiende eeuw kwamen gekozen koningen voor. De verkiezing verschafte hen legitimatie. Dus historisch gezien is een gekozen koning in elk geval geen rariteit.’