Home Mens en techniek Pleidooi tegen volmaaktheid
Mens en techniek

Pleidooi tegen volmaaktheid

Door Florentijn van Rootselaar op 17 juni 2015

Pleidooi tegen volmaaktheid
07-2015 Filosofie magazine Lees het magazine

Gentechnologie gebruiken om mensen te verbeteren: het is een gevaarlijk idee volgens de Amerikaanse filosoof Michael Sandel. ‘Als je de mens zo verandert dat hij beter in de samenleving past, maak je hem tot een ding.’
 
Shenzhen, China, 2015. Onderzoekers verzamelen DNA van mensen met een hoog IQ. De data – big data, het gaat om materiaal uit de hele wereld – worden in hun computers geanalyseerd om zo het geheim van de menselijke intelligentie te doorgronden. Het doel: gentechniek op de markt brengen waarmee ouders slimme baby’s kunnen krijgen. 

In 2013 verscheen de documentaire DNA Dreams over het Bejing Genomics Institute – het grootste genetische onderzoeksinstutuut ter wereld aan de rand van Shenzhen. 

‘Het is een nieuw hoofdstuk in de duistere geschiedenis van de eugenetica’, reageert Michael Sandel, de Harvardprofessor die beroemd werd door zijn toegankelijke filosofiecolleges voor een zaal met meer dan duizend studenten; miljoenen mensen bekeken de colleges vervolgens online. Sandel, die in 2001 zitting nam in de toen pas gevormde President’s Council on Bioethics, heeft een uitgesproken kritische opvatting over gentechnologie, zo blijkt ook uit zijn Pleidooi tegen volmaaktheid. Een ethiek voor gentechnologie. Het is een visie die hij ook zal verwoorden in De volmaakte mens, de VPRO-serie over de toekomst van onze soort.

We zitten in clubfauteuils, in de bar van het Waldorf Astoria, de Amsterdamse vestiging. De muziek staat te hard, en naast ons schudt de barman de cocktailshaker met ijsblokjes. Sandel buigt zich – vriendelijk én professioneel als hij is – dichter naar het opname-apparaatje. Waarom hij zo kritisch is over het onderzoek in Shenzhen? ‘Ten eerste omdat het uitgaat van het idee dat het mogelijk is intelligentie vast te leggen in termen van IQ, iets meetbaars dat een genetisch correlaat kan hebben. Dat wijst op een verkeerd begrip van de intellectuele kwaliteiten die belangrijk zijn, die gecultiveerd en geprezen moeten worden. Daar zullen we het nog wel over hebben. Maar zelfs als het mogelijk was menselijke intelligentie zo te beschrijven, is het verkeerd…’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

 En wat is de meer fundamentele reden voor Sandel om deze poging tot mensverbetering zo sterk te kritiseren? Nergens werd voor hem duidelijker wat er mis mee is dan tijdens een college dat hij met een collega – een geneticus – gaf over ethiek en biotechnologie. Ze hadden als gastspreker James Watson uitgenodigd, de beroemde moleculair bioloog die in 1953 samen met Francis Crick de structuur van het DNA aan de wereld presenteerde. In 1962 zouden ze voor hun ontdekking de Nobelprijs krijgen. 

Sandel beschrijft de scène die ontstond in de collegezaal. ‘Weet je wat hij toen vertelde? Mensen met een lager IQ moesten verbeterd worden – dat was het woord dat hij gebruikte, verbeterd. Hij dacht dat hij ze zou helpen, die verbetering zou ervoor zorgen dat ze zich beter voelden in de wereld.
‘Ik vroeg: “Is een laag IQ dan een ziekte, een ziekte waar een behandeling voor nodig is?”
‘Hij zei: “Ja, een laag IQ wijst op een ziekte, die genezen moet worden.”

‘Een student van mij stelde toen een goede vraag: “Sommige mensen leiden een moeilijk leven omdat ze in onze samenleving geen baan kunnen krijgen. Ze zijn werkloos omdat ze niet beschikken over de vereiste mentale vaardigheden. Waarom veranderen we het economische en sociale systeem dan niet zodat deze mensen wel een baan kunnen vinden, of voldoende beloond worden. Waarom krijgt iemand die voor een hedge fund werkt veel geld, en een parkeerwachter niet?”

‘Weet je wat Watsons antwoord was? Hij zei: “Maar we kunnen de samenleving nooit veranderen, dat is veel te moeilijk. Het is veel eenvoudiger om de wetenschap te gebruiken om het leven voor deze mensen te verbeteren.”

‘Ik vond dat een erg duister en gevaarlijk idee. Mensen die gentechniek gebruiken claimen dat ze de minder bevoorrechte klasse helpen, maar ze doen iets heel anders: ze beschouwen die mensen als wezens met een gebrek. En dat is precies mijn morele bezwaar tegen eugenetici. Ze beschouwen mensen die niet floreren in onze economische orde – die we zelf hebben gecreëerd, en dus wellicht kunnen veranderen –als minderwaardig. De term heeft een duister verleden. In het tijdperk van de eugenetica – in de twintigste eeuw – wilden de eugenetici, waartoe zeker ook de nazi’s behoorden, de misfits, de onaangepasten, uitschakelen door ze te genezen of zelfs uit te roeien.

Het is een ten diepste objectiverende blik op de mens, je maakt ze tot een ding, ze verliezen hun menselijkheid en mogelijkheid om zelf de wereld te veranderen, om het heft in eigen handen te nemen. Mensen hoeven niet kritisch na te denken over de samenleving, die wordt als feit beschouwd.’
 
U vergelijkt de huidige mensverbetering met nazi-praktijken. Maar is het verschil niet dat ten tijde van de nazi’s de staat dwong tot aanpassing van de mens, terwijl we er tegenwoordig zelf voor kiezen?
‘Er wordt vaak gedacht dat er niets mis is met eugenetica als mensen er zelf voor kiezen. Anders dan bij de nazi’s, hoor je dan, is er geen staatsdwang, geen gedwongen sterilisatie bijvoorbeeld. Maar daar ben ik het mee oneens. Het is een vergissing om te denken dat dwang het enige verwerpelijke is hier. De vrijemarkt-eugenetica, of geprivatiseerde eugenetica, behoudt het ontmenselijkende uitgangspunt dat we mensen moeten veranderen om in de wereld te passen, en niet die wereld moeten aanpassen aan de mensen die we zijn.

Verder respecteert die liberale eugenetica onze vrijheid minder dan we denken. Ouders hebben namelijk de plicht om het welzijn van hun kinderen te bevorderen, ze zijn verplicht om hun kinderen naar school te sturen. Stel dat de mogelijkheid bestaat het leven van kinderen zogenaamd beter te maken door middel van gentechnologie. Dan kan het breed aanvaarde principe van welzijn worden ingezet om gentechnologie te verplichten – er kan in ieder geval een flinke morele druk ontstaan.  Nu al zie je dat met de screening op het downsyndroom. Mensen met een kind met dat syndroom voelen zich snel veroordeeld als ze zo’n kind hebben. Zullen ze straks veroordeeld worden als hun kind niet superintelligent is?

Terwijl gentechnologie wordt verdedigd omdat het ons leven kan verbeteren, blijkt het tot een moeilijker leven te leiden. We ervaren een zware last om er zelf het beste van te maken, we zijn volledig verantwoordelijk voor ons leven. Terwijl we het imperfecte leven soms zo onbekommerd konden leven.’
 
U legt zo de nadruk op aanpassing aan een neoliberale wereld van markt en strijd. Maar is mensverbetering niet gewoon een middel om beter te floreren als mens? Om gelukkiger te worden? Wat is daar nu op tegen?

‘Wat is geluk? Tevredenheid, minder gefrustreerd zijn? Dat is geen geluk. Geluk betekent niet dat je je louter conformeert aan de sociale wereld. Bij Aristoteles zie je het al: geluk is een activiteit van de ziel, overeenkomstig een deugd. Geluk is niet alleen een mentale staat, niet een louter subjectief gevoel, een impressie of perceptie – iets in je hoofd. Geluk betekent dat je je verbindt met de wereld, je engageert. Je richt je op het goede leven. Dat streven is een essentieel onderdeel van de menselijke conditie en van het goede leven. En precies dat streven gaat die gentechnologie tegen. Als we perfectie bereiken dankzij die technologie verstomt het gesprek, dan verdwijnt ook de wens om samen de wereld te verbeteren. Zo sluit gentechnologie ons af van een van de belangrijkste bronnen van ons menszijn.’
 
Maar stel dat iemand zegt: maar meneer Sandel, u vult nu voor mij in wat een gelukkig leven is. Dat maak ik zelf wel uit.
‘Dan zou ik eerst vragen wat zo iemand bedoelt. Bedoelt die dat het idee van het goede leven puur subjectief is? Dat het net zoiets is als een voorkeur voor ijs, de een wil een vanillesmaak, de ander heeft liever chocola. We kunnen er zelfs niet samen over nadenken, met een vriend of een filosoof. Dat uitgangspunt lijkt me bijzonder onaannemelijk. Het sluit de mogelijkheid uit dat je kunt leren van anderen, dat je ervan overtuigd zou kunnen worden dat er een andere manier van leven is die vervullender is, beter ook. Zo zijn wij mensen niet. Je ziet dat we voortdurend gesprekken voeren met vrienden, familieleden, leraren en medeleerlingen over het goede leven.

Misschien ook bedoelt zo iemand dat de visie op het goede leven niet louter subjectief is, dat je zelfs na een gesprek met een vriend of je mede-leerling je ideeën kunt herzien. Maar, zou zo’n persoon kunnen zeggen: ook al wil ik graag samen praten over het goede leven, toch wil ik aan het eind van dat gesprek de vrijheid om zelf te bepalen hoe ik leef. Het goede leven mag niet door de wet worden opgelegd. En ja, daar ben ik het in grote lijnen mee eens: de wet zou op z’n minst veel ruimte moeten geven aan verschillende manieren van leven. Idealiter creëert de wet een framework waarbinnen mensen met elkaar kunnen delibereren, van mening kunnen verschillen.

Het probleem tegenwoordig is dat we doen of die twee claims hetzelfde betekenen. Alsof het idee dat er ruimte moet zijn, vrijheid voor een eigen visie op het goede leven, betekent dat we er geen gesprek meer over kunnen voeren – en al helemaal geen debat. Alsof dat een vorm van onterechte bemoeienis zou zijn. Terwijl juist dat gemeenschappelijk nadenken de kern van ons menszijn vormt.’

 
 

Dat moet u uitleggen.
‘Een deel van het floreren van de mens – die gedachte zie je bij Aristoteles, en ook bij Hegel trouwens – schuilt in een gemeenschappelijke reflectie op het goede leven. Nadenken over het goede leven kan ook alleen maar samen met medeburgers, in een gemeenschap van gelijken. Een puur geprivatiseerde versie van het goede zou me niet ver brengen. Dan zou ik het rijke morele vocabulaire missen dat me wordt aangereikt in een debat en de mogelijkheden die alleen opkomen in mijn ontmoeting met andere mensen, tradities, culturen en geloven.’
 
Laten we iets dichterbij kijken. Wat doet die mogelijkheid van mensverbetering, de mogelijkheid om een designerbaby te krijgen, met de verhouding tussen ouder en kind?
‘Als ouders die mogelijkheid gebruiken om het kind te kiezen dat ze willen, kan het op ernstige wijze de relatie tussen ouder en kind vervormen. Het maakt de ouders tot de eugenetische designers of meester van hun kinderen, en dat tast de kern van het ouderschap aan: de onvoorwaardelijke liefde van de ouder voor het kind. Ze houden dan van hun kind omdat het zo intelligent is, en niet ondanks het ontbreken van die intelligentie.

Het gaat me nu dus niet om het effect op het kind, maar om de ouder. Het is moreel belangrijk voor de ouder-kindrelatie dat kinderen onvoorspelbaar zijn voor hun ouders. Ondanks de grootste inspanningen van ouders om kinderen te gidsen en ook te vormen, blijft het ouderschap vol verrassingen. En dat moeten we waarderen.

Ouderschap vormt zo een waardevol contrast met ons leven, waarin we toch proberen de meesters van ons lot te zijn. We proberen controle uit te oefen in onze carrière, in de wetenschap, in de natuur en de geneeskunde. We beheersen ziekten, rampen, ongelukken. Maar die impuls om onze wil uit te oefenen is niet de enige waardevolle menselijke neiging. We moeten ons realiseren dat er grenzen aan onze wil zitten. We probeerden bijvoorbeeld altijd de natuur te beheersen, maar je ziet nu ook een beweging de andere kant op, onder invloed van de milieubeweging. Een van de successen van de milieubeweging is dat ze onze ongebreidelde heerszucht ondermijnt.

Ouderschap herinnert ons aan het belang van nederigheid. Daarin gaat het om het vinden van een juiste balans. We proberen onze kinderen te vormen en te gidsen, dat moeten we doen, tegelijkertijd zijn ze recalcitrant, zoeken ze een eigen weg. Als we daar geen ruimte voor vinden, als we met designerbaby’s de wereld willen aanpassen aan onze plannen, getuigt dat van hybris, van menselijke overmoed.’
 
Betekent nederigheid dat we bij de pakken neer moeten zitten, ziekten en handicaps moeten accepteren?  
‘Nee, openheid voor het gegeven karakter van de wereld betekent niet dat je passief bent. De natuur geeft ons malaria, polio en tsunami’s. Die hoeven we niet te accepteren. De uitdaging – een grote uitdaging, dat geef ik toe – is om goed om te gaan met de spanning tussen ons streven om het leven te verbeteren en ziekten te genezen aan de ene kant en aan de andere kant het belang van nederigheid. Dat is dé morele uitdaging, ook omdat lang niet altijd duidelijk is waar de grens ligt tussen genezen en verbeteren, terwijl we tegelijkertijd leven in een tijd waarin ons vermogen om de natuur naar onze hand te zetten schijnbaar onbegrensd lijkt.’