Home Peter Bieri: ‘Ieder heeft het recht om niet vernederd te worden’

Peter Bieri: ‘Ieder heeft het recht om niet vernederd te worden’

Door Elma Drayer op 27 mei 2015

Cover van 06-2015
06-2015 Filosofie magazine Lees het magazine

Vol verbijstering kijkt de Zwitserse schrijver en filosoof Peter Bieri naar fenomenen als raamprostitutie en dwergwerpen. ‘Ook iets wat uit vrije wil gebeurt, kan in strijd zijn met de menselijke waardigheid.’

De menselijke waardigheid is onaantastbaar.’ Aan dit fiere zinnetje, onder meer te vinden in de Europese Grondwet, wijdt de Zwitserse filosoof Peter Bieri zijn nieuwe boek Een manier van leven. De titel klinkt wat tam, de inhoud is dat allerminst. Overtuigend laat hij zien, aan de hand van treffende voorbeelden uit de alledaagse praktijk en uit de wereldliteratuur, hoe fundamenteel het begrip ‘waardigheid’ is voor ons denken en doen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Brede bekendheid verwierf Bieri vooral als Pascal Mercier, het pseudoniem waaronder hij de internationale bestseller Nachttrein naar Lissabon schreef. Maar hij is ook filosoof. En op deze onstuimige Amsterdamse voorjaarsochtend legt hij graag uit wat hij daaronder verstaat.

Bieri ziet het als zijn taak, zegt hij, om publieksfilosofie te bedrijven. Dat deed hij in zijn veelgeprezen boek over de vrije wil – Het handwerk van de vrijheid. De ontdekking van de eigen wil – en dat doet hij opnieuw in Een manier van leven. Over de vele vormen van menselijke waardigheid. Openingszin: ‘Filosofie zoals ik haar opvat is de poging het licht van de begrippen te laten schijnen op belangrijke ervaringen van het menselijk leven.’

Bieri baseert zich in zijn boek op Immanuel Kants idee dat de mens altijd ‘doel op zich’ is, maar de naam van de Duitse filosoof vind je alleen terug in de noten. Daarin staat bijvoorbeeld deze passage uit Kants Fundering voor de metafysica van de zeden: ‘De mensheid is zelf een waardigheid; want de mens kan door geen mens (door anderen noch zelfs door zichzelf) louter als middel worden gebruikt; hij moet tegelijkertijd ook als doel worden gebruikt, en daarin bestaat juist zijn waardigheid…’

U noemt Kant nergens in de tekst.
‘Dat heb ik bewust gedaan. Als ik Kant en Spinoza had geciteerd, was het een academisch boek geworden. En dat wilde ik niet. Veel hedendaagse filosofieboeken, zeker in mijn taalgebied, zijn nauwelijks toegankelijk voor buitenstaanders. Dat vind ik jammer, want filosofie gaat over de grote vragen van het leven. Bovendien: ik wilde geen geschiedenis schrijven van het denken over de menselijke waardigheid. Ik wilde zelf de menselijke waardigheid in kaart brengen.’

Waarom citeert u wel uitvoerig uit de wereldliteratuur?
‘Heel simpel: mijn bedoeling was om situaties te schetsen waarin lezers zichzelf zouden kunnen herkennen. Goede literatuur verwoordt de menselijke ervaring op een dramatische, gefocuste, zeer geconcentreerde manier. Goede literatuur kent een kracht en een intensiteit die de meeste filosofische teksten niet hebben.’

Een van de teksten die Bieri analyseert, is Arthur Millers toneelstuk Dood van een handelsreiziger, over de langzame teloorgang van Willy Loman. Krenking op krenking ontvangt Loman van zijn machtsbeluste baas, en het lukt hem niet om zijn waardigheid te bewaren.

U gaat ervan uit dat de menselijke waardigheid onlosmakelijk verbonden is met het begrip ‘autonomie’. 
Ironisch lachje: ‘Dat is geen heel gewaagd filosofisch concept, daar is niks buitenissigs of exotisch aan. Autonomie betekent eenvoudigweg dat je zelf kunt bepalen wat voor leven je leidt, wat je eet, hoe je je kleedt, hoe je je gedraagt, met wie je omgaat, wat je doet, wat je laat. Mijn boek begint met de vaststelling: ontneem je het individu zijn autonomie, dan ontneem je hem zijn menselijke waardigheid.’

Onder de onaantastbaarheid van de menselijke waardigheid verstaat Bieri bijvoorbeeld het recht om niet vernederd te worden. Hoe gecompliceerd dat in de praktijk kan zijn, illustreert hij aan de hand van het fenomeen dwergwerpen. Op een dag belandt hij op de kermis, waar hij getuige is van zo’n act. Hij is ronduit verbijsterd: alleen om het publiek te vermaken, wordt hier een levend mens gereduceerd tot voorwerp! Na afloop van de voorstelling komt hij de ster van het dwergwerpen tegen bij diens woonwagen en legt hem zijn bezwaren voor. De dwerg op zijn beurt wil van de filosoof weten waarom zijn werkzaamheden in strijd zouden zijn met de menselijke waardigheid. ‘Niemand dwingt mij ertoe’, zegt hij. ‘Ik stel mezelf vrijwillig beschikbaar. Bovendien is het een van de weinige manieren waarop ik mijn brood kan verdienen! Ik vraag u: en hoe zit het dan met de waardigheid die gelegen is in de vrijheid om zelf te beslissen?’

Uiteindelijk komt Bieri erop uit dat ‘menselijke waardigheid’ niet alléén te maken heeft met de keuzevrijheid van het individu. ‘Iemand kan in vrijheid beslissen iets te doen wat ondanks die vrijwilligheid in strijd is met de waardigheid.’ Het begrip ‘waardigheid’ verwijst in zijn ogen naar iets wat hij ‘iets groters, iets objectiefs’ noemt. ‘Ze is de kenmerkende eigenschap van een hele levensvorm’, schrijft hij. Daarom mag de gemeenschap volgens hem ingrijpen als iemands waardigheid wordt aangetast – zelfs als het individu in kwestie de aantasting uit vrije wil ondergaat. Dus was het terecht, concludeert hij, dat Franse rechters enkele jaren geleden besloten het dwergwerpen te verbieden

Elders in het boek beschrijft Bieri hoe hij op de Amsterdamse Wallen verzeild raakte. ‘Het kan je dan vergaan als bij het dwergwerpen: je gelooft je ogen niet.’ Vrouwen, constateert hij, staan er in de etalage, als slaven op de slavenmarkt. Het zijn geen unieke individuen meer, alleen hun vlees telt. ‘Het was spookachtig. Op de terugvlucht dommelde ik in. Toen ik wakker werd vroeg ik me af of ik dit alles niet alleen maar gedroomd had.’

In dit land is raamprostitutie een geaccepteerd verschijnsel. Het is volkomen legaal.
‘Dat weet ik. Nederland besloot democratisch dat het is toegestaan, dus dat heb ik te respecteren. Maar voor mij ligt het glashelder: er is geen vrouw die voor haar plezier achter zo’n raam gaat staan. Deze vrouwen zijn gereduceerd tot koopwaar, er hangt bij wijze van spreken een prijskaartje aan. Ik vind het moeilijk voor te stellen dat iemand dat werkelijk uit vrije wil laat gebeuren. Er moet dwang in het spel zijn, direct of indirect – bijvoorbeeld door psychologische trauma’s die iemand in haar jeugd heeft opgelopen. Mij lijkt het dat de wet deze vrouwen in bescherming moet nemen.’

Dat is hier geen erg populair standpunt.
‘Maar zo denk ik erover. De waardigheid van de vrouwen achter de ramen wordt aangetast. Dat is voor mij zo duidelijk als wat. Raamprostitutie is zo’n schending van de privacy, van het intiemste dat een mens bezit, het lichaam. En dat talloze keren per dag. Ik begrijp niet waarom jullie dat normaal vinden. Ik begrijp er werkelijk niets van.’

En andere vormen van prostitutie?
De filosoof aarzelt. Dan zegt hij: ‘Ik ben geneigd te denken dat alle prostitutie de menselijke waardigheid in gevaar brengt.’

Maar als de prostituee haar werk werkelijk uit vrije wil doet? En zich daarbij beroept op haar autonomie?
‘Natuurlijk, in beginsel kan ze beslissen dat ze haar menselijke waardigheid terzijde schuift. Maar ook hier geldt, net als bij de dwerg in mijn boek: waardigheid gaat om méér. Ook al werkt de prostituee uit vrije wil, dan nog kun je als gemeenschap besluiten dat hier iets groters in het geding is. Je kunt besluiten dat je geen samenleving wilt waarin het normaal is dat menselijke wezens als handelswaar in de etalage uitgestald staan. Persoonlijk zou ik niet weten waarom je de wet niet zou inschakelen om dat te verbieden.’

Waarom hebt u dit niet zo stevig in uw boek opgeschreven?
‘Omdat Een manier van leven geen opiniërend, maar een filosofisch boek is. Het wil niet preken, het biedt de ruimte om er anders over te denken. Ik wil alleen laten zien hoe je kunt reflecteren op dit soort verschijnselen.’

Is de autonomie van het individu een conditio sine qua non voor een gelukkige samenleving?
‘In mijn ogen wel, ja. Het kan niet goed toeven zijn in een land dat de autonomie van het individu niet hoogacht en probeert te beschermen.’

Toch zijn er talloze culturen waar de gemeenschap, de clan en de familie belangrijker zijn dan de wensen van het individu. Maakt dat autonomie tot een westers stokpaardje?
‘De mensenrechten zijn sowieso een westers project. Toch geloof ik niet dat er iemand op deze wereld rondloopt die niet wil kunnen beslissen over zijn eigen leven. Wie wil er nu dat anderen voor jou uitmaken welke kleren je draagt, wat je eet, wat je doet, hoe je leeft? Wie wil er slaaf zijn? Niemand toch? Het verlangen naar autonomie lijkt mij universeel. Laat er geen misverstand over bestaan: in beginsel is elke gemeenschap vrij om er eigen opvattingen over waardigheid op na te houden. Elk volk heeft het recht om zijn eigen wetten te stellen – ook als die in onze ogen de menselijke waardigheid schenden. Maar als je me vraagt hoe ik daarover denk, dan is het antwoord simpel: in een gemeenschap waarin autonomie en waardigheid geen betekenis hebben, zou ik niet willen leven.’

En wat te doen met culturen binnen westerse landen die heel anders denken over autonomie?
Hoe te reageren, bijvoorbeeld, op het verschijnsel van de zogeheten ‘verborgen vrouwen’ – volwassen vrouwen die van hun man of schoonfamilie de deur niet uit mogen?
‘Als volwassen vrouwen in deze open, democratische samenleving niet vrij zijn om te gaan en staan waar ze willen, dan is dat een duidelijke aantasting van de menselijke waardigheid. Dan heeft de Nederlandse samenleving het recht om in te grijpen.’

In de praktijk kampen hulpverleners en autoriteiten nogal eens met ‘handelingsverlegenheid’.
‘Dat is de verkeerde houding, vind ik. Ook migranten moeten zich houden aan de democratisch tot stand gekomen wetten in dit land. Ze kunnen niet zeggen: wij houden vast aan onze eigen gebruiken. Wil je ergens anders zo leven, prima. Maar niet hier. Cultuurrelativisme vind ik überhaupt een zeer dubieuze notie. Het zorgt voor een subtiele erosie van de menselijke waardigheid.’

Respect voor andermans autonomie, zegt Bieri, moet je altijd toetsen aan een ander criterium: wreedheid. ‘Natuurlijk staat het iedereen vrij om de opvattingen aan te hangen die hij wil. Je mag niemand dwingen te denken zoals jij denkt. Maar als de daden die uit die opvattingen voortvloeien wreed zijn, dan moet je daartegen in het geweer komen. Werkelijk moreel handelen betekent dat je de gevoeligheid hebt om wreedheid te bespeuren en de moed om ertegen op te treden.’ Korte stilte. ‘Wie niets doet, verliest evenzeer zijn menselijke waardigheid.’