Home Ongeschikt voor het dagelijks leven

Ongeschikt voor het dagelijks leven

Door Ongeschikt voor het dagelijks leven en Fiep van Bodegom op 04 juni 2021

Ongeschikt voor het dagelijks leven
Cover van 06-2021
06-2021 Filosofie magazine Lees het magazine

Hannah Arendt en Susan Sontag laten ieder in een essay zien hoe je je het werk van Walter Benjamin eigen maakt.

Auteur Fiep van Bodegom

Als we kijken naar het concrete leven van een historische figuur is er altijd verbazing dat zo’n mens echt heeft bestaan. In haar essay over het leven en werk van de Duitse filosoof Walter Benjamin (1892–1940) vertelt Hannah Arendt over de pech die Benjamin van zijn kindertijd tot zijn dood achtervolgde. Aangeraakt door ongeluk kwamen veel van zijn ambitieuze schrijfplannen tot niets. Met haar nadruk op zijn ongeschiktheid voor het dagelijks leven, die Benjamin zelf deels cultiveerde door een slinkse vorm van onhandigheid, wijst ze paradoxaal genoeg juist op het geluk dat de meeste van zijn teksten persoonlijke en politieke catastrofes hebben overleefd. Arendt zelf nam in 1940 een deel van zijn manuscripten mee in haar vlucht naar New York. Bij leven was Benjamin bekend bij een kleine, maar invloedrijke groep lezers; nu wordt hij beschouwd als een van de grote denkers van de twintigste eeuw.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Afgelopen jaar verscheen bij Octavo van Benjamin de bundel Kritische portretten, twaalf essays over literatuur ingeleid door Thijs Lijster. Nu is er dit boekje met twee inleidende essays op Benjamins oeuvre van respectievelijk Susan Sontag en Hannah Arendt. Het stuk van Arendt verscheen oorspronkelijk in 1968, eerst in The New Yorker en vervolgens als voorwoord bij Illuminations, de eerste Engelstalige publicatie van Benjamins werk. Arendt was in de ideale positie om zo’n introductie te schrijven. Ze kwam uit hetzelfde Joodse milieu en was in ballingschap in Parijs (vanaf 1933) bevriend geraakt met Benjamin. Bovendien had ze een bittere twist met Adorno over zijn claim op de nalatenschap en verfoeide ze de traagheid waarmee het Institut für Sozialforschung in Frankfurt het werk van Benjamin postuum publiceerde. Deze inleiding was dan ook hét moment om haar lezing van het werk voor het voetlicht te brengen.

Veel is geschreven over de invloed van het marxisme op Benjamin. Hoewel Benjamin lange tijd affiniteit voelde met het revolutionaire communisme, las hij pas laat en weinig Marx. Volgens Arendt ‘was zowel de historische als de inhoudelijk-filosofische achtergrond niet van belang voor Benjamin, die de leer van het marxisme enkel gebruikte als een heuristisch-methodische stimulans’. Ook ziet zij het gebruik van de concepten ‘boven-‘ en ‘onderbouw’ bij Benjamin als voornamelijk metaforisch. Arendt zelf legt daarentegen grote nadruk op het dichterlijk denken. ‘Wat zo moeilijk te begrijpen is bij Benjamin, is dat hij geen dichter was, maar toch dichterlijk dacht en daarom de metafoor beschouwde als het grootste en geheimzinnigste geschenk van de taal.’ Volgens Arendt past Benjamin in geen enkele algemeen erkende categorie van schrijver, en die uniciteit maakt dat zijn werk alleen postuum gewaardeerd kon worden. Ze noemt Benjamin geen historicus, niet een theoloog, noch een vertaler, en ook geen dichter of filosoof. Wat ze wel in hem ziet is een flaneur, een verwoed verzamelaar en parelduiker, een figuur die in staat is schatten te vinden (of wat hij vindt daartoe te verheffen?) waar anderen slechts puin en afval zien.

‘Hannah Arendt zag in Benjamin een flaneur’

De Amerikaanse essayist Susan Sontag legt in haar tekst (oorspronkelijk verschenen in The New York Review of Books, 1972) de nadruk op Benjamins melancholie, een voorspelde karaktertrek omdat hij ter wereld kwam onder het teken van Saturnus. Dat is relevant, want ‘Benjamin projecteerde zichzelf, zijn temperament, in al zijn belangrijke onderwerpen, en zijn temperament bepaalde waarover hij wilde schrijven’. Volgens Sontag mag men ‘het leven niet gebruiken om het werk te inter­preteren, maar men mag het werk wel gebruiken om het leven te interpreteren’. In haar beduidend kortere essay focust ze op Benjamins strategie om herinnering en geschiedenis ruimtelijk voor te stellen – in taferelen, plattegronden en stadswandelingen.

Het is fascinerend om te zien hoe deze filosofen zich Benjamins werk eigen maken. Arendt ziet overeenkomsten met Heidegger – een van de grote invloeden op haar eigen denken, maar niet echt een voorbeeld voor Benjamin. Sontag schrijft: ‘Juist omdat hij inzag dat “alle menselijke kennis de vorm van interpretatie aanneemt”, begreep hij dat het belangrijk is om tegen interpretatie te zijn, telkens wanneer ze zich als vanzelfsprekend aandient.’ Dat is een stelling die zo uit haar eigen beroemde essay Against Interpretation had kunnen komen. Deze twee teksten maken nogmaals duidelijk dat het werk van Benjamin onuitputtelijk is, en vormen een mooie introductie op en eerbetoon aan een schrijver die het essay en de literatuurkritiek als allesbehalve secundaire genres zag.

Walter Benjamin. In het teken van Saturnus
Hannah Arendt en Susan Sontag, inleiding en vertaling door Dirk De Schutter en Remi Peeters | Octavo publicaties | 160 blz. | € 21,50