Opeens dacht ik terug aan een klasgenoot van de middelbare school, een boerenzoon, en de opmerking die hij maakte over de nieuwe tractor van zijn ouders. Da’s mooi speelgoed. Geestig – dat contrast tussen een landbouwmachine en een knikker. Maar ik vraag me ineens af of er geen kern van waarheid in zat.
Het is eigenlijk vreemd dat we speelgoed maken. Om te spelen is het niet nodig: een kind maakt van een platte steen moeiteloos een vliegtuig, en een deegroller werkt prima als ridderzwaard. Je trekt een rondslingerend voorwerp uit zijn verband, de functie wordt onbelangrijk, en je vraagt: hoe maak ik hier plezier mee?
Aan hoe die klasgenoot kon praten over het besturen van tractors, was duidelijk te horen dat hij ervan genoot. Dat hij iets nuttigs deed, was bijzaak. Maar vanaf je tienerjaren hangt er een zweem van schaamte over spel: je vraagt elkaar niet meer om na school te komen spelen, dat is kinderachtig.
Dus als (jong)volwassene moet je smoesjes gaan vinden. Een van de beste is nuttige arbeid. Maar het was natuurlijk gewoon mooi speelgoed, die nieuwe machine: leuk om mee te spelen. Dat je intussen enorme aantallen aardappelen rooide – mooi meegenomen.

