Home De dood Leven is leren sterven
De dood

Leven is leren sterven

Door Bas Nabers op 18 mei 2016

Leven is leren sterven
Cover van 06-2016
06-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

Hoe kunnen we leren leven met onze vergankelijkheid? Bas Nabers over de schoonheid van het leven als kortstondig avontuur – en over troost en veerkracht.

 
Who wants to live forever? klinkt het in een beroemde song van Queen. Inderdaad, zolang we gezond blijven zouden we misschien ietsje langer willen leven dan we mogen verwachten. Maar voor altijd? Als je geen tijd meer kunt verspelen, omdat je toch oneindig de tijd hebt, dan komt het er niet op aan wat je nú doet. Keuzes verliezen hun urgentie, het moment zijn intensiteit. Pas wie beseft dat het eigen bestaan eindig is, kan het zien als een eenmalig avontuur en stelt zich open voor de verrassende schoonheid van een zinrijk ogenblik.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Toch blijft vergankelijkheid een uiterst dubbelzinnig thema. Hetzelfde tijdsbesef dat ons openstelt voor het moment herinnert aan een pijnlijke kwetsbaarheid. De tijd verstrijkt en dwingt tot afscheid: voorwerpen vergaan; onze dood is onontkoombaar; en, bovenal, we verliezen dierbare anderen. De vraag is dan ook hoe we het bestaan koesteren zónder de angel uit de vergankelijkheid te halen. Waarin ligt een rijke en troostrijke omgang met de tijd? Inderdaad, wat zijn, in een overwegend seculiere samenleving, eigenlijk onze bronnen van troost? 
 
Die vragen brengen ons in verlegenheid. Vanzelfsprekende antwoorden hebben we niet. De christelijke leer en rituelen hebben voor veel mensen hun bindende en troostende kracht verloren. Dat is niet het enige. Voordat ze überhaupt zijn gesteld worden de genoemde vragen vaak al overstemd: door verwoede pogingen de tijd te bezweren en in een vals en opgerekt heden thuis te blijven. In de anti-aging-industrie draait men overuren. Van de wetenschap verwachten we, optimistisch genoeg, ook nog een medicijn tegen (naderende) ouderdom. Met een ironisch gevolg trouwens: we remmen de aftakeling en krijgen des te langer de tijd om datgene aan den lijve te ondervinden wat we maar moeilijk aanvaarden. 
 
Menselijke vrijheid, lijkt soms de gedachte, ligt in zeggenschap óver de tijd. In werkelijkheid ligt die in een eigen, zinvolle omgang mét de tijd, en dus ook in een (troost)rijke omgang met de oncontroleerbare, slijtende en tragische kanten van ons bestaan. In dit essay probeer ik daarom troost en veerkracht, tragiek en dankbaarheid, samen te denken. Omwille van een tragisch optimisme dat, gezien onze menselijke conditie, nu eenmaal het enige optimisme is dat iets om het lijf heeft. 
 

Gifbeker

‘Filosofie is leren sterven’, zei Socrates, die zonder smart de gifbeker dronk toen hij daartoe werd veroordeeld. Een van de voornaamste pogingen de vergankelijkheid te aanvaarden, in westerse én oosterse tradities, zoekt het in de onthechting. Socrates’ woorden werden bijvoorbeeld het adagium van de stoïcijnse filosofie. Daarin geldt een innerlijke onverstoorbaarheid tegenover onvermijdelijke gebeurtenissen als hoogste geluk. De dood biedt daarvoor de uitgelezen test. 
 
Wat blijft fascineren aan de stoïcijnse levensvisie is de gedachte dat ons innerlijke antwoord op het onvermijdelijke altijd nog een mogelijkheid biedt tot geluk en menselijk slagen. Maar volledige onverstoorbaarheid is voor ons te hoog gegrepen, zoals veel stoïcijnen zelf ook wel wisten. Belangrijker wellicht: de onthechting die daarvoor nodig is biedt slechts een pyrrusoverwinning op de dood. Stoïcijnse onverstoorbaarheid wapent tegen verlies ten koste van de binding met wat ons dierbaar is. Dat kan volgens mij niet de weg zijn. Maar is er niet een vorm van onthechting – of beter misschien: een loslaten – die kan samengaan met een volle deelname áán het leven?
 

Stoïcijn

Michel de Montaigne, die na de dood van zijn broer, vader, kind en boezemvriend zich aanvankelijk oefende in stoïcijnse onverstoorbaarheid, onderzoekt later een andere mogelijkheid. ‘Wanneer we niet hebben leren leven’, schrijft hij, ‘is het verkeerd om te leren hoe we moeten sterven.’ Waar het hem er eerst om ging door onthechting niets (meer) te verliezen, probeert hij later goed te ontvangen wat het leven hem aan schoonheid brengt. Daardoor is hij tot verzoening en aanvaarding in staat; pijn en verlies verdwijnen dan niet, maar worden draaglijker. Want wie het ogenblik koestert, kan dood en leven, afscheid en dankbaarheid, als twee kanten van een pijnlijk schitterende medaille zien. 
 
Dat is de weg van een tragisch optimisme. Ik wil daar niet te makkelijk over doen: de prangende vraag blijft hoe je het leven inderdaad (dankbaar?!) ontvangt wanneer jou daarin iets wezenlijks wordt ontnomen. Welke bronnen van troost geven ons dan de veerkracht te zeggen: het leven is tóch goed, het is misschien verschrikkelijk, maar ook verschrikkelijk mooi? Volgens mij zijn dat er in elk geval drie: dierbare anderen die ons in onze situatie erkennen; de natuur, die ons juist onverstoord negeert; en kunst, die beide tegelijk lijkt te doen.
 

René Gude

Veerkracht betekent dat je een tegenslag als uitdaging ervaart, ook als daardoor iets van fundamentele waarde wordt bedreigd. Maar veerkracht is óók het vermogen om, als dat dierbare is weggenomen, de situatie te aanvaarden en de eigen, ingeperkte vrijheid opnieuw te koesteren. René Gude zei dat hij het des te meer leerde waarderen zijn tuintje in te lopen toen hij weinig anders meer kon. Ook de herinnering kan zo’n herontdekte mogelijkheid zijn. In een cultuur waarin de eigen verantwoordelijkheid en het belang van succes worden opgeblazen, wordt díé veerkracht al snel onderschat. 
 
Wie zich getroost weet, ontdekt dat in een pijnlijk onvolmaakte wereld ook krachten huizen die ons dragen en lichter maken. Die troost vinden we soms bij elkaar. Wie door verlies wordt getroffen, door pijn en unheimliche vragen, wordt overspoeld, voelt zich alleen, van zichzelf en de wereld afgesneden. Maar voel je je daarin door een ander mens gehoord en gekend, dan krijgt de eigen pijn een plek en hervind je het contact met jezelf; terwijl we ons eerder afgesneden voelden, blijken we op zo’n moment nog tot een zinrijke ontmoeting in staat. We zijn weer even thuis in de wereld – ondanks die wereld zelf.
 
Iemand moet dan wel goed troost bieden. Gedeelde momenten van stilte zeggen soms meer dan woorden; je kunt iemand op vele manieren aanraken. In het algemeen moet je een ander in zijn kwetsbaarheid erkennen zónder diens veerkracht tekort te doen (anders voelt die ander zich als zielig behandeld). De ander zelf moet bereid zijn troost te ontvangen door zich kwetsbaar te tonen, zónder precies te voorzien wat daarbij aan het licht komt en welke mogelijkheden zich zullen openen. Volgens de Duitse dichter Rainer Maria Rilke is het de kunst om verwarrende en pijnlijke vragen allereerst te aanvaarden, ‘als kamers die gesloten zijn of als boeken in een volslagen vreemde taal’. Probeer eerst je vragen als vragen te leven, raadde hij een vriend aan. ‘Misschien zul je dan geleidelijk, zonder het op te merken, jezelf ooit op een dag in het antwoord terugvinden.’ 
 

Onverschillig

Met andere woorden: als het lukt te rusten in de eigen vragen en kwetsbaarheid, kun je opnieuw ontvangen wat de tijd brengt. Anderen kunnen ons daarbij helpen door ons in onze pijn, vragen en situatie te erkennen. Sommige dingen bieden, paradoxaal genoeg, troost door ons juist te negeren. ‘We are saved in the end by the things that ignore us’, schrijft een Britse auteur die werd geraakt door het imposante berggebied in Nepal. ‘Their presence awakens silence in us; they refresh our courage.’ 
 
Bergen vormen een onverschillig landschap dat onverbiddelijk zwijgt. Metgezellen in een huiveringwekkende stilte. Wanneer een troostende stem uit de hemel die stilte zou doorbreken, zou dit slechts beschamend zijn. De natuur is te ontzagwekkend om zich onze eisen te laten opdringen en naar onze zorgen te luisteren. Om dat te ervaren hoef je natuurlijk niet de wildernis in. Je kunt ook in je eigen achtertuin overnachten, zoals ikzelf na een pijnlijk afscheid uitprobeerde. Eenzame geluiden, zwijgende silhouetten in de nacht, de wind door de bomen, sterren in een immense verte – al die dingen blijven volkomen onaangetast door ons verdriet. De natuur trekt zich niets van onze zorgen aan, de dingen zijn er niet omwille van ons. 
 
Toch kunnen we juist daarin troost, verstilling, rust vinden. Als dat lukt, dan verdwijnt de pijn niet, maar wordt die draaglijker; we leren afscheid nemen en aanvaarden. We transcenderen als het ware ons eigen perspectief om er des te voller in terug te keren. Want als de natuur te ontzagwekkend is om zich onze eisen te laten opdringen, dan hoeven we uit ónze pijn niet meer te concluderen dat de wereld niet deugt. Omgekeerd worden we voor een ontmoeting met de wereld opengebroken, waarin we ook onszelf opnieuw ontdekken: we blijken deelgenoot van een realiteit die soms verschrikkelijk is, maar ook verschrikkelijk mooi. Voor de verlossing die we dan ervaren hebben we geen hiernamaals nodig: die ligt in de eeuwigheid van een ogenblik.
 

Openbreken

Anderen bieden soms troost door ons te erkennen. De natuur door ons te negeren en onverstoord te omgeven. Kunst heeft ten slotte iets van beide: zij erkent ons in onze menselijke situatie, maar rust onbewogen in zichzelf. Kunst breekt soms iets in ons open, boort vragen en ervaringen aan waar we nauwelijks woorden voor hebben. Tegelijk maakt ze dan op schitterende wijze erkenbaar wat daar wordt aangeraakt. Zoals bij elke intense ontmoeting, telt dan het ogenblik.
 
Kunst confronteert, raakt, verzoent, opent ons opnieuw voor het eigen leven. Te midden van ons drukke, hectische bestaan schept ze soms ruimte(s) voor verstilling en vreugde, troost en veerkracht. Zo is onlangs een tentoonstelling hedendaagse kunst geopend, Once in a Lifetime, in de Oude Kerk te Amsterdam. Het motto daarvan zou zowel op een ontmoeting met kunst als op het leven als zodanig kunnen slaan: ‘Het gaat om het moment, het besef dat hier een broze schoonheid ontstaat die eenmalig, kwetsbaar en onherhaalbaar is’. 
 
Net als dierbare anderen en dingen die ons negeren, vormt kunst dus een bron van troost die ons niet zielig maakt, maar juist onze veerkracht en levenslust aanboort. Zulke bronnen laten ons opnieuw het ogenblik koesteren; ze helpen ons om verlies en dankbaarheid als twee kanten van een schitterend pijnlijke medaille te zien. Wellicht kunnen we dan op den duur, zoals Nietzsche ons aanraadt, van het leven afscheid nemen zoals Odysseus van Nausikaä afscheid nam: meer zegenend dan verliefd.