Home Rechtvaardigheid Klassieker Kant: hoe beslis je hoe je moet handelen?
Rechtvaardigheid

Klassieker Kant: hoe beslis je hoe je moet handelen?

Door Jabik Veenbaas en Willem Visser op 13 oktober 2025

filosoof Immanuel Kant auteur van Metafysica van de zeden
Filosofie Magazine 10 waar begint een begin
10-2025 Filosofie Magazine Lees het magazine
In zijn klassieker Metafysica van de zeden pleit filosoof Immanuel Kant voor de plicht: luisteren naar de innerlijke wetten van de rede.

Het lijkt haast onmogelijk om onze krachtige gevoelsmatige impulsen te beteugelen met iets wat boven de wereld van het gevoel en de ervaring uitgaat. Toch stelt Immanuel Kant in Metafysica van de zeden dat onze zedelijkheid nooit op gevoelens kan worden gebaseerd. Hij trekt ten strijde tegen de aristotelische deugdleer, waarin juist het menselijk streven naar geluk, naar eudaimonia, als uitgangspunt werd genomen. Kant beargumenteert nog maar eens, zoals hij ook in de eerste twee Kritieken en de Fundering voor een metafysica van de zeden heeft gedaan, dat de mens alleen zedelijk kan handelen door uit te gaan van zijn innerlijke wet, de categorische imperatief, die hem opdraagt om de wereld van ervaring en gevoel te weerstaan: ‘Handel alleen volgens dat maxime waardoor je tegelijk kunt willen dat het een algemene wet wordt.’

Wil je dit artikel verder lezen?

Sluit een abonnement af op Filosofie Magazine voor slechts 4,99 per maand en krijg toegang tot dit artikel én de duizenden andere diepgaande filosofische artikelen. Luister nu ook alle nieuwe artikelen als audio.
Word abonnee en lees verder > Al abonnee? Log dan in en lees (of luister) verder.

Jabik Veenbaas is dichter, schrijver en vertaler. Hij vertaalt literaire en filosofische werken vanuit het Engels, Duits, Frans en Fries. Daarnaast schreef hij onder meer De essentie van Kant (2022) en Meer dan mooie woorden. De moderne roman als levensgids (2025). Samen met Willem Visser ontving hij in 2010 de Filter-vertaalprijs voor hun vertaling van Kritiek van het oordeelsvermogen van Immanuel Kant.

Willem Visser is vertaler van filosofisch werk, waaronder Fenomenologie van de geest van Georg Wilhelm Friedrich Hegel en verschillende boeken van Hannah Arendt, Mary Wollstonecraft en Adam Smith. Met Jabik Veenbaas vormt hij een vast vertaalduo voor de werken van Immanuel Kant. Zo vertaalden ze Kants drie Kritieken en diens Prolegomena.

Bij de deugdleer gaat het om plichten die tegelijk doelen zijn, stelt Kant. Plichten die tegelijk doelen zijn, bestaan volgens hem in de ontwikkeling van de eigen morele volmaaktheid van de mens en in de bevordering van het geluk van anderen. Kant vat de bevordering van de eigen morele volmaaktheid van de mens op als de plicht om zich aan de ruwe natuur te ontworstelen en zijn humaniteit, zijn zedelijkheid, te bevorderen en zijn wil zo veel mogelijk te cultiveren, dat wil zeggen die zo zedelijk mogelijk te maken.

Zoals gezegd ziet Kant het niet als onze plicht om ons eigen geluk te bevorderen. Ons ware geluk bestaat alleen als afgeleide van onze duurzame zedelijke gezindheid, van onze rechtschapenheid. Maar het is wel onze plicht om het geluk van anderen te bevorderen voor zover dat met de moraliteit verenigbaar is.

We kunnen niet verplicht worden om lief te hebben

Kant maakt duidelijk dat hij de mens ziet als het hoofddoel van zijn ethiek. Daarbij maakt hij gretig gebruik van zijn tweede formulering van de categorische imperatief uit de Fundering van de metafysica van de zeden: ‘Handel zo dat je het mens-zijn, zowel in je eigen persoon als in de persoon van ieder ander, altijd tegelijk als doel, nooit louter als middel gebruikt.’ De eerste formulering van de categorische imperatief had een volstrekt formeel karakter, de tweede bevat morele inhoud, morele ‘materie’, zoals Kant het noemt. Onze deugdplichten dienen gericht te zijn op het mens-zijn – de humaniteit – van de mens, dat wil zeggen op zijn zedelijke autonomie. Dat mens-zijn stelt de mens dus niet alleen in staat om zedelijk te handelen, maar vormt tegelijk het doel van zijn zedelijk handelen.

Ieder mens beschikt over een zedelijk vermogen, en dus ook over moreel gevoel en een geweten. Als we spreken over ‘gewetenloosheid’, dan hebben we het eigenlijk niet over een gebrek aan geweten, maar over de menselijke neiging om zich niet aan het oordeel van zijn geweten te onderwerpen. Het is daarom onzinnig om te spreken over de plicht om gewetensvol te zijn. Het gaat erom dat we naar de nooit afwezige stem van ons geweten moeten luisteren.

Kant maakt bezwaar tegen het gebod van de naastenliefde zoals we dat kennen uit Mattheus 22:39: ‘Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.’ Liefhebben is een zaak van het gevoel, niet van de zedelijke gezindheid, en kan dus niet als plicht worden opgelegd. We hebben de plicht om onze naaste wel te doen en daarbij kan dat weldoen een bestendige neiging tot verdere weldadigheid in ons voortbrengen.

Dit is een bewerkt fragment uit het ‘Ten geleide’ van vertalers Jabik Veenbaas en Willem Vissers bij Metafysica van de zeden van Immanuel Kant, dat op 25 november 2025 verschijnt bij Boom.

Metafysica van de zeden
Immanuel Kant
vert. Jabik Veenbaas en Willem Visser

Boom
304 blz.
€ 34,90

Loginmenu afsluiten