Op zondagavond 29 maart 2026 overleed Jan Vorstenbosch. Vorstenbosch (1952-2026) was geen modieuze meester-denker met grootse perspectieven of heilsboodschappen, maar dacht van onderop, zich inlevend in uiteenlopende terreinen van het leven en maatschappelijke praktijken. In die zoektocht was hij geïnspireerd door filosofen als Alasdair MacIntyre en Michael Walzer, die de gemeenschap centraal zetten in hun denken. Op zijn eigen manier zette Vorstenbosch ook de lijn van de existentiële fenomenologie door, die in de jaren vijftig en zestig tot de ‘Utrechtse School’ leidde. Daarin wordt de mens bekeken vanuit zijn verhouding tot de wereld waarin hij leeft.
Het meest systematisch en diepgravend werkte Vorstenbosch zijn benadering uit in zijn boek Zorg. Een filosofische analyse (2005). Hij wil daarin de relaties tussen verschillende vormen van zorg opsporen. In de lijn van filosoof Martin Heidegger en met verwijzingen naar de taalfilosofie zoekt hij naar de fundamentele betekenis van zorg. Tegelijkertijd legt hij uit dat deze op verschillende levensdomeinen een eigen gestalte en kleur krijgt. Zorg heeft vaak het welzijn van anderen op het oog, maar het kan ook gaan om zelfzorg en zorgvuldigheid. Hij werd tot deze speurtocht aangezet door zijn ervaringen als vrijwilliger met psychiatrische patiënten en demente ouderen.
Los en geestig
Het best was Vorstenbosch als hij los en geestig schreef. Zijn columns voor Filosofie Magazine bundelde hij in 2000 in het kleine boek Twaalf huishoudelijke apparaten. Daarin is de huishoudelijke praktijk het vertrekpunt, en worden de stofzuiger, de koelkast, de inductiekookplaat en de citruspers scherp en humoristisch getypeerd. Het is huiselijke Wesensschau (onderzoek naar het wezen van de dingen) van de bovenste plank. Er werden duizenden exemplaren van verkocht.
Nog mooier vond ik als voormalig voetballer zijn boek Voetbalgek. Bespiegelingen van een filosoof (2010). Jan was zelf een getalenteerde vleugelspits, een elegante dribbelaar. Zijn boek gaat niet over het topvoetbal. De focus wordt verlegd naar het rommelige voetballen op straat, op pleinen en hobbelige veldjes. Hier wordt het cliché ‘voetbal is oorlog’ ontmaskerd. Natuurlijk blijft voetbal om strijd gaan. Toch is dit oer-voetbal doorgaans een bron van vreugde en vrede. Als er onenigheid is, moeten de straatvoetballers zelf eruit zien te komen, zonder inmenging van anderen. Ik kan me niet herinneren dat in al die honderden wedstrijdjes die ik speelde ooit geknokt werd. Ook bij een nederlaag konden we af en toe genieten van de schoonheid van het spel.
De filosofie van het voetbal
Doellijntechnologie
In het dagelijks leven was Jan Vorstenbosch een betrokken docent, toegewijd, vaardig en aardig. Tot 1990 werkte hij aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, waar hij ook promoveerde. Daarna aan de Universiteit Utrecht, waar hij zich toelegde op de toegepaste ethiek. Maar hij bleef ook lesgeven over de Duitse en Franse filosofie.
Vorstenbosch was lid van dierexperimentencommissies en publiceerde over dierethiek en andere bio-ethische kwesties. Een rode draad in zijn denken was de interpretatie wat de oprukkende technologie met ons en met onze leefwereld doet. Nieuwe uitvindingen kunnen ons bestaan verlichten en vergemakkelijken, maar tegelijkertijd het wezen van een maatschappelijke praktijk uithollen. Zo richtte Vorstenbosch zich (helaas vergeefs) tegen de introductie van doellijntechnologie en de VAR, de videoscheidsrechter, in het voetbal. Het systeem van meten, weten en ongeremde statistiek zou het authentieke spelplezier en het accepteren van onzekerheid ondergraven. Tegenwoordig wordt in het topvoetbal inderdaad alles becijferd en kan een dataman zoals Sven Mislintat topclub Ajax grote schade toebrengen.
Even tussendoor …
Zelfgemaakte liedjes
Jan Vorstenbosch pendelde heen en weer tussen de academische filosofie en de publieksfilosofie. Hij trad vaak op in filosofische cafés en op bruiloften en partijen speelde hij gitaar en zong zelfgemaakte liedjes. De laatste jaren maakte hij ook naam als vertaler en als inleider bij teksten. Zo vertaalde hij het boeiende boek over leiderschap en rechtvaardigheid Het Ajax-dilemma (2017) van de Amerikaan Paul Woodruff. Veel tijd besteedde Vorstenbosch ook aan het vertalen en toegankelijk maken van boeken van fenomenologen als Helmuth Plessner (1892-1985), de Duitse filosoof die in Groningen werkte, en Otto Friedrich Bollnow (1903-1991).
Bovenal was Jan een nabije en trouwe vriend. Hij leed aan heftige stemmingswisselingen en was twee keer lang uitgeschakeld. Hij kwam uit een eenvoudig Tilburgs nest, ‘van onderop’, en daardoor nam hij veel waar wat anderen over het hoofd zagen. Ooit kon hij buitengewoon hoogleraar worden, maar durfde dat uit ‘sociale hoogtevrees’ niet aan. Voor mij was hij een onvergetelijke, geleerde en toch lichtvoetige kameraad.
Pieter Ippel (1953) is emeritus hoogleraar rechtsgeleerdheid, filosofie en ethiek aan University College Roosevelt in Middelburg en de Universiteit Utrecht. Hij leerde Jan Vorstenbosch in 1991 kennen bij het Utrechtse Centrum voor Bio-ethiek en Gezondheidsrecht en dat bleek ‘vriendschap op het eerste gezicht’.

