Home Het kwaad Michael Walzer: ‘We zijn medeplichtig aan het kwaad in de wereld’
Het kwaad

Michael Walzer: ‘We zijn medeplichtig aan het kwaad in de wereld’

Door Sebastien Valkenberg op 19 mei 2008

05-2008 Filosofie magazine Lees het magazine

Het komt erop aan de wereld te veranderen, vindt de Amerikaanse denker Michael Walzer. Hij spoort zijn lezers aan om hun verantwoordelijkheid te nemen, ook voor zaken die ver van hun bed zijn.

Zijn leven is nauwelijks veranderd sinds hij met pensioen is gegaan. Tot vorig jaar was Michael Walzer als hoogleraar verbonden aan het prestigieuze Institute of Advanced Studies in Princeton. ‘Pensionering betekent voor mij niet zo veel. Ik houd een kantoor en een deeltijdsecretaresse. Ik ga er elke dag naar toe zoals voorheen, en werk aan dezelfde projecten.’ Bovendien is hij nog redacteur van Dissent, een invloedrijk links opinieblad waarin hij in de jaren vijftig zijn eerste stukken publiceerde. Na een korte stilte: ‘Ik ben iets meer ontspannen en ben meer aan het reizen.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


Hij verwierf publieke bekendheid met Just and Unjust Wars (1983), dat in het post-nine eleven-tijdperk een renaissance beleeft. Het boek was destijds een antwoord op de vragen die de Vietnamoorlog opwierp. Wanneer en onder welke omstandigheden is een oorlog gerechtvaardigd? Tijdens de oorlog had de protestgeneratie geen tijd gehad om daar diepgravend over na te denken. ‘We filosoferen gewoonlijk niet in tijden van crisis. Oorlog brengt een tijdsdruk met zich mee, die niet te rijmen valt met filosofie als een ernstige onderneming. De filosoof is iemand die in alle rust nadenkt over voorbije ervaringen (of over andermans voorbije ervaringen), over de politieke en morele keuzes die reeds gemaakt zijn.’

Walzer is kort in Nederland voor de uitreiking van de Internationale Spinozalens. Deze prijs wordt om het jaar uitgereikt aan een ‘internationaal vermaard denker over ethiek en samenleving’. Het juryrapport noemt Walzer ‘een van de belangrijkste politieke denkers van onze tijd’, en roemt zijn veelzijdigheid. Hij is niet het type denker dat zich een carrière lang aan een thema wijdt. Rechtvaardigheid, oorlog, verantwoordelijkheid, tolerantie en het jodendom: er is nauwelijks een onderwerp waarover hij zich níet heeft uitgelaten – in boeken, artikelen en tijdens lezingen. Opvallend is dat Walzer niet alleen nadenkt over deze thema’s, hij is zelf actief geëngageerd en roept zijn publiek op om dat ook te zijn.

U houdt een pleidooi voor mondiale verantwoordelijkheid. Wat betekent dat voor u? Wat is het verschil met schuld?
‘We zijn niet wettelijk aansprakelijk voor mondiale armoede en ongelijkheid. Wij hebben daar immers niet direct voor gezorgd, terwijl ik bijvoorbeeld wel direct verantwoordelijk ben voor de gevolgen als ik deze tafel omver duw. Ik ben immers niet de Minister van Landbouw die beleidsvoorstellen doet. Geen rechter kan me dan ook naar de gevangenis sturen als ik niet genoeg bijdraag aan ngo‘s [non-gouvernementele organisaties, SV] die proberen de armoede te bestrijden. Desondanks zijn we politiek of moreel verantwoordelijk als we de begunstigden zijn van handelingen die anderen schaden, zeker als die worden begaan door instanties waarover we inspraak hebben, bijvoorbeeld als klanten van een bank of als burgers van een land. Als de Verenigde Staten een handelsbeleid voeren dat leidt tot een verarming van derdewereldlanden, dan draag ik een bepaald soort verantwoordelijkheid – zelfs als ik niet voor de zittende regering heb gestemd. Ik zou me moeten aansluiten bij een politieke campagne om het handelsbeleid te veranderen of ngo’s moeten steunen.’

Mensen neigen ernaar hun eigen rol te relativeren, zeker als het gaat om zulke grote rampen als een tsunami of een humanitaire ramp als in Darfur. Moet ik uw positie begrijpen als een poging om de individuele verantwoordelijkheid in ere te herstellen?
‘Ik wil dat mensen nadenken over hun medeplichtigheid aan de overduidelijke kwaden in onze wereld, ook al is dat een medeplichtigheid op afstand. Ik pleit niet alleen voor individuele verantwoordelijkheid, maar ook voor politiek engagement. Politiek betrokken zijn betekent niet louter het lidmaatschap van een politieke partij of een beweging, maar ook een ngo steunen of lid worden van een organisatie als Amnesty International. Dus ja, lid worden of steunen van een politieke beweging is een individuele daad, maar om effect te sorteren moeten meer mensen hun krachten bundelen.’

U zegt dat getuige zijn van het lijden van anderen ons verplicht hen te helpen. Dankzij televisie en internet is het haast onmogelijk van het mondiale lijden weg te kijken. Slaat verantwoordelijkheid niet gemakkelijk door in het gevoel dat we net als Atlas de hele wereld op onze schouders moeten nemen?
Walzer knikt instemmend: ‘Inderdaad, het lijden kan je hele leven overnemen. Vanzelfsprekend hebben we recht op een eigen leven, los van welke politieke betrokkenheid dan ook. Ik denk dat de moderne communicatietechnologieën ons gevoel voor verantwoordelijkheid hebben vergroot. Zo maakten de dagelijkse beelden van de oorlog in Vietnam, een van mijn vroegste politieke ervaringen, oppositie tegen de oorlog een stuk makkelijker. Ze stimuleerden het gevoel dat daar iets mis was. Maar politieke theorie of filosofie kan je niet vertellen hoeveel van je tijd, energie en geld zou moeten worden besteed aan het beëindigen van mondiale armoede. Als je geen publieke gezagsdrager met directe verantwoordelijkheid bent, maken de politieke verplichtingen een relatief klein deel uit van je leven. Maar als genoeg van ons inzien dat ons kleine aandeel noodzakelijk is, zullen we enige invloed hebben.’

Volgens de Franse filosoof Alain Finkielkraut dwingt de dominantie van het beeld een oppervlakkig type hulp af, gericht op acute leniging van de nood, waarna we onze belangstelling voor de slachtoffers weer verliezen. We zijn vaak zo druk bezig met voedsel in hun monden te stoppen, dat we nauwelijks luisteren naar wat er uit hun monden komt.
‘We moeten voorkomen dat we hen steeds opnieuw moeten helpen. Zorg dat ze in een situatie komen, waarin ze toekomstig lijden kunnen vermijden. We willen hen helpen, opdat zij zichzelf kunnen helpen. Die inspanning zou centraal moeten staan in elke politieke betrokkenheid. Het is zeker waar dat beelden van ondervoeding in Afrika of van de effecten van de tsunami in Zuidoost-Azië leiden tot een eerste reactie: we moeten voedsel en medische voorraden naar die mensen krijgen! Dat is de reactie die de media uitlokken – en dat is volmaakt legitiem. Het is alleen niet het hele verhaal.’

Wat is volgens u de grootste bedreiging van onze verantwoordelijkheid?
‘Dat is apathie. De gewone menselijk onwil om moeilijkheden onder ogen te zien, en de medeplichtigheid te ontkennen aan een complexe keten van verantwoordelijkheid. Mensen hebben andere zaken aan hun hoofd. Ze zijn betrokken bij hun buren, maar niet bij de verre anderen. Maar als ik mensen probeer te overtuigen om mee te doen aan een campagne tegen mondiale armoede, doe ik dat niet door de manier waarop ze leven te veroordelen. Ik wil een gevoel van verbondenheid met de wereld bij hen losmaken. Ik wil hun eenvoudigste en meest gemeenschappelijke emoties aanspreken. Daarom heb ik het zo nadrukkelijk over empathie met andere menselijke wezens en over het principe van wederzijdse hulp, dat we allemaal in een zekere mate accepteren.’

Hoe zit het met onze verantwoordelijkheid jegens mensen uit het verleden en voor mensen in de toekomst?
‘Ik heb altijd sympathiek gestaan tegenover het idee dat onze samenleving berust op een contract tussen de levenden, de doden en zij die nog geboren moeten worden. We hebben verplichtingen jegens onze voorouders die ons dit land in deze toestand hebben nagelaten. We hebben de verantwoordelijkheid om het goede te bewaren, waarvoor zij hebben gewerkt. Voor toekomstige generaties hebben we de verantwoordelijkheid om ze iets te door te geven dat net zo goed is – of beter. Ook al weten we de namen nog niet van degenen voor wie we verantwoordelijk zijn.’

Als leden van een democratie zijn we medeverantwoordelijk voor onze regering en haar daden. In de ogen van terroristen maakt dat burgers tot legitieme doelen. Hoe beoordeelt u deze redenering?
‘Ik geloof niet dat Amerikanen die vóór George Bush hebben gestemd daardoor strijders zijn geworden in een onrechtvaardige oorlog in Irak. Daar bestaan verschillende redenen voor. Misschien hebben we voor deze regering gestemd omdat haar economische beleid ons aanstaat of omdat onze ouders altijd op de regeringspartij hebben gestemd. We kunnen critici van binnenuit zijn, die zo hopen de partij te veranderen. Bommen kunnen geen onderscheid maken tussen hen die voor de regering hebben gestemd en hen die tegen hebben gestemd. Ze kunnen ook de mensen die verkeerd hebben gestemd niet onderscheiden van hun kinderen, die onschuldig zijn. Tenzij burgers materieel betrokken zijn bij de oorlog, bijvoorbeeld door tanks te bouwen, moeten ze uitgesloten zijn van aanvallen. Elk beleid van indiscriminate killing schendt wat voor mij de enige echte grens is die we kunnen opleggen aan oorlogsvoering en politieke conflicten.’

Dus de overtuiging van de terrorist dat burgers nooit onschuldig zijn is onwaar.
‘Ja, omdat terrorisme zich niet richt tegen mensen vanwege hun daden, maar vanwege wie ze zijn. Het heeft een genocidaal aspect omdat het zegt: jullie zijn allemaal kwetsbaar. Dat is iets wat we moeten ontkennen. Identiteit maakt ons niet aansprakelijk.’

Sinds de oorlog tegen het terrorisme geldt u in de eerste plaats weer als de auteur van Just and Unjust Wars. Wat vindt u daarvan?
‘Ik kan niet ontsnappen aan de realiteit van de oorlog. Verschillende keren heb ik gedacht dat ik aan andere thema’s kon werken. Daarom was ik blij dat de jury van de Spinozaprijs mij vroeg te spreken over mondiale en lokale rechtvaardigheid – en niet weer over rechtvaardige en onrechtvaardige oorlogen. Ik denk niet graag op die manier over mezelf. But I am in the business of giving grades to wars.’

Uw hele carrière heeft u zich beziggehouden met het thema rechtvaardigheid. Als u terugblikt op deze periode van bijna een halve eeuw, vindt u dat de wereld in die periode een rechtvaardiger oord is geworden?
‘Ik ben opgegroeid tijdens de Tweede Wereldoorlog. De twintigste eeuw was een van de ergste in de menselijke geschiedenis, waarin massamoorden gepleegd werden op een schaal die we niet voor mogelijk hielden. We zeiden “Nooit meer!” Maar ze hebben opnieuw plaatsgevonden: in Cambodja, in Rwanda, en momenteel in Darfur. Dus ik kan niet zeggen dat de wereld veel beter is geworden. De totstandkoming van de Europese Unie, het succes van bewegingen als de Black Civil Rights Movement in Amerika hebben een deel van de wereld beter gemaakt. Maar de rest van de wereld is geen prettig oord op dit moment. Dus ik ben geen believer of progress in my lifetime. De inspanning na de Tweede Wereldoorlog om de Verenigde Naties te creëren, die de aard van wereldpolitiek zouden veranderen, moet tot dusver als een mislukking worden beschouwd. Op dit moment lijkt er geen gemakkelijke uitweg uit deze impasse. Er zijn positieve tekenen, zoals de totstandkoming van het Internationale Strafhof, de ontwikkeling van een internationale burgerlijke samenleving, de proliferatie van organisaties als Human Rights Watch, Amnesty International en Artsen zonder Grenzen.’

Als de huidige internationale situatie ter sprake komt, neemt het aantal stiltes in het gesprek toe. Walzers betrokkenheid bij het thema is duidelijk merkbaar. Hij gaat niet te werk als de nuchtere wetenschapper die afstand tot zijn studieobject betracht. Dat gold toen hij Just and Unjust Wars schreef als reactie op de Vietnamoorlog – en dat is nog steeds het geval. Natuurlijk is het van belang de wereld te bestuderen. Maar tijdens de rede waarmee hij de Spinozalens in ontvangst neemt, sluit hij zich aan bij ‘een negentiende-eeuwse denker’, die zei dat het er uiteindelijk op aan komt de wereld te veranderen. Walzer noemt hem niet bij naam maar doelt natuurlijk op Karl Marx.
Maar in tegenstelling tot de grondlegger van het communisme richt hij zijn pijlen niet in de eerste plaats op politieke en economische structuren. ‘Natuurlijk ben ik kritisch over het systeem. Maar ik wil vooral kritisch blijven naar personen die er aan deelnemen – en ze zonodig veroordelen. Want zonder mensen is er geen systeem.’