Home De filosofie van het voetbal

De filosofie van het voetbal

Door Maarten Meester op 22 juni 2010

De filosofie van het voetbal
Cover van 06-2010
06-2010 Filosofie magazine Lees het magazine

De liefde voor het voetbal wordt van vader op zoon overgedragen, vertelt voetbalgek, hobbyvoetballer en filosoof Jan Vorstenbosch. Een gesprek over voetbalgekte, de bal en de voet.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Dankzij jouw boek begrijp ik eindelijk waarom mijn man van voetbal houdt’, zeggen vrouwen geregeld tegen Jan Vorstenbosch. Maar die vrouwen zelf van voetbal laten houden, dat kan de filosoof niet. Zoals hij zijn eigen liefde voor ‘dit spelletje met zijn rare uitwassen – de te grote ego’s, de intimiderende doodschoppen, de hooligans, de skyboxen, de omkoopschandalen’ soms ook moeilijk te verklaren vindt. In zijn boek Voetbalgek probeert de Utrechtse filosoof eerst op twee manieren tot zelfinzicht te komen: heideggeriaans en freudiaans.

Het heideggeriaanse antwoord richt zich vooral op de vader. ‘Je vader houdt van voetballen en neemt je mee als je nog heel jong bent. Doet-ie ook eens wat met de kinderen.’ Jan Vorstenbosch kwam niet als een onbeschreven sportblad ter wereld en koos niet later als autonoom subject voor het voetbal, na een uitgebreid vergelijkend warenonderzoek. Nee, de kleine Jan werd via zijn vader in de wereld van het voetbal geworpen. Voor het kind uit een eenvoudig arbeidersgezin dat Vorstenbosch was, hoorde die sport bij de wereld waarin hij kon uitgroeien tot wie hij nu is.

Het freudiaanse antwoord komt – uiteraard – bij de moeder uit. De bal was het gekoesterde overgangsobject, dat de scheiding van de moeder moest compenseren – net als een knuffelbeest. ‘Het zou wel veel verklaren van wat we in het voetbal zien’, schrijft Vorstenbosch. ‘Zowel het kinderlijke plezier als de kinderachtigheden. Misschien ook het feit dat we in het topvoetbal zo weinig over moeders horen en zo weinig moeders zien in de stadions.’ Tijdens het interview noemt hij zijn eigen woorden ‘een riskante uitspraak’, want ‘er gaan steeds meer vrouwen voetballen en je ziet ook steeds vaker vrouwen in de stadions. Toch lijkt mij dat dit antwoord nog steeds staat, want zij vormen nog altijd een minderheid. Voor mij gaat het in elk geval op. Mijn moeder was vaak afwezig in de periode waarin ik mijn liefde voor de bal ontwikkelde.’

De voet

Voor Vorstenbosch ‘gaat het in elk geval op’. Maar hoe valt de voetbalgekte van die miljoenen in Nederland en die honderden miljoenen wereldwijd te verklaren? ‘Ja, tijdens radio-interviews hoor ik steeds: “U kunt verklaren waarom voetbal zo populair is.” Wat ik zou moeten zeggen – maar daar krijg je de kans niet voor op de radio – is dat ik wel verklaringen kan blijven geven; in elk hoofdstuk zit wel een argument. Zo verklaar ik in het hoofdstuk over de voet die populariteit uit het feit dat het om een atypische bezigheid gaat. Maar laat ik eerst dit zeggen: als filosoof wil ik mensen graag anders naar de wereld laten kijken dan zij gewend zijn. Wij zijn geneigd te denken: de wereld is zoals die is. Ik denk echter dat we de wereld op een technologische en eenzijdige manier benaderen, en dat we onze hersenen en handen te centraal stellen. Kijk maar naar jongeren die uren per dag spelletjes spelen achter de computer – in feite zegeviert Descartes daar, die geest en materie radicaal scheidde en de geest het primaat gaf. Van de lichaamsdelen staan de handen dan het hoogst in aanzien, in onze alledaagse omgang benaderen we de wereld daarmee. We spreken niet voor niets van een “handeling”. De voeten daarentegen zijn het verst verwijderd van het brein. We veronachtzamen ze in het alledaagse leven, hoewel ze de basis vormen: we staan op onze voeten.’

Het opvallende nu is dat het voetballen een wereld creëert waarin de voet centraal staat, stelt Vorstenbosch. ‘Het schakelt de handen uit die in het dagelijks leven de hoofdrol spelen. Goed, je hebt meer activiteiten waarin de voet centraal staat: voetschilderen, bepaalde circusacts, voetjevrijen. Maar het wedstrijdelement van het voetbal voegt daar nog iets essentieels aan toe: de druk van de tegenstander. Tijdens een wedstrijd moet ik met mijn hele lichaam alert zijn. Alles begint te bewegen in een relatief kleine ruimte. De speler moet ongelooflijk veel tegelijkertijd doen.’

‘Uiterst interessant voor een filosoof: die intensivering van ruimte en tijd tijdens een wedstrijd. Je ziet wat wij “praktijken” noemen: complexe gehelen van handelingen die alleen in een speciaal verband zin hebben. Het voetbal is een speciale praktijk, niet alleen zoals gezegd doordat de voet centraal staat, maar bijvoorbeeld ook door de bal. Vergelijk voetballen maar met de honderd meter. Die is letterlijk lineair: de sprinter rent honderd meter in een rechte lijn. De praktijk van het voetbal is veel weerbarstiger; zo kan de bal alle kanten op schieten. We zien dat terug in het taalgebruik: “een moeilijke bal”, “een hoge bal”. Dat gaat uiteraard niet over de bal zelf; het object blijft gelijk. Je krijgt een waaier van betekenissen doordat de bal in het spel wordt ingebracht. De voetbalwedstrijd leert ons een relatie aan te gaan met iets wat ons vreemd is en zijn eigen kenmerken en wetten heeft, in omstandigheden en situaties die steeds veranderen. Dat lijkt mij een wijze les.’