Home Immanuel Kant: De avontuurlijke thuisblijver

Immanuel Kant: De avontuurlijke thuisblijver

Volgens Immanuel Kant kunnen wij niets zeker weten, omdat we altijd worden beperkt door onze eigen waarneming. Maar dat is geen reden tot wanhoop. Door al onze indrukken van de wereld naast elkaar te leggen, komen we toch een heel eind.

Door René Gude op 30 januari 2014

Immanuel Kant: De avontuurlijke thuisblijver beeld Moker Ontwerp
Cover van 02-2014
02-2014 Filosofie magazine Lees het magazine

Immanuel Kant is in zijn hele leven niet verder dan 24 kilometer buiten Koningsbergen geweest. Voor dit merkwaardige feit zijn verschillende redenen aangevoerd. ‘Hij hield niet van reizen’, zegt een gemakzuchtige biograaf. ‘Hij was aanvankelijk te arm en daarna niet gezond genoeg om te reizen’, zegt een meer diepgravende collega. De meest speculatieve biograaf beweert in alle ernst dat Kant, juist door thuis te blijven, in aanraking kwam met andere volken en vreemde gebruiken: ‘De Pruisische Hanzestad Koningsbergen – het huidige Kaliningrad – ligt in een gebied waar de landsgrenzen zo snel wijzigden dat een achttiende-eeuwer die veel culturen wilde leren kennen juist buitengewoon honkvast moest zijn. Als Kant een zuivere, onbezoedelde edel-Pruis had willen blijven, zou hij hotsebotsend in een koetsje achter zijn vaderland aan hebben moeten reizen. Hij bleef echter hardnekkig op zijn plaats en heeft op die manier vele jaren in het buitenland gewoond. In Pruisen dus, maar ook in Polen en het Rusland van Catharina de Grote. Via de Russen kwam hij in aanraking met de sfeer van Parijse salons en bals, en niets heeft hem ervan weerhouden zich daar vol in te storten. Er zijn ook verrukkelijke roddels over dronkenschappen en onkuise betrekkingen met jonge dames. Kant was bepaald niet onbereisd.’

Juist door op zijn plek te blijven kon Kant rustig al die ervaringen tot een pragmatisch wereldbeeld organiseren, waarin een mens theoretisch weet wat wat is en praktisch weet wat hem te doen staat. Dat is net wat voor ons, Nederlanders in een globaliserende wereld. Globalisering is niets anders dan dat je de godganse dag in tekst, beeld en geluid geconfronteerd wordt met ervaring die je níét zelf hebt opgedaan.

Mislukte plant

De filosofie van Kant is niet moeilijk; wij stellen moeilijke vragen. Het klinkt onschuldig om een praatje te maken over de weersverwachting of in december met het hele gezin de volgende zomervakantie te plannen. Iedereen speculeert er vrolijk op los, en reken maar dat alle woorden die vuilgemaakt worden aan het weer en de vakantieplannen consequenties hebben. Als het idee ‘Portugal’ niet als vakantiebestemming geopperd wordt, dan komt die vakantie er nooit en is de kans nihil dat de hele familie tussen de voorjaarsbloemen in de Algarve gizado zit te eten.

De overtuiging dat kennis, ideetjes, plannen en vuilgemaakte woorden vooraf kunnen gaan aan fysiek gedrag en andere materiële gebeurtenissen is zo diep verankerd dat 7 miljard mensen dagelijks elke gelegenheid te baat nemen om te kletsen, te becommentariëren, aan te bevelen, afspraken te maken, beloften te doen, lessen voor de toekomst te trekken in e-mails, per mobiele telefoon, in vergaderkamers en ridderzalen, in de huiselijke beslotenheid of in het openbaar. Het is helemaal niet overdreven om over ‘kennissamenleving’ en ‘kenniseconomie’ te spreken. Kennis heeft consequenties: zij beïnvloedt ons gedrag in hoge mate.

Al dat overleg van ons, al dat gepraat, dat evidente vertrouwen in de bruikbaarheid van voorspellingen en de betrouwbaarheid van afspraken, al dat gepraat, dat is ‘de rede’. Zo hebben we allemaal twee perspectieven op de wereld. Het eerste perspectief is het individuele resultaat van ieders directe omgang met de dingen waar hij zich tussendoor beweegt, zinlijk, levendig en direct. Het tweede perspectief ontstaat als je met z’n allen de dingen namen begint te geven, zodat je er met elkaar ook over kunt kletsen als ze in de andere kamer liggen, als ze niet meer bestaan of als ze nog gemaakt moeten worden. Als je daar handig in bent, kun je zelfs over dingen praten die er nooit geweest zijn en ook nooit zullen zijn.

Dat gezelschapsspel heet dus ‘de rede’ en is de glorie en misère van de mensheid. Het heeft ons losgemaakt uit ons biologische repertoire, dat alleen bedoeld is om rechtstreeks met de spullen om te gaan. We zijn behoeftebevrediging gaan uitstellen en in de gewonnen tijd alternatieve manieren gaan bedenken om die behoeften te bevredigen. Dat heeft ons de snelkookpan, een seksuele moraal en de ICE opgeleverd, maar ook veel vergissingen, misverstanden, misleidingen, gepieker en getob op weg daarnaartoe.

De mens gaat, door al zijn geredeneer, zelden recht op zijn doel af volgens een jeugdige Kant in een wel heel sombere bui: Als je met enige distantie naar de mens op deze wereld kijkt, dan zie je een belachelijke figuur met een betreurenswaardig lot. Dit wezen lijkt geschapen te zijn om als een plant vocht op te nemen, te groeien, zijn geslacht voort te zetten, oud te worden en te sterven, maar omdat hij zich bewust is van zijn groei, zijn geslacht, zijn veroudering en zijn dood gaat hem die cyclus veel moeizamer af dan echte planten, die het doel van hun bestaan trefzekerder en met meer waardigheid bereiken.’

Wij zijn gezegend met een ‘theoretische rede’, waarmee we de dingen kunnen benoemen en ons verschrikkelijk kunnen vergissen. We hebben een ‘praktische rede’, waarmee we kunnen aankondigen wat er moet gebeuren en onszelf en anderen ongelofelijk kunnen misleiden. En als we ons dan eens niet vergissen en we misleiden elkaar niet, dan is er altijd nog het good old misverstand dat ons ongewild in totale verlegenheid kan brengen. Zo makkelijk is het ook weer niet je rede goed te gebruiken.

In 1755, op 31-jarige leeftijd, verloor Kant bijna de moed. Hij betwijfelde of het mogelijk was in overleg (met de rede) gezamenlijk een helder idee van onze situatie te krijgen (theoretisch) en een goed plan van aanpak voor mogelijke verbeteringen (praktisch) te maken. ‘Bedrijvige stupiditeit is het karakter van de menselijke soort’, schrijft hij. ‘Wij zijn geneigd om snel het goede spoor op te pakken, maar dat vervolgens niet vast te houden om toch vooral niet aan één enkel doel gebonden te zijn. Domweg voor de afwisseling gooien wij halverwege ons plan van aanpak volledig om. Wij bouwen om af te kunnen breken en wat het ontwikkelde deel van de mensen “leven” noemt is een wonderlijk weefsel van langdradig tijdverdrijf, aanvallen van ijdelheid en een hele zwerm onnozele verstrooiingen.’

Onverzoenlijk

Maar gelukkig heeft Kant de handdoek niet in de ring gegooid. Dertien jaar later schrijft hij zelfbewust: ‘Je moet in praktische en theoretische kennis niet te snel iets voor onbewijsbaar houden.’ En nog eens dertien jaar later (1781) publiceert Kant de Kritiek van de zuivere rede, waarin hij het verschil uiteenzet tussen het theoretische en praktische gebruik van de rede. Met de theoretische rede doe je niet meer dan bepalen (bestimmen) hoe de dingen gaan zonder dat wij ons ermee bemoeien. Kennis van de oerknal is theoretisch: we hebben enig idee van de oerknal, maar we hebben hem zelf niet bewerkstelligd, om de eenvoudige reden dat we er nog niet waren

Met de praktische rede kun je ideeën opwerpen die niet verwijzen naar iets dat er al is, maar die juist bedoeld zijn om te verwerkelijken. Het idee ‘rechtvaardigheid’, bijvoorbeeld, is niet iets dat je in zuivere vorm zomaar aantreft in de werkelijkheid, maar dat juist met grote inspanning verwerkelijkt moet worden. Die inspanning is het gebruik van de praktische rede. ‘Goed onderwijs’ of ‘gelijke kansen voor iedereen’ worden door de theoretische rede niet in de natuur waargenomen, maar worden door de praktische rede verwerkelijkt.

Wat is het verschil tussen theoretisch en praktisch? Je iets realiseren of iets realiseren, dat is de kwestie. Voor Kant heeft het gebruik van de praktische rede primaat en is de theoretische rede – waartoe hij alle wetenschappen rekent – daaraan dienstbaar. Waarom zou je willen weten hoe de wereld in elkaar zit als je met die kennis niet iets nuttigs, moois of aardigs zou gaan doen? Het woord ‘pragmatisme’ is door C.S. Peirce ontleend aan de Kritiek van de zuivere rede.

Zoals gezegd: de filosofie van Kant is niet moeilijk. Stap één is je te realiseren wat een idee is: ‘Een idee is de mentale voorstelling van iets aardigs dat in de ervaring nog niet is aan te treffen.’ Vervolgens zorg je ervoor dat je idee niet misleidend is, vrij van vergissingen en misverstanden, en dat de club mensen die zin hebben het idee te verwerkelijken een hartverwarmende overeenstemming bereikt. Dan ga je aan de slag tot de klus geklaard is. Dit is echt een eenvoudig schema, maar omdat we willen begrijpen hoe iets gaat (theoretisch) én we met die kennis iets willen doen (praktisch), maken we ons het leven moeilijker dan de hierboven genoemde planten, die goed geworteld en waardig vegeteren in pot, perk of de vrije natuur. Omdat we zo nodig ervaring uit het verleden ten nutte willen maken in de toekomst, moeten we tegelijk empirist en rationalist zijn. De empirist kijkt hoe de dingen tot nu toe gegaan zijn en de rationalist zegt hoe de dingen vanaf nu zullen of moeten gaan.

Maar empiristen en rationalisten lijken altijd onverzoenlijk tegenover elkaar te staan. Empiristen zijn beter dan wie ook in staat te beschrijven hoe de wereld nu in elkaar zit, maar ze hebben grote moeite met voorspellingen: de toekomst doet zich aan de zintuigen nog niet voor. Rationalisten kunnen mooie ideeën over de toekomst lanceren – het idee ‘rechtvaardige samenleving’ bijvoorbeeld –, maar ze hebben weer grote moeite om die ideeën aan het heden vast te maken. Daarvoor is toch echt empirie nodig. Je zou kunnen zeggen dat puur empirisme handig is voor natuurwetenschappers die geen voorspellingen willen doen, en dat puur rationalisme heel geschikt is voor maatschappijverbeteraars die zich aan de huidige stand van zaken niets gelegen laten liggen.

Dit probleem heeft Kant te grazen genomen in de Kritiek van de zuivere rede. We willen aan de ene kant dat onze kennis echt slaat op de wereld en dat we dus van empirie gebruik kunnen maken, want als we niet door de wereld geïnformeerd worden over wat er aan de hand is, waar zijn we dan mee bezig? Maar tegelijkertijd moet die kennis van de wereld wel zo zijn opgebouwd dat we er behoorlijk zeker van kunnen zijn dat datgene wat we vandaag weten morgen ook zal gelden, en overmorgen ook. We willen over het weer van morgen praten en vakanties plannen. We willen dat er a priori het een en ander vastgesteld kan worden, van tevoren, voor iedereen geldend in alle gevallen.

Kennis is nooit absoluut

Fasten your seatbelts. Kant wijst erop dat als wij ons als een onbeschreven blad laten beschrijven door signalen die de wereld op ons af stuurt, onze kennis altijd a posteriori zal zijn: achteraf. De wereld is er eerst en wij lopen achter de feiten aan. Dan kunnen we alleen maar in een strandstoel wachten tot we door de wereld geïnstrueerd worden en moeten we ons geen illusies maken over a-priori -inzichten. Maar als je het nou omdraait? Stel dat wij de wereld waarin we ons dagelijks bewegen helemaal niet kunnen kennen zoals die is, maar alleen maar voor zover wij er met onze uiterst beperkte kenvermogens een beeld van vormen? De wereld geeft dan geen heldere signalen aan ons waarnemingsvermogen over hoe ze eruitziet, maar omgekeerd: ons waarnemingsvermogen met al zijn beperkingen bepaalt hoe de wereld er voor ons uitziet. De vraag is vervolgens: zijn we dan niet overgeleverd aan de beelden die we van de wereld maken en worden we niet hopeloos in verlegenheid gebracht als we de wereld zouden willen beschrijven zoals die is? Je ziet tenslotte altijd maar een deel van de wereld, en dat deel is wat de wereld is voor jou op dat ogenblik.

Door ieders indrukken naast die van anderen te leggen – in noeste wetenschappelijke arbeid of tijdens een familieberaad, bijvoorbeeld – kunnen we ons een beeld vormen van wat de wereld voor ons is. We kunnen ervoor zorgen dat die gezamenlijke kennis adequaat genoeg is om ons in de overigens onbekende wereld staande te houden. Onze kennis wordt nooit absoluut geldig, omdat ze altijd relatief blijft aan ons waarnemingsvermogen (empirie) en ons vermogen tot overleg (rationaliteit). De echt grote stappen die Kant vervolgens zette waren:

  1. Denk niet dat onze beperkte kennis zo inadequaat is. Die heeft ons niet belet de meest succesvolle diersoort op aarde te worden.
  2. Bedenk dat volgens deze benadering de kenvermogens voorafgaan aan de kennis van de wereld. Je wordt eerst geboren en dan begin je kennis te verzamelen. Jouw kenvermogens en die van alle andere mensen zijn a priori.

Kant stelde vervolgens voor te vergeten dat je met je beperkte kenvermogens de wereld zou kunnen kennen zoals die is en te onderzoeken hoe jouw kenvermogens werken. Als je weet dat de wereld-voor-zover-die-voor-jou-betekenis-heeft een gevolg is van jouw vermogen tot beeldvorming, dan houd je onmiddellijk op naïef ‘de wereld’ te leren kennen en leg je je toe op het ambacht van beeldvorming. Dat bedoelt Kant met Kritiek van de zuivere rede: ‘kritiek’ betekent grensstelling, evaluatie van onze rede, het vermogen om gezamenlijke beelden te vormen van hoe de zaken ervoor staan en waar we heen willen. Wie wetenschap wil bedrijven en vakanties wil plannen doet er goed aan a priori een onderzoekje naar de werking van onze kennis in te stellen. Alles wat we van de wereld denken te weten is ervan afhankelijk.

Om met Polly van Leer, een groot mecenas van filosofie en wetenschap, te spreken: ‘Voor we ons echt kunnen concentreren op ons denken, moeten we onszelf bevrijden van de misvatting dat “denken over denken” een overbodige luxe is. We moeten ons realiseren dat ons denken de onzichtbare basis is waarop de samenleving berust, en dat de manier waarop we nu denken bepaalt wat er morgen gebeurt.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.