Home ‘Ik hoorde een ietwat onplezierige stem naar mij vragen’

‘Ik hoorde een ietwat onplezierige stem naar mij vragen’

Door Thijs Lijster en Jan Sietsma, Thijs Lijster en Jan Sietsma op 19 maart 2013

01-2004 Filosofie magazine Lees het magazine
In een badhuis in Karlsbad ontmoette Schelling en Hegel elkaar in 1829. Ze hadden elkaar zeventien jaar niet meer gezien. Volgens Hegel waren ze de ‘hartsvrienden van weleer’, maar Schelling vond hem vooral zeer opdringerig.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Waar jeugdvriendschap zich volgens Georg Hegel nog kenmerkt door een gedeelde zienswijze en onderneming, moet een man in het latere leven onafhankelijk zijn eigen weg kunnen gaan. Dat zo’n ontworsteling zelden zonder slag of stoot gaat, blijkt wel uit zijn eigen verhouding tot zijn jeugdvriend Schelling.
In 1790 wordt Friedrich Wilhelm Joseph Schelling op vijftienjarige leeftijd toegelaten tot de Tübinger Stift. Omdat hij een echt wonderkind is, dat op zijn achtste al Grieks en Latijn kon lezen, staat men hem toe, ondanks de leeftijdsgrens, zijn studie aan deze vijfjarige predikantenopleiding te beginnen. Schelling krijgt een kamer toegewezen in het studentenverblijf van de universiteit. Zijn kamergenoten zijn de vijf jaar oudere Georg Wilhelm Friedrich Hegel en Friedrich Hölderlin, die twee jaar eerder aan de opleiding begonnen waren. Tussen de drie ontstaat een hechte vriendschap, die zich centreert rond een interesse voor de Griekse cultuur, maar vooral voor de filosofie van Kant, Spinoza en Rousseau. De vriendschap wordt minder intensief wanneer Hegel en Hölderlin in 1793 hun opleiding afronden. Beiden betrekken een positie als huisleraar.Schelling vertrekt kort na zijn afstuderen in 1795 naar Jena om te gaan studeren bij Fichte, die hij twee jaar eerder ontmoet had. Hij breidt zijn reeds imposante oeuvre van diepgravende filosofische artikelen uit met de publicatie van Ideen zur Philosophie der Natur, dat ook de aandacht trekt van Goethe. Op diens aanbeveling krijgt Schelling op drieëntwintigjarige leeftijd een post als bijzonder hoogleraar aan de universiteit van Jena. In 1800 bereikt Schellings populariteit een voorlopig hoogtepunt met het verschijnen van het System des Transzendentalen Idealismus.

In november van datzelfde jaar ontvangt Schelling een brief van Hegel. Het contact tussen beiden was sinds een aantal jaren volledig stil komen te liggen. Terwijl Schelling binnen vijf jaar uitgroeide tot een van de belangrijkste filosofen van zijn tijd, kwam Hegels intellectuele carrière amper van de grond. In zijn brief laat Hegel Schelling weten wat zijn ambities zijn. Hij zoekt een plek om zich aan zijn studie te wijden; een stad met ‘goedkope voorzieningen, een goed glas bier ten gunste van [de] gezondheid en een paar connecties.’ Waar Hegel (in het geheim) op gehoopt had, komt uit: Schelling vraagt Hegel naar Jena te komen. Deze arriveert in januari 1801 in Jena, dat zich in voorgaande jaren al kon verheugen in de aanwezigheid van onder andere Schiller, Fichte, de gebroeders Schlegel en Novalis.


Al snel wordt Hegel voor Schellings natuurfilosofische karretje gespannen. Het gezamenlijk oprichten van het Kritische Journal der Philosophie betekent in feite het propageren en uitbreiden van het schellingiaanse systeem, waarbij Schelling Hegel geen ruimte biedt diens eigen ideeën uiteen te zetten. Hegel was naar Schellings inzicht immers overgeleverd aan zijn gunst. Naast deze onderhuidse onenigheid brengt ook het persoonlijke leven van Schelling spanning in de vriendschap teweeg. Schelling was in 1803 getrouwd met Caroline Michaelis, ex-vrouw van August Schlegel. Zij had de interesse gewekt van menig Duits intellectueel, waarbij de meningen nogal eens uiteen liepen. Terwijl Goethe van haar was gecharmeerd, refereerde Schiller naar haar met ‘Dame Lucifer’. Ook Hegel liet zich in brieven aan anderen altijd negatief uit over Schellings vrouw. Hij zou echter weinig last meer van haar hebben, omdat Schelling en Caroline in 1803 naar Würzburg vertrekken, waar Schelling tot gewoon hoogleraar was benoemd.

Nu Hegel is ontslagen van zijn plichten als sloofje van Schelling – het Journal werd met Schellings vertrek opgeheven – heeft hij de gelegenheid om zijn eigen ideeën uit te werken. Dit resulteert uiteindelijk in de publicatie van de Phänomenologie des Geistes in 1807. Het verschijnen van dit werk markeert de definitieve filosofische breuk tussen Hegel en Schelling. Bij Hegel ligt het primaat bij het principe van rationaliteit, door hem de Absolute Geest genoemd, dat zich veruitwendigt in de natuur en tot zichzelf terugkeert in de menselijke geest. Dit is een kritiek op Schellings systeem, waarin natuur en geest met elkaar in evenwicht zijn en als het ware identiek aan elkaar zijn. Schelling kan volgens Hegel geen principe aanwijzen volgens welke natuur en geest van elkaar verschillen. Zonder hem overigens bij naam te noemen, rekent Hegel met Schelling af wanneer hij schrijft, dat diens leer is als ‘de nacht waarin alle koeien zwart zijn’ en dat zo’n denkwijze ‘typisch is voor een totaal gebrek aan kennis’. Met de Phänomenologie zet Hegel de eerste schreden in het wijsgerige Pantheon. Met de jaren groeit zijn leer in populariteit en na de drie delen van de Wissenschaft der Logik wordt hij eerst te Heidelberg en in 1818 te Berlijn tot hoogleraar benoemd.

Schelling kan Hegels groeiende populariteit moeilijk verdragen. Ondanks Hegels vernietigende kritiek is Schelling van mening dat Hegels filosofie voor het grootste deel op de zijne geënt is. Dit, maar vooral de dood van zijn vrouw in 1809, maakt dat de eens zo positieve en productieve denker zwaarmoedig wordt. Tot zijn dood publiceert hij, naast Philosophische Untersuchungen über das Wesen der menschlichen Freiheit, dat  indirect verwijst naar dit lijden, amper nog iets.

‘Stel je eens voor, gisteren zat ik in een badhuis en ik hoorde een ietwat onplezierige, half-bekende stem naar mij vragen.’, schrijft Schelling in 1829 aan zijn tweede vrouw Pauline Gotter, ‘Vervolgens maakte de vreemdeling zich bekend. Het was Hegel uit Berlijn.’ Enkele dagen daarvoor was Hegel gearriveerd in het kuuroord te Karlsbad, waar tot zijn grote verbazing ook Schelling verbleef. Deze had hij na een kort bezoek van Schelling in 1812 zeventien jaar niet meer gezien. De twee maakten een wandeling, lazen beiden de krant in een koffiehuis en brachten ’s avonds nog enkele uren converserend door. Om met het verleden in het reine te komen, was Hegel er alles aan gelegen om dit treffen als een ware hereniging te beschouwen. Met veel enthousiasme bericht Hegel zijn vrouw over zijn weerzien met Schelling; in zijn ogen waren ze de ‘hartsvrienden van weleer’. Blijkens de eerder genoemde brief van Schelling aan zijn vrouw moet er van Hegels kant sprake zijn van een geïdealiseerde beschrijving. Volgens Schelling was Hegel ‘zeer opdringerig, ongewoon vriendelijk, alsof er niks tussen [hen] in stond.’ De daadwerkelijke hereniging zou postuum plaatsvinden.

Enkele jaren na de dood van zijn vader in 1831 vertrekt Immanuel Hegel naar München om te studeren. Zijn colleges filosofie volgt hij bij Schelling, met wie hij ondanks diens expliciete bezwaren tegen het systeem van de oude Hegel, op goede voet komt te staan. Op Schellings zestigste verjaardag in 1835 behoort Immanuel tot de feestgangers.

Dit is de tweede aflevering van een serie over ontmoetingen van grote denkers