Home ‘Ik ben pas vrij in het gelaat van de Ander’

‘Ik ben pas vrij in het gelaat van de Ander’

Door Coen Simon op 05 maart 2013

02-2003 Filosofie magazine Lees het magazine
Hoeveel kun je beschrijven met één welgemikte uitspraak? Een meditatieve serie over beroemde mantra’s in de westerse filosofie. Deze keer: Emmanuel Levinas. Over de naakte hulpeloosheid van de Ander bij de achtste herdruk van Het menselijk gelaat. Plus: waarom de  kwetsbaarheid van het gelaat door de chador verloren gaat.
 
‘Als je blind was, zou je waarschijnlijk niet eens verliefd zijn geworden. Maar zou je werkelijk de geliefde willen zien in de kille helderheid van het gezichtsorgaan?’

In de internationale bestseller In ongenade van J.M. Coetzee durft literatuurwetenschapper David Lurie zijn geliefde in elk geval niet recht in de ogen te kijken. Lurie doceert ‘Dichters uit de Romantiek’ voor een handjevol studenten aan de universiteit van Kaapstad. Als hij alleen nog maar een oogje heeft op het donkere meisje uit George (‘in het oude Kafferaria’), heeft zijn onbeholpen gestuntel nog iets innemends, maar wanneer Lurie de stille studente tot tweemaal  toe bruusk overhaalt  met hem te vrijen,  worden zijn dubbelzinnige colleges wel erg ongemakkelijk. ‘Het kan meer in je belang zijn om de aanblik te versluieren’, spreekt hij voor zijn studenten, ‘haar daarmee  levend  te houden in haar archetypische, godinachtige vorm.’ Hij negeert de afwerende signalen van het meisje, omdat, volgens hem, ‘de schoonheid van een vrouw niet van haar alleen is.’ De universiteit denkt anders over zijn avontuurtje met ‘het mooiste der natuur’. Een harteloos ontslag volgt.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Geweld

Lurie kende ‘de kille helderheid van het gezichtsorgaan’, maar erkende haar zogezegd niet. Voor de Franse denker Emmanuel Levinas is precies dát, het ontwijken van de blik van de medemens, het begin van alle geweld. In het essay Vrijheid en gebod uit 1969 schrijft hij: ‘gewelddadigheid en tirannie worden gekenmerkt door het feit dat ze datgene wat ze behandelen, niet in de ogen zien; of om het nauwkeuriger te zeggen: door het feit dat ze er helemaal geen gezicht aan ontdekken’. En even later concludeert hij: ‘Ik ben pas vrij in het gelaat van de Ander’.
 
Geweld, Levinas kan er na vijf jaar krijgsgevangenschap over meepraten. De Litouwse jood, die voor een studie filosofie in Frankrijk terechtkomt, en al vrij snel Frans staatsburger is, wordt al aan het begin van de oorlog in een Duits werkkamp gevangengezet. Door zijn Franse uniform blijft hij in leven, maar vrijwel zijn hele familie ontkomt niet aan het, zoals hij het noemt, ‘Hitleriaanse geweld’.

Aan de fysieke beperking van vrijheid in krijgsgevangenschap gaat dus, volgens Levinas, een fundamentele vorm van geweld vooraf : het ontwijken van de blik van de ander, de ontkenning van het gelaat. Hoewel cynisch genoeg de nazi’s juist gebruik maakten van ‘joodse’ gelaatstrekken voor de door hun uitgevoerde genocide,  is het  ‘zien’, het ‘gezicht’ van de slachtoffers van de holocaust structureel genegeerd. 

Levinas staat in de fenomenologische traditie van Husserl en Heidegger (Met de joodse familie Husserl raakte hij bevriend, Heidegger daarentegen vergaf hij nooit zijn flirt met het nationaal-socialisme.) Als Levinas vanuit deze traditie schrijft over ‘gelaat’ (la face)  of ‘gezicht’ (le visage), dan gaat het meer over ‘zien’ dan over ‘iets zien’. ‘Het gelaat onttrekt zich aan de fenomenologie’, verklaart Theo de Boer,  emeritus hoogleraar  systematische wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. ‘Het gelaat toont, net als de naakte gestalte,  de menselijke kwetsbaarheid. Maar áls gelaat, is het gelaat niet zichtbaar. Het is geen fenomeen, maar een gebod dat door de onmiddellijke kwetsbaarheid tot mededogen oproept – en een gebod bevindt zich aan gene zijde van het zijn.’
 

Het gelaat is zogezegd, het meest sprekende deel van de menselijke gestalte en bovendien dat deel dat vrijwel altijd helemaal onbedekt is. De mens kan heel sterk worden aangesproken door dit ‘gezicht’. Het gelaat is een onmiddellijk appèl, een oproep tot vrijheid. En dat is wat anders dan wat Levinas ook wel ‘wilde vrijheid’ noemt, die meer lijkt op een ongeleid projectiel – wel vrij, maar waartoe? ‘Lastige vrijheid’, noemt Levinas het soms ook: een gebod tot verantwoordelijk handelen. Je wordt aangesproken op je zelfstandigheid. ‘Het appèl komt niet zomaar uit de lucht vallen’, benadrukt De Boer, ‘dat is een hardnekkig misverstand. Het appèl komt van een concrete ander, een kwetsbare ander. Dat is het onderscheid dat Levinas maakt tussen een ander en de Ander (met een hoofdletter). Die met de hoofdletter doet een beroep op mij.’
 

Artsen zonder grenzen

In onze omgang met de medemens en zelfs in al onze pogingen om het goede te doen, kunnen we ons nooit losmaken van een wereldbeeld dat bepaalde levenswijzen ook buitensluit. Hierdoor ontstaan hoe dan ook groepen mensen die moeten leven in de marge van het maatschappelijke systeem. Het is gemakkelijk hen te zien als – bijvoorbeeld – zwervers. En vaak zelfs is deze gemarginaliseerde ander aan uiterlijke kenmerken en gelaatsuitdrukkingen in één oogopslag waar te nemen – de daklozenkrant maakt dat wel heel gemakkelijk.

Maar deze kenmerken zorgen er nog niet voor dat we worden aangesproken op onze verantwoordelijkheid. Dat gebeurt maar zelden,  en dan nog niet door een Afrikaans kindje op een Novibkalender,  of een vieze baard van de dakloze. Het ‘gezicht’ van de Ander wordt plotseling ervaren. We worden door deze blik overrompeld. De Boer: ‘De naakte hulpeloosheid van het gelaat doet een onmiddellijk beroep op mij, waardoor ik het systeem dat die “Ander” buitensluit ter discussie stel. Dat dit niet ieder willekeurig ander is, benadrukt Levinas door ook vaak te spreken van de “vreemdeling, weduwe en wees”.’

Het appèl  dat het ‘sprekende gezicht’ doet, is weliswaar zonder inhoud, toch duidt het ergens op, meent Levinas, namelijk op het onbegrijpelijk bestaan van het oneindige. Het hulpeloze gelaat van mijn medemens haalt me uit mijn zelfgenoegzaamheid. Ook als ik mijn uiterste best heb gedaan om alle mogelijke kritische vragen te beantwoorden die ik me over mijn levenswijze  kan stellen, en ik mijn uiterste best doe om ethisch te handelen, dan nog blijft er telkens de mogelijkheid open voor de ander om mij in alle hulpeloosheid te blijven vragen: waarom?

‘Dat is paradoxaal bij Levinas’, merkt De Boer op, ‘hoe meer je aan de hoge eisen van de ethiek voldoet hoe meer je ziet dat je tekortschiet. Dat is de kern van zijn begrip van oneindigheid. Het heeft weinig met de oneindigheid van het heelal te maken. Hij draait het zelfs om: voordat je besef hebt  van de oneindigheid van het heelal, moet je al het besef van de oneindige plicht hebben. Het is nooit goed.’
 

Ook al spreekt het gelaat met een overrompelende onmiddellijkheid niet elke hulpbehoevende blik hoeft te worden beantwoord. De Boer: ‘Aan zo’n eis kan niemand voldoen, dat weet Levinas ook wel. Er zijn zoveel mensen die een beroep op je doen. Je kan niet lid worden van én Pax Christie én Amnesty International én Artsen zonder grenzen en ga zo maar door. Je moet dus wel je verstand gebruiken.’ In je handelen kun je je wel laten leiden door de hulpeloze blik van het gelaat, maar alleen aangesproken worden is niet genoeg. Je wordt aangesproken op een ‘lastige vrijheid’, je  moet dus wel blijven denken. Gelukkig valt deze verantwoordelijkheid redelijkerwijs te delen. ‘Iedere naaste heeft immers weer een naaste, zegt Levinas. Er is altijd een derde in het spel.’
 

Hond

Dat het kwetsbare gelaat ons onmiddellijk kan aanspreken op ons gevoel van mededogen, roept de vraag op in hoeverre deze treffende blik ook kan komen van de niet-sprekende wezens onder ons: de dieren.
De Boer: ‘Of een dier een gelaat heeft, is een vraag die vaak aan Levinas is gesteld. Veel heeft hij hier niet over gezegd, maar  in Difficile liberté schrijft hij over het hondje  Bobby,  dat elke dag meeliep als hij en de andere krijgsgevangenen het kamp uit marcheerden. Aan het eind van de dag liep het ook weer mee terug, “vrolijk blaffend, zoals een geliefde hond past”. Levinas noemde het de laatst overgebleven kantiaan in Nazi-Duitsland, refererend aan de ethiek van de bekendste Duitse Verlichtingsfilosoof.’ Maar toen het erbarmen van het hondje werd opgemerkt, werd het doodgeschoten. Dat  ook een hond niet geraakt mocht worden door de deerniswekkende blik van de gevangenen, verraadt zelfs bij deze meedogenloze kampopzichters een intuïtief gevoelde verwantschap die de mens met het dier kan hebben.  Een ‘gedeelde verantwoordelijkheid’ tussen mens en dier.
 
Ironisch is het juist de hond die de in ongenade gevallen professor Lurie aanspreekt op de lastige vrijheid waartoe de mens  is veroordeeld. Verbannen van de universiteit zoekt hij zijn uitvlucht op het platteland bij zijn dochter. Hij biedt een helpende hand in een asiel dat gedwongen is het onstuitbare overschot aan honden te ‘lösen’. Hij doet dat aanvankelijk om zich niet te vervelen, maar onverwacht wordt Lurie getroffen door het lot van de verstoten soort (in Zuid-Afrika zijn honden geen huisdieren, maar in het beste geval waakhonden): ‘Hoe vaker hij helpt met het afmaken, hoe zenuwachtiger hij wordt.’ Met compassie begeleidt hij de honden voortaan naar hun laatste bestemming. ‘Wonderlijk dat een man die zo egoïstisch is als hij zich ten dienste stelt van dode honden. Er moeten andere, productievere manieren zijn om zich voor de wereld, of voor een visie op de wereld in te zetten.’ Maar, bedenkt Lurie dan, ‘er zijn andere mensen om die dingen te doen’. Hij moet zich bekommeren om deze honden en niet om een algemeen gevoel van rechtvaardigheid. Ook al zijn er ergere uitwassen in zijn land. Iedere naaste heeft een naaste. En zo, als hij de ten dode opgeschreven kreupele schepsels in de ogen kijkt,  raakt Lurie doordrongen van de eenzaamheid van de menselijke vrijheid. ‘Misschien moet ik dat leren aanvaarden. Om van de grond af aan te beginnen. Met niets. Niet: met niets, behalve. Met niets. Zonder troeven, zonder wapens, zonder eigendom, zonder rechten, zonder waardigheid… als een hond’
 
Het menselijk gelaat, Emmanuel Levinas, onder redactie van Ad Peperzak, uitgeverij Ambo, Amsterdam 2003. 
In ongenade, J.M. Coetzee, uitgeverij Ambo, Amsterdam 1999.
 

Blozen / Charles Darwin
‘Blozen is de meest vreemde en meest menselijke van alle gelaatsuitdrukkingen. De blos heeft geen fysieke oorzaak – een lach kun je opwekken door te kietelen, een frons of een huilbui door iemand te slaan, angst en beven door te dreigen iemand pijn te doen. De blos wordt veroorzaakt door een vorm van zelfbewustzijn. Het gezicht is van alle lichaamsdelen het meest bekeken en bestudeerd. Dat is ook logisch, want vooral aan het gezicht lezen wij de menselijke emoties af, en het bevat de bron van de menselijke stem. Het gelaat is eveneens de hoofdzetel van schoonheid en lelijkheid, en over de hele wereld het meest versierde lichaamsdeel.

Het gedrag dat optreedt bij blozen, het verbergen van het uiterlijk, vindt ook plaats wanneer men zich schaamt over een moreel vergrijp. Ook dan is men geneigd zijn gezicht af te keren, neer te buigen of te verbergen. Maar wat hebben schuld bekennen en oprecht berouw tonen met blozen te maken? Deze gewoonte is waarschijnlijk ontstaan bij de prehistorische mens. Die had nog maar weinig moreel besef, maar hij zal wel zeer gevoelig zijn geweest voor zijn uiterlijk – vooral in relatie tot de andere sekse. Wanneer er geringschattend gedaan werd over zijn voorkomen, zal hij zich daar ongemak over hebben gevoeld. Dit is een vorm van schaamte. Aangezien het gezicht het meest bekeken deel van het lichaam is, is het begrijpelijk dat iemand die beschaamd is over zijn voorkomen, het gezicht wil verbergen.’
 
Uit: De uitdrukking van emoties bij mens en dier (1872) van Charles Darwin

 

Naaktheid / Emmanuel Levinas
‘De absolute naaktheid van het gelaat, dit absoluut weerloze, onbedekte, onbeklede en ongemaskerde gelaat, is tegelijk dat wat zich teweerstelt tegen mijn macht en gewelddadigheid. Het opponeert op een absolute wijze door een tegenstelling die de tegenstelling an sich is. Het zijnde dat zich uitdrukt, het zijnde dat tegenover mij staat, zegt door zijn uitdrukking nee tegen mij. Dit nee is niet louter formeel, maar het is ook niet het nee van een vijandige kracht of een bedreiging; het is de onmogelijkheid om iemand die dit gelaat presenteert, te doden, en de mogelijkheid om een zijnde te ontmoeten via een verbod. Het gelaat is het feit dat een zijnde ons iets doet, niet in de indicatief, maar in de imperatief, en dat het zo buiten iedere categorie valt.’
 
Uit: Het menselijk gelaat (1969), van Emmanuel Levinas
 
Het nietgezicht / Rainer Maria Rilke
‘Dat ik me er bijvoorbeeld nooit bewust van ben geworden, hoeveel gezichten er zijn. Er zijn een menigte mensen, maar nog veel meer gezichten, want iedereen heeft er meer dan een. Er zijn mensen, die een gezicht jarenlang dragen, natuurlijk slijt het, het wordt smoezelig, het breekt op de vouwen, het rekt uit als handschoenen die men op reis heeft gedragen. Dat zijn zuinige, eenvoudige mensen; ze wisselen het niet af, ze laten het nooit eens schoonmaken. Het is immers goed genoeg, beweren ze, en wie kan ze van het tegendeel overtuigen? Nu vraagt men zich wel af, daar ze meer dan een gezicht hebben, wat doen ze met de andere? Ze slaan ze op. Hun kinderen zullen ze dragen. Maar het komt ook voor, dat hun honden er mee de straat op gaan. Waarom ook niet. Een gezicht is een gezicht.



Andere mensen zetten verschrikkelijk snel hun gezichten op, het ene na het andere, en dragen ze af. Eerst lijkt het hun, dat ze er voor altijd genoeg zouden hebben, maar nauwelijks zijn ze veertig of ze zijn al aan het laatste toe. Dat is natuurlijk wel een beetje tragisch. Ze zijn niet gewend, gezichten te sparen, hun laatste is in acht dagen versleten, er zitten gaten in, het is op veel plekken dun als papier, en daar komt dan geleidelijk de voering te voorschijn, het nietgezicht, en daar lopen ze mee rond.’
 
Uit: De aantekeningen van Malte Laurids Brigge (1910), van Rainer Maria Rilke

 

Chador

‘Hoewel Levinas nergens letterlijk schrijft over het gebruik van de sluier, zoals de chador, kun je vanuit zijn metafoor van het “het menselijk gelaat” wel degelijk iets zeggen over de consequenties die de chador heeft voor de vrouw.

Voor Levinas is “het gelaat van de Ander” de naaktheid ten top. Dat heeft niets met erotiek te maken. Het gelaat is naakt omdat het eigenschappen ontbeert. Het is niet “iets”. Kenmerkend voor het joodse denken is dat God geen gezicht mag krijgen, geen gelaatstrekken. Het heilige valt niet te categoriseren. Dat geldt ook voor het gelaat. Het behoort niet tot de wereld van de voorwerpen. Je kunt er niets aan ontlenen, behalve de oproep tot vrijheid.

Met betrekking tot de chador kun je je afvragen: waarom nu juist het gelaat verhullen, als daarmee in zekere zin niet “iets” te verhullen valt? Daarin schuilt dan ook het probleem van de gesluierde vrouw.  Via een negatieve beweging zorgt het dragen van de chador voor de oneigenlijke waardering van het uiterlijk van de vrouw. Het kenmerkende van een sluier is immers dat er altijd “iets” achter zit. Zo komt, door de verhulling van het gelaat, het gelaat ten onrechte in de wereld van de eigenschappen terecht  – waarvan ook te genieten valt. Kennelijk gaan er achter de sluier bepaalde “eigenschappen” van de vrouw schuil die alleen door enkelen gezien mogen worden.

De vrouw wordt  door deze negatie geobjectiveerd. We mogen niet zien, wie of wat ze is, maar ze is iets, een soort sieraad. De kwetsbaarheid van het gelaat gaat door de verhulling verloren. Iemand die een chador draagt kun je nooit als berooid zien. Niet omdat je heel letterlijk het gelaat van de vrouw niet ziet, maar omdat het gelaat juist door de verhulling in de wereld van de eigenschappen terecht komt.’
 
Maarten Coolen, filosoof aan de universiteit van Amsterdam