Home Waanzin Hoe de mens een Homo destructivus werd
Waanzin

Hoe de mens een Homo destructivus werd

Door Wouter Kusters op 29 maart 2016

Hoe de mens een Homo destructivus werd
Cover van 04-2016
04-2016 Filosofie magazine Lees het magazine

Onze ondernemingslust en experimenteerdrift dreigen de toekomst van het experimenteren, ondernemen en het leven zelf te vernietigen, sombert Sloterdijk in zijn nieuwste boek. Maar er is hoop.

‘Wat gebeurde er in de twintigste eeuw?’ Dat is de titel van het zojuist verschenen nieuwe boek van de Duitse cultuurfilosoof Peter Sloterdijk. De geschiedenis kennen we van school, we horen nog weleens over de twee wereldoorlogen, de jaren zestig of de val van de Muur. Maar hoe we vanuit de vorige eeuw in de huidige toestand zijn gekomen, dat lijkt ons te ontgaan, volgens Sloterdijk. In zijn typische ironische en beeldende stijl zegt hij: ‘Ondanks al zijn gevechten en gruwelen is de twintigste eeuw tot enkel een fantoom geworden, dat niet meer te reconstrueren valt uit de levensgevoelens van de huidige generaties, en waarvoor geen andere toekomst lijkt te zijn weggelegd dan die van een mythearsenaal en een wilde stortplaats van geweldscènes, materiaal voor amusementsfilms.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Sloterdijk onderzoekt welke ontwikkelingen uit eerdere tijden van belang zijn om heden en toekomst te begrijpen. Dat is nodig, want we staan er niet best voor. Het is crisis, de aarde dreigt verwoest te worden. Sloterdijk begint met een uitleg van het begrip ‘antropoceen’. Deze term geeft een rake karakterisering van onze tijd, waarin de natuur, de wereld en de geschiedenis diepgaand zijn veranderd door de mens (antropos). Het gaat niet enkel om een nieuwe periode in de nationale of culturele geschiedenis, maar ook om een geologische verandering. Sloterdijk laat zien dat deze term, anders dan vergelijkbare begrippen als pleistoceen of holoceen, juridische, morele en apocalyptische bijbetekenissen heeft. ‘Antropoceen’ verwijst naar de veroorzaker van dit tijdperk; tegelijk suggereert het dat deze veroorzaker er ook slachtoffer van kan worden.

Om dat laatste te voorkomen, moeten we nagaan wat het in ‘de mens’, zijn activiteiten en geschiedenis was dat hij zijn eigen bestaansvoorwaarden is gaan vernietigen. Het gaat hierbij om de ‘metabiologie’ van de mens: zijn ideeën, neigingen en verlangens; zijn techniek, en de door de mens in gang gezette grootschalige verbranding van kolen, olie en gas. Sloterdijk presenteert verschillende verhalen over ontstaan en verspreiding van deze Homo destructivus, bijvoorbeeld over de Renaissance van de veertiende eeuw, met op de achtergrond de dodelijke pest die door Europa ziedde, de tijd waarin Boccaccio zijn geroemde meesterwerk Decamerone schreef. Deze Italiaanse humanist schreef ‘tegen de pest in’, en sindsdien hebben mensen elkaar moed ingesproken, verhalen verteld (zoals Sloterdijk zelf ook doet), om periodes van groot leed en sterfte te bezweren of te boven te komen. De literatuur gaat sindsdien minder over genade of verlossing in een eeuwig leven en meer over technieken om op aarde het geluk te vinden en zich te verzoenen met leed en verdriet. Vanaf de Renaissance werd het geluk als een op aarde vindbaar en mogelijk bereikbaar goed beschouwd.
Daarna, in het tijdperk van de Europese expansie overzee, kwam de globalisering goed op gang. Vijftig miljoen Europeanen vertrokken naar een andere oever om het geluk te zoeken. Gedeeltelijk waren ze succesvol, maar de effecten en bijwerkingen van hun acties – de gevolgen voor andere volkeren en de natuurlijke leefomgeving – werden niet meegewogen in dit eerste globaliseringsexperiment. Vanaf de Industriële Revolutie namen de technieken om geluk, geld en welvaart te produceren verder toe. Door de ontwikkeling van stoommachine en verbrandingsmotoren kon energie die miljoenen jaren lang was opgeslagen in kolen en olie worden vrijgemaakt en ten dienste gesteld worden voor verdere expansie, creatie en beweging. In de twintigste eeuw is ten slotte de globalisering voltooid. De aarde is geheel omvaren, het eenrichtingsverkeer van Europa naar elders is meerrichtingsverkeer geworden, en op het immateriële, informationele vlak is communicatie wereldwijd mogelijk in no-time via internet.

Verwend

De moderne mens kent tegenwoordig nauwelijks reële nood meer, maar enkel overvloed – althans, in het rijke deel van de westerse wereld. De rijkdom, verwendheid en succesvolle natuurbeheersing van het Westen hebben geleid tot een andere verhouding tot de tijd: alles moet instant geschieden en beschikbaar zijn, alles moet onder handbereik – of anders wel binnen browserbereik – zijn. Ervaring en consumptie dienen snelheid te hebben, intensief te zijn, ‘vol energie’, zonder rust of duurzame bezinning. De toekomst, het nieuwe en de verandering vinden we waardevoller dan het verleden, het bestendige en vertrouwde. Als er al aan ‘onthaasting’ wordt gedaan, moet dat snel gebeuren, omdat er anders een ander project of experiment voor de deur staat.


Het is deze ondernemers- en experimenteermentaliteit die de laatste eeuwen tot ingenieuze technieken, spannende avonturen en ongekende rijkdom heeft geleid. Maar er is iets grondig misgegaan. In experimenten kiest men enkele variabelen, waarvan men bekijkt wat ermee gebeurt onder bepaalde omstandigheden. Wanneer het experiment slaagt, oftewel winst en geluk oplevert, wordt het experiment herhaald en uitgebreid. Een experiment veronderstelt dat we de neveneffecten of ‘bijwerkingen’ op de koop toenemen. Deze worden zelfs veronachtzaamd of eenvoudigweg niet waargenomen. Datgene waar we eerst niet op letten, maar dat we voor lief namen of als onuitputtelijk zagen, is nu vervuild, oververhit en bedreigd, zoals de oceanen, de lucht en de natuur. De ondernemingslust en experimenteerdrift dreigen de toekomst van het experimenteren, ondernemen en het leven zelf te vernietigen.

Ecologisch calvinisme

Is de voortdenderende diep ingesleten vernietigingsdrift nog wel te stoppen? Verspreid door de verzamelde essays van dit boek staan wat voorzichtige voorstellen en voorspellingen. Er dient een alomvattende verandering te komen; de hele beschaving, de hele mens, zijn manier van denken, handelen en zich uitdrukken moet anders. ‘De emissievijandige ethiek van de toekomst beoogt de omkering van de huidige beschavingsrichting. Ze verlangt vermindering, in plaats van vermeerdering, terughoudendheid en zelfbeperking in plaats van expansie en zelfvrijmaking, spaarzaamheid in plaats verspilling. In het kielzog van de meteorologische reformatie belandt men in een soort ecologisch calvinisme, gegrond op het axioma: De mensheid heeft slechts één aarde tot haar beschikking.’

Om dit te bereiken is een mondiale morele, culturele en spirituele omvorming nodig, een verdergaande beschaving en regulering van het aardse zoeken naar geluk. Het is maar de vraag of dat vrijwillig zal gaan, of dat ‘de regeringen van de rijke naties zich vroeg of laat gedwongen zien een soort ecologisch oorlogsrecht te proclameren’. De verandering zal gedragen worden door ‘een golf van om zich heen grijpend ethisch enthousiasme, zowel binnen als buiten de overgeleverde religies’. Veel van wat we nu nog gewoon vinden – vliegreizen, vlees eten, olie- en gasproductie – zal als onbeschaafd, pre-modern en naïef worden beschouwd; nieuwe scheidslijnen en problematieken zullen zich uitkristalliseren: ‘In de schemering tekent zich een beschavend wereldweerbericht af, met waarschijnlijk postliberale trekken. De toekomst van begrippen als “ondernemerschap” en “uitdrukkingsvrijheid” is ongewis. Vermoedelijk zal men de romantiek van de explosie – algemener gesproken: psychische, esthetische en politieke afleidingen van plotselinge energievrijmaking – vanuit het perspectief van toekomstige zonnetechnologieën beoordelen als de uitdrukkingswereld van een massacultureel, geglobaliseerd energetisch fascisme. Er zal een hybride synthese aan de macht komen van technisch avant-gardisme en eco-conservatieve matiging.’

In dit boek staat nog veel meer over de twintigste eeuw, het einde van de geschiedenis, over Heidegger, Derrida, de Odyssee, de Duitse grondwet, Freud en astronautische perspectieven. Voor wie nog nooit iets van Sloterdijk gelezen heeft, is dit een aanrader. De veelomvattendheid en diepgang van deze essays zijn fenomenaal. De taal en observaties zijn sprankelend, en dit werk biedt bijzonder veel ideeën en nieuwe inzichten. Wel zit er veel herhaling in uit eerdere boeken. Misschien had de presentatie van Sloterdijks werk van de laatste jaren meer thematisch gekund, meer systematisch geredigeerd. Nu vliegt het wel alle kanten op, zonder dat je weet waar het heen gaat, wat je ermee aan moet. Maar misschien is dat nu juist wel de tragisch fascinerende schoonheid van onze tijd voorbij goed en kwaad waar dit boek van getuigt.