Home Francesca Minerva: ‘We discrimineren lelijke mensen’

Francesca Minerva: ‘We discrimineren lelijke mensen’

Mooie mensen geloven we eerder, verdienen meer geld, winnen vaker verkiezingen. Daarom is het onze morele plicht om onaantrekkelijke mensen te helpen, vindt de Italiaanse filosoof Francesca Minerva. ‘Maak met het oog op gelijkheid plastische chirurgie vrij toegankelijk.’

Door Djuna Spreksel op 06 mei 2022

Francesca Minerva: ‘We discrimineren lelijke mensen’ Beeld: UPI Photo / Jim Ruymen via Imageslect
Cover van 05-2022
05-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Een paar jaar geleden doodde de Amerikaanse Elliot Rodger in Californië zes mensen en daarna zichzelf. ‘Morgen is de dag der wake,’ sprak Rodger in een video die hij een dag daarvoor opnam. ‘Ik ben 22 en nog steeds maagd. Ik heb zelfs nooit een meisje gekust. Ik rotte weg in eenzaamheid. Jullie meisjes hebben je nooit tot me aangetrokken gevoeld, maar ik zal jullie daarvoor straffen.’

Rodger liet een manifest achter van 100.000 woorden, dat uitgroeide tot een bijbel voor mannen met hetzelfde probleem. Deze mannen zijn zogenoemde ‘incels’ – involuntary celibates –, die vanwege hun uiterlijk geen romantische en seksuele relaties kunnen onderhouden. Op digitale platforms zoals 4chan en Reddit vinden ze elkaar, en soms ontwikkelt hun frustratie zich tot misogynie, met alle gevolgen van dien.

Juist omdat die moorden afschuwelijk zijn, moet er meer gesproken worden over het lijden dat mede aan de basis ligt van dergelijke misdaden, vindt de Italiaanse filosoof Francesca Minerva. En dat is het feit dat we mensen die we onaantrekkelijk of ronduit lelijk vinden volstrekt anders behandelen dan mensen die we mooi vinden. Er is tegenwoordig veel aandacht voor discriminatie op basis van huidskleur, gender en leeftijd, stelt Minerva. ‘Maar er is nog weinig bekend over lookism, ofwel discriminatie op basis van fysieke aantrekkelijkheid.’ Minerva doet aan de universiteit van Milaan onderzoek naar het fenomeen, en schrijft daarnaast een boek over medisch-ethische gewetensbezwaren rond plastische chirurgie.

Volgens Minerva wordt lookism doorgaans niet herkend. Veel mensen denken onterecht dat ze uiterlijk als het erop aankomt niet belangrijk vinden. ‘We bekijken een ander, en denken: goh, zij is mooi, ze heeft geluk gehad. En dat was het dan. Het idee dat we ook anders handelen op basis van wat we zien, daar willen de meeste mensen niet aan. De slachtoffers van lookism zijn zich er niet altijd van bewust dat hun uiterlijk de bron is van hun uitsluiting. En als ze het vermoeden, schamen ze zich om het aan de kaak te stellen.’

Schoonheidsideaal

Er zijn tal van sociologische onderzoeken die bevestigen dat fysieke aantrekkelijkheid vergaande invloed heeft op hoe anderen op ons reageren, zegt Minerva. ‘Mooie baby’s worden vaker geknuffeld. Aantrekkelijke mensen krijgen eerder een baan, worden in de rechtbank sneller geloofd, winnen gemakkelijker verkiezingen en krijgen eerder een romantische liefdesrelatie dan mensen die we beschouwen als onaantrekkelijk. Andersom krijgen onaantrekkelijke mensen hogere straffen, worden minder vaak aangenomen voor een baan en verdienen minder.’

Maar is schoonheid niet subjectief? Mensen kunnen verschillende gelaatskenmerken aantrekkelijk vinden. Het westerse schoonheidsideaal staat bovendien vaak haaks op dat van andere culturen. Wie of wat bepaalt eigenlijk wat we mooi vinden?

Daar is de wetenschap nog niet over uit. De twee dominante verklaringen gaan uit van een aangeboren dan wel een cultureel opgelegd ideaal, vertelt Minerva. Ze denkt dat de waarheid waarschijnlijk in het midden ligt, en dat mensen zowel worden geleid door aangeboren als door cultureel bepaalde voorkeuren. ‘Het is belangrijk om een onderscheid tussen beide te maken. Aangeboren voorkeuren zijn namelijk moeilijk te veranderen, cultureel bepaalde voorkeuren gemakkelijker.’

In de jaren negentig werd de beeldcultuur gedomineerd door slanke, naar mager neigende vrouwen, herinnert Minerva zich. ‘En bijna iedereen was wit. Inmiddels is ons schoonheidsideaal inclusiever: op tijdschriftencovers staan ook vollere modellen en modellen van kleur.’

‘Onze overtuiging is: wat er mooi uitziet, is ook goed en waar’

Maar daarnaast zijn er dus aangeboren voorkeuren, zoals een symmetrisch gezicht, een gave huid, een sterk lichaam. Die voorkeuren zijn van oudsher ingegeven door onze overlevingsdrang. ‘Zo kon een pokdalige huid in de middeleeuwen een teken van de pest zijn. Zag je iemand met een slechte huid, dan wist je: uit de buurt blijven.’ Een symmetrisch gezicht en een sterk lichaam werden volgens Minerva juist geassocieerd met gezondheid, die belangrijk is voor een sterk nageslacht. ‘Het idee dat wat mooi is ook goed, waar en veilig is, en wat niet mooi is ook slecht, onwaar en gevaarlijk is, zit onbewust nog steeds in ons. Neuroloog Anjan Chatterjee noemt dit de beauty-is-good-bias.’

Hoewel de mens altijd gericht is geweest op wat het oog ziet, hebben sociale media en dating-apps het uiterlijk nog bepalender gemaakt, meent Minerva. ‘Neem Tinder: vroeger konden onaantrekkelijke mensen in de kroeg hun gevoel voor humor inzetten om een potentiële liefdespartner te veroveren, maar nu komt het niet eens tot een eerste afspraak, want ze worden direct weggeswipet.’

Door middel van filters op Instagram en in fotografie-apps kunnen we ons uiterlijk ook nog eens veranderen, waardoor de ander ons alleen op ons allermooist ziet. ‘Vroeger vergeleken we onszelf met mensen die geroemd werden om hun uiterlijk, zoals Marilyn Monroe – mooi, maar ook echt. Tegenwoordig weet je niet meer of iemands schoonheid dat wel is.’

Genadeloze genen

De genen die we hebben meegekregen zijn niet gebaseerd op verdiensten, maar grotendeels op toeval. Toch zijn ze bepalend voor ons welbevinden, of een gebrek daaraan. Wie een tijdje met Minerva spreekt, begrijpt waarom de morele implicaties van lookism haar als klassiek utilist zo bezighouden.

Het utilisme is een filosofische stroming die zich richt op de maximalisatie van welzijn: naar geluk moet gestreefd worden, pijn moet worden vermeden. Handelingen zijn niet intrinsiek goed of slecht, maar hun morele juistheid hangt af van de gevolgen die ze hebben: een handeling is goed als die zo veel mogelijk geluk en welzijn voor zo veel mogelijk mensen teweegbrengt.

Om het lijden van onaantrekkelijke mensen te verkleinen is volgens Minerva meer interventie nodig. Andere denkers hebben daar ook al over nagedacht. Zo berekende econoom David Hamermesch dat onaantrekkelijke mensen in hun leven gemiddeld 20.000 euro minder verdienen vanwege hun uiterlijk, en opperde dat ze hiervoor gecompenseerd zouden moeten worden.

‘In de praktijk is dat een lastig uitvoerbaar idee,’ zegt Minerva. ‘Geld vrijmaken voor compensatie betekent dat je het ergens anders weghaalt. Herdistributie roept altijd nieuwe vragen op. Bovendien zullen veel mensen die recht hebben op de compensatie ervoor bedanken: het heeft iets ongemakkelijks om te moeten toegeven dat je geld krijgt omdat je onaantrekkelijk gevonden wordt.’

Deborah L. Rhode, auteur van het boek The Beauty Bias (2011), pleit voor juridische regelgeving die discriminatie op basis van aantrekkelijkheid bij de wet verbiedt, net als andere vormen van discriminatie. Minerva betwijfelt of slachtoffers in de rechtbank kunnen bewijzen dat ze daadwerkelijk op basis van hun onaantrekkelijkheid gediscrimineerd worden. Wel denkt ze dat regelgeving het bewustzijn vergroot. ‘Als wetgeving lookism erkent als een moreel probleem zal dat in elk geval het gesprek erover op gang brengen.’

Vanuit feministische hoek wordt de nadruk gelegd op het belang van een inclusiever schoonheidsideaal. Minerva juicht die ontwikkeling toe, maar wijst tegelijkertijd op een gevaar als we ons alleen daarop richten. ‘Ons culturele schoonheidsideaal – vaak een witte, slanke vrouw – kunnen we op die manier veranderen. Maar er blijft een groep over die te veel afwijkt van onze aangeboren voorkeuren, bijvoorbeeld omdat hun gezicht sterk asymmetrisch is, of omdat ze een enorme neus hebben.’ Hoe groot die groep is weten we niet precies. ‘De schattingen lopen uiteen van 3 tot 18 procent van de bevolking. En voor hen zal een inclusiever schoonheidsideaal weinig uitmaken.’

Aan jezelf sleutelen

Minerva pleit er daarom voor dat zij toegang krijgen tot gratis plastische chirurgie. Zo wordt een minimale basis van fysieke aantrekkelijkheid voor iedereen haalbaar, en dat vergroot het welzijn, redeneert ze. Op dit moment komen in de meeste landen alleen mensen met een medische indicatie in aanmerking voor een verzekerde behandeling. De vereisten zijn volgens Minerva streng. ‘Bij een vrouw met borsten van verschillende grootte wordt er vergoed bij een verschil van rond de 75 procent. Maar wat als een vrouw een verschil heeft van 65 procent? Dat is behoorlijk. Het zou goed zijn als er per geval gekeken wordt of plastische chirurgie iemands lijden kan verlichten.’

Minerva draagt nog een reden aan om plastische chirurgie vaker vergoed aan te bieden. De loonkloof zorgt steeds meer voor een schoonheidskloof, meent ze: wie geld heeft, kan aan zichzelf laten sleutelen. Schoonheid wordt zo in grote mate afhankelijk van vermogen – en zo zorgt het prijskaartje van plastische chirurgie ervoor dat onaantrekkelijke mensen, die toch al minder verdienen, nog verder achteropraken.

‘Mensen geloven vaak niet dat we anders handelen op basis van wat we zien’

Maar legt de toegang tot plastische chirurgie de verantwoordelijkheid niet te veel bij het slachtoffer? Het gevaar dreigt dat wie recht heeft op plastische chirurgie maar daarvoor bedankt zijn achtergestelde positie vervolgens maar moet accepteren. Minerva: ‘Die gedachte impliceert dat iedereen die onaantrekkelijk is daar ook last van heeft. Dat is onzin. Er zijn genoeg mensen die gelukkig zijn met zichzelf en geen behoefte hebben aan plastische chirurgie, omdat ze niet dusdanig onder hun uiterlijk lijden.’

Maar zal plastische chirurgie als oplossing voor lookism andere oplossingen, zoals een inclusiever schoonheidsideaal, niet ondermijnen? Als grote neuzen en scheve tanden worden weggepoetst, gaan we toch meer op elkaar lijken in plaats van dat we diversiteit omarmen? Daar is Minerva het niet mee eens. Ze denkt dat extreme afwijkingen sowieso geen deel kunnen worden van het schoonheidsideaal, en dat corrigeren daar dus weinig impact op heeft. Ook wijst ze erop dat discriminatie op basis van aantrekkelijkheid zo’n complex probleem is dat het op meerdere vlakken tegelijkertijd om interventie vraagt. ‘Zo ben ik bijvoorbeeld hoopvol over opkomende alternatieven voor Tinder, waarbij mensen met een VR-bril op date gaan voordat ze elkaar in het echt zien.’

Juist omdat lookism wordt gevoed door een ingewikkelde combinatie van aangeboren en cultureel bepaalde voorkeuren moeten we volgens Minerva pragmatisch te werk gaan en niet uitgaan van een ideale wereld, maar van de feitelijke omstandigheden. ‘Als plastische chirurgie in bepaalde situaties het lijden verlicht en het welbevinden vergroot – omdat een incel bijvoorbeeld geholpen wordt een partner te vinden en zo minder eenzaam is –, dan is het onze morele verantwoordelijkheid om te onderzoeken hoe we dat kunnen verwezenlijken.’

Francesca Minerva (1981) is een Italiaanse filosoof. Ze is verbonden aan de Universiteit van Milaan. In haar onderzoek richt ze zich op toegepaste ethiek. Minerva laat zich onder andere uit over lookism, abortus en academische vrijheid.