Home Een echte leider kan zonder wetten

Een echte leider kan zonder wetten

Door Michel Dijkstra en Simone Bassie, Michel Dijkstra en Simone Bassie op 11 augustus 2014

Cover van 09-2014
09-2014 Filosofie magazine Lees het magazine

Een waarlijk hoogstaand persoon houdt rekening met anderen, zo betoogde de Chinese denker Confucius. Eindelijk is er een Nederlandse vertaling van zijn uitspraken verschenen.  

Zigong vroeg: “Is er één enkel woord dat je je leven lang als beginsel voor wat je doet kunt nemen?” De Meester (Confucius) antwoordde: “Dat is naastenliefde. Wat je zelf niet wilt ondergaan, doe dat ook anderen niet aan.”’ Deze kernachtige uitspraak toont de leer van Confucius of ‘Meester Kong’ in een notendop. Zijn op rechtvaardigheid, plichtsbesef en medemenselijkheid gebaseerde filosofie voerde meer dan een millennium lang de boventoon in China. Bovendien staat Confucius bekend als de grondlegger van de Chinese filosofie: de ‘Leermeester van Tienduizend Generaties’. Je kunt hem eigenlijk alleen vergelijken met grootheden als Socrates en Boeddha.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Gezien de enorme reputatie van Confucius (551-479 v.Chr.) is het opvallend dat er tot voor kort geen integrale Nederlandse vertaling van zijn uitspraken bestond. Sinoloog Kristofer Schipper heeft deze leemte nu opgevuld. Dankzij zijn vertaling van de Lunyu of De gesprekken van Confucius kan de Nederlandstalige lezer zich grondig in het gedachtegoed van de Chinese meester verdiepen. In zijn laatste boek, een vertaling van de taoïstische klassieker Het boek van de Weg en de Deugd (Daodejing), smokkelde Schipper soms westerse begrippen de tekst binnen. Zo gebruikte hij de christelijke term ‘schepselen’ voor het Chinese ‘tienduizend dingen’. Dit westerse begrip lijkt misplaatst, omdat de klassieke Chinese filosofie geen godsbeeld kent. In De gesprekken volgt Schipper zijn brontekst echter getrouw. Hij heeft Confucius’ tijdloze wijsheid gevat in een kraakhelder en krachtig Nederlands.

Bovendien voegde Schipper een instructieve inleiding toe en vertaalde hij de beroemde Confucius-biografie van de grote Chinese historicus Sima Qian (ca. 145-86 v.Chr.), die bijdraagt aan een beter begrip van de meester. In de introductie maakt de vertaler duidelijk dat Confucius met zijn filosofie reageerde op de toenmalige politieke en maatschappelijke situatie van China. Het rijk was eeuwenlang verenigd onder de koningen van de Zhou-dynastie, die er een feodaal systeem op na hielden. Na verloop van tijd werden de leenheren echter opstandig en dreigde het land uiteen te vallen. Confucius probeerde het tij te keren door zich op te werpen als verdediger van de oude Zhou-cultuur. Hij stelde dan ook bescheiden: ‘Ik ben geen uitvinder, maar geef alleen door.’ Zo’n kernachtige uitspraak is kenmerkend voor De gesprekken, die geen systematisch opgebouwd boekwerk vormen, maar een bonte verzameling van uitspraken over de meest uiteenlopende onderwerpen zijn. Overigens werden deze gesprekken pas na de dood van Confucius opgetekend. Net als Socrates en Boeddha bracht de Chinese meester zijn leer uitsluitend in praktijk.

Morele superioriteit

Confucius was zijn leven lang bezig om een deugdethiek te ontwikkelen. Deze filosofie moest zowel het besturen van de staat als het leven van de individuele burger in goede banen leiden. Centraal in zijn filosofie staat de hoogste deugd: medemenselijkheid of ren. Hoewel dit principe bijzonder makkelijk te begrijpen is – ga zo met de ander om als je zelf wilt worden behandeld – kost het ontwikkelen van deze goede eigenschap veel tijd en energie. Zo riep Confucius eens uit: ‘Pas met de dood komt de weg tot een einde, is dat niet lang?’

Het toppunt van medemenselijkheid is volgens Confucius de ‘wijze’ of ‘heilige’, die in het Chinees sheng wordt genoemd. Zo’n individu, dat altijd het beste met iedereen voorheeft en nooit immoreel gedrag vertoont, wordt echter maar eens in de vijfhonderd jaar geboren. Confucius vond dat de oude koningen en bestuurders van de Zhou-dynastie wijzen waren. Hij rekende zichzelf dan ook niet tot deze voortreffelijke personen: ‘Hoe zou ik het wagen om aanspraak te maken op heiligheid of medemenselijkheid? Leren zonder er ooit genoeg van te krijgen, onderwijzen zonder er ooit moe van te worden: dat mag misschien van me gezegd worden. Dat is alles.’

Een ideaalbeeld dat de mens die zich oefent in medemenselijkheid wel kan bereiken, is dat van de edele of junzi. Uit deze term wordt duidelijk dat Confucius meer was dan een doorgeefluik van de traditie. Vóór zijn tijd sloeg ‘junzi’ op iemand van adel. De filosoof geeft dit begrip echter een nieuwe invulling: de edele is een moreel hoogstaand persoon. Dit betekent dat hij zich voortdurend oefent in deugdzaamheid. Daarnaast is hij goed thuis in de klassieke cultuur van de Zhou-dynastie en houdt hij zich aan de zogenoemde ‘riten’ of hoffelijke omgangsvormen.

Confucius plaatst zijn ethische ideaal van de edele tegenover de ‘kleine mens’ (xiaoren): ‘De morele kracht van hoogstaande mensen is als de wind. De morele kracht van minderwaardige lieden is als het gras. Als de wind over het gras gaat, moet het gras buigen.’ De reden voor de morele superioriteit van de edele is dat hij niet alleen aan zichzelf denkt, maar bovenal het belang van de maatschappij dient. De ‘kleine mens’ is juist egocentrisch en geborneerd.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Confucius de edele bij uitstek geschikt acht om de staat te besturen. In een poëtische uitspraak vergelijkt hij zo’n vorst met de Poolster, die op zijn plaats blijft terwijl alle andere sterren voor hem buigen. De ideale confucianistische bestuurder is dan de meest moreel hoogstaande persoon in het rijk. Hij is zo bedreven in het ‘rechtmaken’ dat niemand ‘krom’ durft te zijn. Tegenwoordig zouden we deze morele hoogstaandheid vertalen met charisma of natuurlijk gezag. Schipper merkt over Confucius’ morele ideeën terecht op dat hij eerder op de deugd dan op de wet vertrouwt: ‘Als een bestuur zijn toevlucht moet nemen tot wetten en straffen, dan heeft het zijn morele kracht al verloren.’

Door deze nadruk op innerlijke beschaving ging Confucius’ filosofie lijnrecht tegen de toenmalige tijdgeest in. In een periode waarin vorsten vooral geïnteresseerd waren in gebiedsuitbreiding en macht, reisde hij langs de hoven om hen tot medemenselijkheid en rechtvaardigheid te bekeren. Vanzelfsprekend vond hij nauwelijks gehoor. Maar Confucius bleef optimistisch en probeerde zijn leer in elk geval door te geven aan het handjevol leerlingen dat hem overal volgde. Deze mensen schreven uiteindelijk zijn uitspraken op en maakten zijn filosofie bekend. Confucius zocht zelf geen faam.

Ook in de omgang met zijn volgelingen was de meester de bescheidenheid zelve. Zo merkte hij eens over zijn favoriete leerling Yan Hui op dat deze meer medemenselijkheid bezat dan hijzelf. Toen deze leerling voortijdig stierf, rouwde de meester dan ook buitensporig lang: ‘Helaas! Ik zag hoe hij vooruitging, maar ik mocht niet aanschouwen wat hij uiteindelijk zou bereiken.’

Geheel in overeenstemming met de confucianistische deugd nam Yan Hui eenzelfde liefdevolle houding aan ten opzichte van Confucius. Hij zag de deugd van zijn meester als een onbeklimbaar steile berg: ‘Hoe meer ik ernaar opzie, hoe hoger die wordt. Hoe dieper ik erin doordring, hoe ondoordringbaarder die wordt. Ik zie hem voor me en plotseling is hij achter me. Mijn goede Meester leidt me, stap voor stap, op voortreffelijke wijze. Ik zou het willen opgeven, maar ik kan het niet.’ Verder klaagt Yan Hui dat er ‘altijd iets ontzaglijk hoogs’ overblijft, zelfs als hij zijn talent helemaal heeft uitgeput.

Dankzij Schipper zijn we nu in staat om zelf een glimp op te vangen van de ontzaglijke hoogte en de onpeilbaar diepe medemenselijkheid van Confucius’ leer.

De gesprekken
Confucius
(Atlas Contact)
428 blz. / € 39,99