Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

Filosofie Magazine nr. 11/2020

Een andere Kant

Alexandra van Ditmars
Interviewer & schrijver

Immanuel Kant blijkt naast een beroemde verlichtingsfilosoof ook een racist en seksist te zijn. Kant-expert Pauline Kleingeld verdiept zich in zijn schaduwkanten en concludeert dat er nog veel werk aan de winkel is als we zijn filosofie willen blijven gebruiken.

Als de naam Immanuel Kant valt, volgen vaak grootse omschrijvingen als ‘de beroemde verlichtingsfilosoof’, ‘verdediger van individuele vrijheid’ en ‘grondlegger van onze morele gelijkheid’. Soms volgt dan ook nog die anekdote over zijn vaste middagwandeling, die dagelijks dusdanig punctueel plaatsvond dat de overige inwoners van Koningsbergen er naar verluidt hun klok op gelijk konden zetten. En waarschijnlijk nog iets over de waardevolle, maar ook behoorlijk pittige kritieken die hij schreef.

‘Kant vond dat vrouwen geen stemrecht moesten krijgen’

Al die associaties kloppen. Kant (1724-1804) schreef dat alle mensen gelijk zijn, in een tijd waarin dat allesbehalve vanzelfsprekend was. Ons huidige idee van menselijke waardigheid, waarbij je iemand nooit zomaar mag gebruiken als middel, is gebaseerd op zijn denken. Toen de slavernijbeweging en de vrouwenbeweging streden voor gelijke rechten, beriepen ze zich op Kants argumenten. En Kant is de boeken in gegaan als de grote criticus van het kolonialisme.

Maar het verhaal kent ook een andere kant. De Duitse gelijkheidsdenker blijkt zich lang niet altijd egalitair geuit te hebben. ‘Kant was een seksist en een groot deel van zijn leven ook een racist,’ zegt Pauline Kleingeld, hoogleraar ethiek en geschiedenis van de ethiek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze verdiept zich al bijna dertig jaar in Kants filosofie; ze studeerde erop af, promoveerde erop en staat bekend als Kant-expert. ‘Toen hij zeventig was is hij op zijn racistische gedachtegoed teruggekomen. Seksist is hij altijd gebleven.’

Zo schreef Kant dat vrouwen ondergeschikt zijn aan mannen vanwege de ‘natuurlijke superioriteit’ van de laatsten. Ook vond hij dat vrouwen geen stemrecht of andere burgerrechten moesten krijgen. En het grootste deel van zijn leven was Kant een verdediger van het kolonialisme en van een rassenhiërarchie.

In de achttiende eeuw waren seksistische en racistische opvattingen eerder regel dan uitzondering. Maar dat vindt Kleingeld geen excuus. ‘Kant was een voorvechter van vrijheid en gelijkheid, en hij had er op andere gebieden geen probleem mee om tegen de heersende opinie in te gaan. Daarnaast klonken er destijds ook andere geluiden, onder andere in Kants directe omgeving.’ Zo heeft Georg Forster, een activistische abolitionist, Kant aangevallen op zijn rassentheorie, waarop Kant weer heeft gereageerd. En Theodor Gottlieb von Hippel, de burgemeester van Koningsbergen, die regelmatig bij Kant kwam lunchen, publiceerde een boek over de noodzaak van vrouwenemancipatie. ‘Kant heeft seksistische en racistische overtuigingen welbewust aangehangen.’

Monstrueuze vrouwen

‘De deugd van de vrouw is een schone deugd,’ schreef Kant in 1764. ‘Die van het mannelijke geslacht hoort een edele deugd te zijn. Vrouwen vermijden het kwaad niet omdat het verkeerd is, maar omdat het lelijk is.’ Hij schetst mannen als degenen die vrouwen in de juiste richting moeten duwen: ‘Zij [vrouwen] doen iets alleen omdat ze er zin in hebben, en het is de kunst om ervoor te zorgen dat ze alleen zin hebben in dat wat goed is. Ik geloof nauwelijks dat het schone geslacht in staat is tot principes.’

leingeld: ‘Dat is nogal wat, want handelen volgens bepaalde principes staat centraal in Kants ethiek.’

Kant geeft wel toe dat er vrouwen zijn die breken met zijn karakteriseringen van het vrouwelijk geslacht, bijvoorbeeld vrouwelijke wetenschappers. ‘Maar die beschrijft hij als een soort monstrueuze verschijnselen, waar hij liever niet mee omgaat. En toen een paar vrouwen het eens met Kant over de Franse Revolutie wilden hebben, weigerde hij dat en begon snel over recepten.’

   ‘Met het woord “mens” doelt Kant niet op alle mensen’

In de rassenhiërarchie die Kant verkondigde stond de witte mens overduidelijk bovenaan. Over native Americans en zwarte mensen schreef hij: ‘Amerikanen en negers kunnen zichzelf niet regeren. Dus ze dienen enkel als slaven.’ Mensen in India zouden niet in staat zijn tot abstract denken, en zouden veel gelukkiger zijn onder Europese heerschappij. Hij gaf zijn studenten ook college over welke volkeren het meest geschikt zouden zijn om tot slaaf te maken en hoe je dat kunt doen: ‘Men krijgt de negers door ze elkaar te laten vangen, en men moet ze met geweld bemachtigen.’ Kleingeld: ‘Dergelijke uitspraken waren vaste onderdelen van Kants colleges over antropologie en aardrijkskunde uit de jaren 1780, en ze komen ook voor in zijn publicaties uit die tijd.’

Nieuw is de opvatting dat Kant geen inclusief denker was niet. Vanaf de jaren negentig klinkt kritiek op zijn racistische opvattingen vanuit de critical race theory. Bijvoorbeeld van Charles Mills, die onderzocht hoe racisme zich heeft ontwikkeld in het werk van allerlei denkers. En de titel van het bekende boek van Achille Mbembe, De kritiek van de zwarte rede (2015), is duidelijk een verwijzing naar Kants hoofdwerk De kritiek van de zuivere rede. Dat lijkt te gaan over het menselijke kenvermogen in het algemeen, ware het niet dat Kant dit schreef in de periode waarin hij ervan overtuigd was dat zwarten niet in staat waren tot intellectueel denkwerk.

Kleingeld wilde weten hoe het precies zit met die opvattingen van Kant en hoe we die moeten plaatsen. Ze spitte daarvoor Kants beroemde werken door, maar dook ook in de archieven om ongepubliceerde collegedictaten te bestuderen.

Wat opviel, is dat Kant met het woord ‘mens’ niet altijd alle mensen bedoelt. En dan komen zinnen als ‘Ieder mens heeft recht op onafhankelijkheid’ opeens in een ander licht te staan. ‘Met “mensen” bedoelde Kant vaak witte mannen,’ zegt Kleingeld. Wanneer Kant het in een tekst over slavernij over het Mandinka-volk heeft, schrijft hij bijvoorbeeld dat zij omstandigheden aankunnen die geen enkel ‘mens’ kan verdragen.

Tegelijkertijd moeten we niet vergeten dat Kant op zijn racistische overtuigingen is teruggekomen, benadrukt Kleingeld. Wat Kant tot dat nieuwe perspectief bracht is niet bekend. ‘Maar in zijn latere werk keurt hij slavernij en kolonialisme opeens sterk af. Hij schrijft dat “de handel in negers” een ernstige schending is van hun rechten als wereldburgers. En dat niet-Europeanen nooit als dingen in plaats van als mensen behandeld mogen worden.’

‘Veel aspecten van Kants filosofie zijn nog steeds ontzettend zinnig’

Passages schrappen

In zijn denken over vrouwen heeft Kant zo’n omslag nooit gemaakt. In De metafysica der zeden (1797), dat hij aan het einde van zijn leven schreef, heeft hij het over het aangeboren recht op vrijheid. Kant schrijft: ‘Vrijheid [onafhankelijkheid van de willekeur van iemand anders die je kan dwingen](…)is het enige oorspronkelijke recht van ieder mens dat de mens uit hoofde van zijn mensheid toekomt.’ Uit deze vrijheid volgt volgens Kant de aangeboren gelijkheid van ieder mens.

Dat lijkt heel geëmancipeerd. Kleingeld: ‘Maar vervolgens schrijft hij: “Dat is de kwaliteit van de mens om zijn eigen meester te zijn.” In het Duits verwijst het woord Herr, meester, overduidelijk naar een man. Aan de ene kant is er dus een principe dat geformuleerd is in termen van menselijkheid, maar eigenlijk blijkt het alleen over mannen te gaan. Op dit principe baseert Kant vervolgens zijn hele rechtsleer, waarin hij ook schrijft dat mannen de heerschappij over vrouwen toekomt en dat vrouwen hun Herr moeten gehoorzamen.’

Wat moeten we met deze spanning in Kants filosofie, nu zijn principes niet zo egalitair blijken als ze lijken? Kleingeld denkt dat we die spanning moeten zien te bewaren. Dat betekent onder andere: Kant niet (on)geëmancipeerder laten overkomen dan hij was. ‘Mensen maken Kants uitspraken tegenwoordig vaak inclusief. Dan krijg je zinnen als: “Kant vond dat ieder mens zijn of haar stem moest kunnen uitbrengen.” Maar dat klopt niet, want dat vond hij helemaal niet.’ Het woord ‘mens’ in Kants werk veranderen in ‘witte man’ vindt ze ook geen oplossing. ‘Dan verlies je ook die spanning. De principes zijn immers wel in algemene termen geformuleerd.’

De foute passages gewoon schrappen lijkt Kleingeld een slecht idee. ‘Als we het seksisme en racisme van Kant, en van andere denkers, willen overwinnen, moet je die problematische passages niet negeren. We moeten juist bedenken wat voor invloed die gedachten hadden op de rest van zijn theorie, en hoe we die kunnen aanpassen. Anders borduren we bijvoorbeeld voort op een beschrijving van de mens die voor Kant de beschrijving van de man was – en die ook maar een deel van de menselijke eigenschappen kreeg toebedeeld.’

Wat moeten we dan wél doen? ‘Ik stel voor om Kants filosofie opnieuw te doordenken, door kritisch te bekijken welke elementen van zijn theorie met zijn seksisme en racisme samenhangen.’ In dat opzicht kunnen we nog wat leren van Kant zelf. ‘Toen hij zijn rassenhiërarchie opgaf, bracht hij ook veranderingen aan in zijn politieke theorie: hij introduceerde het wereldburgerrecht. Hij schrapte dus niet alleen zijn racistische vooroordelen, maar zag ook in dat andere elementen in zijn theorie die daarmee samenhingen veranderd moesten worden.’ Kleingeld hoopt dat denkers op die manier het hele theoretische bouwwerk van Kants filosofie opnieuw zullen doorlopen. ‘Veel aspecten van zijn filosofie zijn nog steeds ontzettend zinnig. Hij is niet voor niets een van de beroemdste filosofen. Maar we moeten alert zijn op sporen van racisme en seksisme als we zijn filosofie willen gebruiken in deze tijd.’ Dat betekent dat er nog veel werk aan de winkel is. Na drie eeuwen zijn we nog lang niet klaar met Kant.

Leren van foute denkers

Denkers die ideeën uiten die wij gevaarlijk vinden, worden ‘foute denkers’ genoemd. En van foute denkers willen we vaak af, zegt historicus Arnold Heumakers. Binnenkort verschijnt zijn boek Langs de afgrond, waarin hij het nut van foute denkers onderzoekt. Kant wordt doorgaans geen foute denker genoemd, maar zijn seksistische en racistische uitingen worden tegenwoordig wel bestempeld als ‘fout’. ‘De eerste reactie van mensen bij dat soort uitingen is meestal: “O, wat verschrikkelijk, weg ermee!”’ zegt Heumakers. Dat zie je ook in de huidige tijd: beelden moeten omver, straatnaambordjes veranderd, canons herschreven. Met racistische VOC-handelaren en seksistische bestuurders willen we niks te maken hebben, niet in het straatbeeld en ook niet in de boekenkast. Heumakers: ‘Dat lijkt mij een erg onhandige houding als je wilt begrijpen hoe we als beschaving in elkaar zitten. Als je een gedachte mijdt omdat die gevaarlijk is, verdwijnt het gevaar nog niet.’ Heumakers denkt dat mensen de neiging hebben de wereld te zien zoals ze willen dat die zou zijn, in plaats van zoals die is. ‘Zo is de moderne tijd nooit het progressieve paradijs geweest dat men er wel in heeft willen zien. Kapitalisme, kolonialisme en imperialisme vormen er de gewelddadige schaduwzijden van, zij het nooit zonder ambiguïteit, aangezien ze tegelijkertijd positief te waarderen zaken hebben gebracht, zoals welvaart, materiële vooruitgang en macht. Door je te verdiepen in foute denkers kun je een realistischer wereldbeeld verkrijgen. De Duitse auteur Ernst Jünger heeft eens geschreven: “Je leeft niet alleen van de daden van je vaders, maar ook van hun wandaden.” Ik raad daarom aan een kritische empathie op te brengen voor de dingen die in eerste instantie afkeer en vreemdheid opwekken – een serieuze poging om het foute denken als het ware van binnenuit te begrijpen.’ Die houding hoeft niet tot instemming te leiden. ‘Het gaat erom te begrijpen waar gedachten op gebaseerd zijn en hoe je die kunt plaatsen. Dan kun je nagaan of je van al die foute denkers niet ook iets zou kunnen opsteken dat nog altijd de moeite waard is, want bijna niemand is volledig fout. Cynisch of lacherig doen over opvattingen uit het verleden is een stuk makkelijker. Maar dan preek je altijd voor je eigen parochie en geef je jezelf een compliment – gelukkig heb jij de waarheid wel in pacht. Wij vinden wat we nu denken waar, maar dat vond Kant natuurlijk ook. En elke ideologie heeft zijn dode hoek. De ene pakt desastreuzer uit dan de andere, maar aan blinde vlekken ontkom je niet – wij ook niet.’