Home De weg naar de verlichte geest

De weg naar de verlichte geest

Door Michel Dijkstra op 15 januari 2008

01-2008 Filosofie magazine Lees het magazine

De middeleeuwse Zenmeester Dogen beschrijft in poëtische bespiegelingen de weg naar de verlichting. We zijn volgens hem het zicht op onze 'Boeddhanatuur' verloren door een te grote gehechtheid aan eigen gedachten, voorstellingen en verlangens.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


‘Wanneer de mens verlicht wordt, is dat als de weerspiegeling van de maan op het water. De maan wordt niet nat noch is het water gebroken. Ofschoon haar licht zich wijd uitstrekt, rust het in een klein beetje water. Zowel de hele maan als de volle omvang van de hemel rusten in een dauwdrop aan het gras, zelfs in een enkel waterdruppeltje. Verlichting tast de mens evenmin aan als de maan een gat breekt in het water. De mens biedt evenmin weerstand aan verlichting als de dauwdruppel aan de maan en de hemel. De diepte van de een is de hoogte van de ander.’

Deze poëtische bespiegeling over verlichting is geschreven door de zenmeester en dichter Dogen Kigen (1200-1253), één van de grootste Japanse filosofen. Hoewel hij na zijn dood bijna meteen vergeten werd en zijn lezerspubliek alleen uit aanhangers van een zenschool bestond, nam zijn bekendheid vanaf het begin van de twintigste eeuw enorm toe. Veel Japanse intellectuelen zagen in Dogens werk, dat door literaire bevlogenheid, natuurverering en gerichtheid op het hier en nu gekenmerkt werd, de hoogste uitdrukking van hun cultuur. Bovendien leken sommige van zijn ideeën sterk op theorieën uit de moderne westerse filosofie: zo dacht de zenmeester eeuwen vóór Martin Heidegger al na over de verhouding tussen zijn en tijd.
 
Dogens filosofisch oeuvre staat in de traditie van het boeddhisme, de wereldreligie die in de vijfde eeuw voor Christus gesticht werd door de Indiase wijze Siddharta Gautama, beter bekend als de Boeddha. In de aan hem toegeschreven ‘Vier Edele Waarheden’ geeft Boeddha zelf een fraaie samenvatting van zijn leer. Hij stelt in de eerste Waarheid dat het menselijk leven gekenmerkt wordt door ‘lijden’: een woord dat niet zozeer op hevige lichamelijke of geestelijke pijn slaat, maar eerder op een basaal gevoel van onrust, ontevredenheid en stress dat alle menselijke ervaringen vergezelt.

De Tweede Edele Waarheid werpt licht op de oorzaak van het lijden: de ‘dorst’. Volgens Boeddha is de mens voortdurend – vaak tevergeefs – bezig om zijn verlangens te bevredigen. Zelfs als hij erin slaagt om te krijgen wat hij wil, blijft de mens ongelukkig vanwege de angst om het weer kwijt te raken. Boeddha benadrukt dan ook dat het leven vergankelijk is; er is niets blijvends waar je je aan vast kunt klampen. De mens loopt echter weg voor dit vergankelijkheidsbesef omdat hij zich teveel aan zijn ego en zijn verlangens hecht, waardoor hij – volgens de oude Indiase reïncarnatieleer – steeds opnieuw wordt geboren en dus opnieuw lijdt.
Hoewel het leven een onplezierige aangelegenheid lijkt, bestaat er volgens Boeddha wel een uitweg uit het lijden. In de Derde Edele Waarheid ontvouwt hij een pad met acht stappen waardoor de mens kan leren om zijn ego en zijn verlangens los te laten. Wie erin slaagt om deze onthechting optimaal te ontwikkelen, ziet de Vierde Edele Waardheid, namelijk die van de verlichting. De verlichte mens is bevrijd uit de kringloop van wedergeboorten: hij bereikt het onbeschrijfelijke nirvana.

Na Boeddha’s dood werd zijn leer door diverse filosofen uitgewerkt. Al snel ontstonden er twee hoofdstromingen: Hinayana of ‘Het kleine voertuig’ en Mahayana of ‘Het Grote voertuig’. De Hinayana-aanhangers hielden zich voornamelijk bezig met het ontwikkelen van hun eigen verlichting, terwijl de Mahayana-boeddhisten juist de verlichting van alle levende wezens centraal stelden. Het belangrijkste Mahayana-ideaal is de Bodhisattva, een Boeddha die zijn eigen verlichting uitstelt om alle levende wezens belangeloos te helpen tot ze de verlichting hebben bereikt. Dankzij deze krachtige boodschap verwierf het Mahayana-boeddhisme veel aanhangers in India en later ook in China en Zuid-Oost-Azië. Toen het boeddhisme omstreeks de zesde eeuw na Christus Japan bereikte, had het al een zeer complexe, meer dan duizendjarige ontwikkeling doorgemaakt. Dogen probeerde in zijn denken een eigen visie op het Mahayana-boeddhisme te ontwikkelen, waarbij hij zich vooral liet inspireren door de Chinese Ch’an (Japans: zen)-school.
 

Vergankelijkheid

Voordat Dogen tot zijn originele interpretatie van het boeddhisme kwam, had hij een moeilijke weg te gaan. Traditionele biografieën vermeldden dat hij vóór zijn tiende zowel zijn vader als zijn moeder verloor. De jonge Dogen was diep onder de indruk van deze confrontatie met de vergankelijkheid en trad als monnik toe tot de Japans-boeddhistische Tendai-school. In het klooster ontwikkelde hij zich tot een briljante student met een bijna fotografisch geheugen voor teksten. Na een tijdje kreeg hij echter kritiek op de Tendai-leer, die samengesteld was uit heterogene leerstellingen van allerlei boeddhistische scholen uit China en India.

Dogens kritiek spitste zich toe op de Tendai-leer van de oorspronkelijke verlichting, die inhield dat iedereen vanaf zijn geboorte al verlicht was. De monniken van de Tendai-school onderbouwden deze leer met de opvatting dat ieder mens een volmaakte, ware aard bezat die ze ‘Boeddhanatuur’ noemden. Tegelijkertijd waren de monniken van mening dat je alleen verlicht kon worden door eindeloze studie en meditatie. Met deze twee activiteiten hielden zij zich dan ook elke dag bezig. Dogen stoorde zich aan de tegengestelde leerstellingen. ‘Waarom zou ik nog studeren en mediteren als ik toch al verlicht ben?’ vroeg hij zich af. Hij stelde deze vraag aan al zijn leraren, maar geen enkel antwoord kon hem bevredigen. In 1223 vertrok hij teleurgesteld naar China, waar hij ging studeren bij Ch’an-meester Ju Ching (1164-1228).

In China beoefende Dogen op aandringen van zijn strenge leraar dag en nacht zitmeditatie. Op een ochtend viel een monnik die naast hem zat te mediteren in slaap. Meester Ju Ching onstak in woede en schreeuwde tegen de monnik: ‘Als je zitmeditatie beoefent, vallen lichaam en geest weg. Hoe kun je dan in slaap vallen?’ Plotseling voelde Dogen een diepe vreugde: hij ervoer dat zijn lichaam en geest wegvielen. Toen Dogen zijn ervaring aan Ju Ching vertelde, antwoordde de meester dat hij de verlichting had bereikt. Prompt promoveerde Ju Ching hem tot een meester van zijn school, waardoor hij zelf meditatieonderwijs mocht geven.
 
Bij Dogens terugkeer in Japan in 1227 vroegen zijn voormalige ordegenoten welke heilige teksten of beelden hij uit China meenam. Laconiek antwoordde de pas aangestelde meester dat hij niets bij zich had: ‘Het enige dat ik weet is dat mijn neus verticaal en mijn ogen horizontaal staan.’ Toch was de reis naar China voor Dogen van cruciaal belang: hij had namelijk een antwoord gevonden op zijn filosofische vraag over de verlichting.
Door zijn ervaring in China begreep Dogen dat het onderscheid tussen de oorspronkelijke en de door lange training verworven verlichting wegviel tijdens het beoefenen van zitmeditatie. Hij stelde dat ieder mens ten diepste al verlicht was, maar dat deze verlichting zich alleen kon manifesteren in de beoefening. Als beste beoefeningsmethode raadde Dogen het ‘alleen maar zitten’ (shikan taza) zonder gehechtheid aan gedachten, gevoelens of het ego aan. Door jarenlange intensieve beoefening van zitmeditatie kan de mens plotseling de vreugde van zijn oorspronkelijke verlichting ervaren. Op die manier is verlichting geen doel dat je kunt bereiken, maar eerder iets dat je herontdekt als je iedere vorm van doelmatigheid opgeeft.

Dogens gedachten over zitmeditatie en verlichting vonden nauwelijks weerklank bij zijn ordegenoten. Hij had het hier niet gemakkelijk mee en klaagde dat hij het verspreiden van Boeddha’s Ware Leer in zijn land als een last ervoer. In 1232 begon de gefrustreerde zenmeester met het stichten van eigen kloosters, waaronder de beroemde Eiheiji (de ‘Tempel van de Eeuwige Vrede’) in de Japanse provincie Echizen. Met de bouw van dit grote complex ging Dogens wens van een eigen monnikengemeenschap in vervulling. Ondertussen werkte hij onafgebroken aan zijn filosofische meesterwerk de Shobogenzo of ‘De Schatkamer van het Oog van de Ware Leer’. In deze uitgebreide, bij vlagen zeer poëtische essaybundel ontvouwde Dogen zijn zenfilosofie. Vanzelfsprekend vormde zijn Chinese verlichtingservaring het uitgangspunt van zijn denken.
 
Eén van de beroemdste essays uit de Shobogenzo draagt de titel Bussho, dat ‘Boeddhanatuur’ betekent. Dogen begint dit stuk met een Chinees citaat uit een belangrijke Mahayana-tekst: ‘Alle levende wezens hebben zonder uitzondering de Boeddhanatuur’. Hij vertaalt dit echter zo in het Japans: ‘Alle bestaan is de Boeddhanatuur’. Met deze vertaling levert Dogen kritiek op de traditionele opvatting van het begrip ‘Boeddhanatuur’ als diepste aard van alle levende wezens die zij tijdens een vele levens durend leerproces kunnen realiseren. De zenmeester zag niets in deze opvatting, omdat het een dualisme veronderstelt tussen de mens en een door hem nagestreefd doel (de Boeddhanatuur). In plaats daarvan stelt Dogen dat de Boeddhanatuur er altijd al is: het is niet iets dat je kunt verwerven.

Bovendien bekritiseert Dogens eigenzinnige vertaling de traditionele voorstelling dat de Boeddhanatuur voorbehouden is aan de levende wezens. Hij breidt het concept uit tot alles wat bestaat: niet alleen mensen, dieren en planten, maar ook bergen, rivieren en zelfs stenen zijn de Boeddhanatuur. In feite zijn wijzelf en de hele wereld om ons heen verlicht; alles is volmaakt zoals het is. Net als de Boeddha stelt Dogen dat de mens zichzelf echter in de weg zit door zijn gerichtheid op zijn eigen ‘ik’. Door zich te hechten aan zijn eigen gedachten, voorstellingen en verlangens verliest de mens het zicht op de Boeddhanatuur. Om uit deze zelfgeschapen kooi te komen, raadt Dogen zijn lezers aan om zich te richten op het belangrijkste kenmerk van de Boeddhanatuur: de vergankelijkheid.

Volgens Dogen is alles wat bestaat onderhevig aan de vergankelijkheid. Evenals de Boeddha wijst hij het bestaan van een God of een andere eeuwige en transcendente instantie af. In het Bussho-essay stelt hij de Boeddhanatuur dan ook gelijk aan de vergankelijkheid: ‘Zodoende is de vergankelijkheid zelf van de grassen en bomen, bossen en wouden de Boeddhanatuur. De vergankelijkheid zelf van mensen en dingen, lichaam en geest, is de Boeddhanatuur.’ De mens die zich helemaal openstelt voor de vergankelijkheid ervaart logischerwijze zijn eigen Boeddhanatuur en daarmee die van alles en iedereen om hem heen.

Door deze diepe ervaring van de vergankelijkheid wordt de mens verlicht. Hij bereikt het nirvana, dat geen verheven, transcendente toestand, maar simpelweg een directe, niet door het discursieve denken gehinderde confrontatie met de wereld is. In het eerder aangehaalde citaat uit het essay Genjokoan (‘De werkelijkheid van de verwerkelijking’) vergelijkt Dogen de verlichte mens met de weerspiegeling van de maan in een dauwdruppel. Zoals de hele maan door het dauwdruppeltje aan het gras gereflecteerd wordt, zo weerspiegelt de verlichte geest de hele wereld zoals zij is. Deze maan-metafoor heeft Dogen overigens uit zijn eigen leven gegrepen. Volgens traditionele bronnen was hij een groot bewonderaar van de maan: op een beroemd portret kijkt hij glimlachend omhoog naar het hemellichaam.

Onthaasting

In de moderne New Age-cultuur worden termen als ‘zen’ en ‘verlichting’ op een heel andere manier geïnterpreteerd dan door Dogen. Het woord ‘zen’ roept tegenwoordig vooral associaties op met onthaasting en lekker tot jezelf komen, terwijl ‘verlichting’ door sommige spirituele bladen gezien wordt als onderdeel van een genotscultus. Zo kun je naast het ondergaan van een ontspannende massage of het branden van zoet ruikende wierook ook aan je verlichting werken.

Voor Dogen hebben zen en verlichting echter niets te maken met een dergelijk hedonisme. De verlichting vormt niet het gelukzalige eindpunt van het spirituele pad, maar eerder het begin. Door de verlichting voelt de mens namelijk een diepe verbondenheid met alle levende wezens, die net zo vergankelijk zijn als hijzelf. Vanuit deze verbondenheid staat de verlichte mens spontaan klaar om alle lijdende wezens te helpen. In plaats van zich terug te trekken in zijn innerlijk, staat hij juist middenin de wereld.

In het essay Uji (‘Zijn-tijd’) verbindt Dogen zijn gedachten over verlichting, Boeddhanatuur en vergankelijkheid met een theorie over de eenheid van zijn en tijd. Vanuit zijn overtuiging dat alles noodzakelijkerwijze in de tijd bestaat, komt hij tot een gelijkstelling van beide begrippen: ‘Bergen zijn tijd en oceanen zijn tijd. Indien zij geen tijd waren, zouden er geen bergen en oceanen zijn. Indien de tijd vernietigd wordt, worden de bergen en oceanen vernietigd.’ Omdat zijn en tijd beide onderhevig zijn aan de vergankelijkheid, vallen ze samen met de Boeddhanatuur.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Dogen het ervaren van de zijn-tijd als mogelijkheid ziet om de Boeddhanatuur te leren kennen. Hij stelt dat zijn-tijd iets is dat ‘voorbijstroomt zonder voorbij te stromen’. Hiermee bedoelt hij dat de tijd weliswaar verstrijkt, maar dat het nu-moment steeds blijft bestaan. In het ‘nu’ is het hele heden, verleden, toekomst en daarmee alles wat bestaat, bestond en zal bestaan aanwezig: de gehele onuitsprekelijke volheid van de Boeddhanatuur. De beste manier om het ‘nu’ te ervaren is volgens Dogen shikan taza, het zitten in meditatie.

Hoewel Dogens filosofie zeer abstracte theorieën bevat, verwijst zij uiteindelijk naar de meditatieve praktijk en het je zonder vooroordelen openstellen voor de mysterieuze schoonheid van de wereld. Nog sterker dan in Dogens wijsgerige werk komt deze gevoeligheid tot uiting in de vele, serene zengedichten van zijn hand:
 
Ochtend na ochtend komt de zon op uit het oosten,
Iedere nacht gaat de maan onder in het westen;
Waar wolken verdwijnen, worden bergkammen zichtbaar,
Houdt regen op, zijn omliggende bergen laag.

Michel Dijkstra