Log in

Wachtwoord vergeten?

Word lid Log in Contact

Filosofie.nl

FM nr. 10/2020

De opstand van de verliezers

Michael Sandel

Westerse samenlevingen maken hun meritocratische belofte – beloning naar verdienste – steeds minder waar. Toch oordeelt de meritocratie keihard over de verliezers: eigen schuld. Zij voelen zich vernederd.

De democratie verkeert in zwaar weer. Dat is te zien aan de toenemende vreemdelingenhaat en de groeiende steun voor antidemocratische figuren die aan alle kanten de grenzen van het democratische proces opzoeken. En gevestigde partijen en politici lijken maar heel weinig te begrijpen van de onvrede die overal ter wereld de politiek doet gisten en kolken.

Het is een vergissing om populistisch protest te beschouwen als niet meer dan racisme, of om er alleen maar economische onvrede achter te zoeken. Zowel de triomf van de brexiteers als de verkiezing van Donald Trump in 2016 was een boze veroordeling van tientallen jaren gestaag groeiende ongelijkheid en van een type mondialisering dat alleen de bovenste lagen van de maatschappij veel oplevert. Het was ook een afwijzende reactie op een technocratische benadering van de politiek, die doof is voor het ressentiment van mensen die het gevoel hebben niet meer mee te kunnen komen in hun eigen economie en cultuur.

Waar komt het ressentiment vandaan dat zoveel kiezers uit de arbeiders- en middenklasse blijken te voelen jegens de elites? Het antwoord begint met de steeds groter wordende ongelijkheid van de afgelopen decennia, maar het gaat dieper. In laatste instantie heeft het iets te maken met de veranderende voorwaarden voor maatschappelijke erkenning en waardering.

In het tijdperk van de mondialisering zijn de beloningen ongelijk verdeeld, en dat is nog zwak uitgedrukt. In de De hedendaagse meritocratie is verworden tot een erfelijke aristocratie Verenigde Staten is het grootste deel van de stijging van het nationale inkomen sinds de late jaren zeventig naar de bovenste 10 procent gegaan, terwijl de onderste helft van de bevolking daar vrijwel niet van heeft geprofiteerd.

Maar zelfs deze explosie van ongelijkheid is niet de belangrijkste bron van populistische woede. De Amerikanen hebben ongelijkheid in inkomen en bezit lang getolereerd, omdat ze geloofden dat het in Amerika, ongeacht waar je vandaan komt, altijd mogelijk is om van krantenjongen op te klimmen tot miljonair.

De hedendaagse meritocratie is verworden tot een erfelijke aristocratie.

De retoriek van gelijke kansen wordt krachtig samengevat in de slogan dat degenen die hard werken en zich aan de regels houden in staat zouden moeten zijn om ‘zover op te klimmen als hun talenten hen maar kunnen brengen’. Deze retoriek van het opklimmen lijkt inmiddels echter een reeks holle frasen. In de hedendaagse economie is het niet eenvoudig om vooruit te komen in de wereld. Amerikanen die zijn geboren als kinderen van arme ouders zijn over het algemeen als volwassenen nog steeds arm. De hoogste lagen van de maatschappij zijn erin geslaagd om hun privileges te bestendigen en door te geven aan hun kinderen. De hedendaagse meritocratie is verworden tot een erfelijke aristocratie.

Tirannie van de verdienste

Het probleem met de meritocratie is niet alleen dat ideaal en praktijk ver uiteenlopen. Als dat het geval was, zou de oplossing liggen in het streven naar grotere kansengelijkheid en een samenleving waarin mensen ongeacht hun afkomst werkelijk zover kunnen opklimmen als hun eigen aanleg en inspanning hen kunnen brengen. Het valt echter te betwijfelen of zelfs zo’n volmaakte meritocratie in ethisch of politiek opzicht wel bevredigend zou zijn.

Ethisch gezien is onduidelijk waarom de getalenteerden onder ons de buitensporige beloningen verdiend hebben waarmee marktgedreven samenlevingen succesvolle mensen overladen. Is het werkelijk je eigen verdienste of schuld dat je al dan niet over bepaalde talenten beschikt? Als dat niet aan jezelf te danken is, valt moeilijk in te zien waarom degenen die opklimmen dankzij hun talenten daarvoor een hogere beloning zouden verdienen dan anderen.

De enthousiastelingen die het meritocratische ideaal tot de kern van hun politieke project maken, zien deze ethische kwestie over het hoofd. Ze negeren ook iets wat meer politieke potentie heeft: de moreel verwerpelijke houding die het meritocratische ethos bij zowel winnaars als verliezers oproept. Bij de winnaars leidt het tot hoogmoed en bij de verliezers tot gevoelens van vernedering en ressentiment.

Deze morele sentimenten liggen aan de kern van de populistische revolte tegen de elites. De populistische onvrede is niet primair een protest tegen immigratie en het verplaatsen van werkgelegenheid naar het buitenland, maar tegen de tirannie van verdienste. En die onvrede is gerechtvaardigd.

De onophoudelijke nadruk op het scheppen van een eerlijke meritocratie, waarin iemands maatschappelijke positie een weerspiegeling is van zijn aanleg en inspanning, heeft een corrumperend effect op de wijze waarop we ons succes (of het gebrek daaraan) interpreteren. Het denkbeeld dat het systeem aanleg en inspanning beloont zet de winnaars ertoe aan om hun succes te beschouwen als iets dat ze volledig op eigen kracht behaald hebben – een teken van hun deugdzaamheid – en om neer te kijken op mensen die het minder goed getroffen hebben dan zij.

Deze meritocratische hoogmoed verraadt de neiging van de winnaars om zich te laten bedwelmen door hun eigen succes, en daarbij alle geluk en voorspoed buiten beschouwing te laten die hen op weg hebben geholpen. Degenen die aan de top belanden, geloven vol zelfvoldane overtuiging dat ze hun lot verdiend hebben en dat dat ook geldt voor de mensen die aan de onderkant terechtkomen.

Een volmaakte meritocratie verdrijft alle besef dat het goede waarvan we genieten een geschenk is, of een genadeblijk, en dat vermindert ons vermogen om onszelf te zien als mensen die allen hetzelfde lot delen. Een perfecte meritocratie laat weinig ruimte voor de solidariteit die kan ontstaan wanneer we ons realiseren hoe lukraak talenten worden uitgedeeld en hoe willekeurig het lot ons kan begunstigen of zwaar kan treffen. Dat is de reden waarom ‘loon naar verdienste’ een vorm van tirannie is – een onrechtvaardig regime.

Van onderaf gezien is de hoogmoed van de elites werkelijk hemeltergend. Niemand vindt het leuk om geminacht te worden, maar het meritocratisch geloof stapelt de ene belediging op de andere. Het denkbeeld dat je je lot in eigen handen hebt – you can make it if you try – is een tweesnijdend zwaard. Het feliciteert de winnaars, maar kleineert de verliezers, zelfs in hun eigen ogen. Want voor mensen die geen werk kunnen vinden of met dat werk niet in hun onderhoud kunnen voorzien, is het moeilijk om te ontkomen aan de ontmoedigende gedachte dat ze dat aan zichzelf te wijten hebben, en dat het hun eenvoudigweg ontbreekt aan voldoende aanleg en inzet om te slagen in het leven.

 

Morele deugden

Op zich is de gedachte dat een samenleving bestuurd dient te worden door degenen die zich verdienstelijk hebben gemaakt niet typisch iets voor onze tijd. Confucius leerde al dat het landsbestuur in handen diende te liggen van lieden die uitmuntten in deugd en kunde. Plato filosofeerde over een samenleving die werd geleid door een filosoofkoning, ondersteund door een klasse van wachters met hart voor de publieke zaak. Aristoteles betoogde dat de verdienstelijken in kwesties van algemeen belang de grootste invloed zouden moeten uitoefenen. Daarbij ging het hem om uitmuntendheid in burgerdeugd en phronesis, de praktische wijsheid die een mens in staat stelt om op deugdelijke wijze na te denken over het algemeen belang. De stichters van de Amerikaanse republiek noemden zichzelf Men of Merit (Mannen van Verdienste) en hoopten dat deugdzame, over kennis van zaken beschikkende lieden zoals zijzelf in hoge ambten verkozen zouden worden.

In deze traditionele versies van de politieke meritocratie wordt zonder uitzondering aangenomen dat de verdiensten die relevant zijn voor het landsbestuur ook morele en burgerdeugden omvatten, en dat het bevorderen van het algemeen welzijn op z’n minst gedeeltelijk bestaat uit ethische scholing van de burgers. Maar onze technocratische versie van de meritocratie heeft de band tussen verdienste en morele oordelen verbroken. Binnen het domein van de economie gaan aanhangers van onze meritocratie er simpelweg vanuit dat het algemeen welzijn samenvalt met het bbp, en dat de waarde van de bijdrage die mensen leveren gelijk is aan de marktwaarde van de goederen of diensten die ze verkopen. Binnen het overheidsdomein wordt wat iemand waard is afgemeten aan zijn of haar technocratische expertise.

Is het werkelijk je eigen verdienste dat je over bepaalde talenten beschikt?

Dit is goed te zien aan de toenemende invloed van economen op het beleid, de groeiende rol van marktmechanismen bij het bepalen wat het algemeen belang inhoudt en hoe dat na te streven, en het feit dat het publieke discours er niet in slaagt om zich bezig te houden met de grote ethische en maatschappelijke vraagstukken die juist in de kern van het politieke debat zouden moeten liggen: wat dienen we te ondernemen tegen de stijgende ongelijkheid? Wat is de ethische betekenis van landsgrenzen? Wat verschaft de arbeid waardigheid? Wat zijn we elkaar als burgers verschuldigd?

De technocratie heeft de reikwijdte van het gehele maatschappelijke project sterk ingeperkt. Tegenwoordig wordt het algemeen welzijn voornamelijk in economische termen gezien. Wat tegenwoordig doorgaat voor politieke discussie bestaat of uit uiterst beperkt technocratisch managementjargon dat niemand inspiratie biedt, of uit scheldpartijen waarbij sterk bevooroordeelde deelnemers langs elkaar heen schreeuwen.

Dit holle publieke discours laat burgers van over het hele politieke spectrum met een boos en machteloos gevoel achter. Ze hebben terecht het gevoel dat het ontbreken van een robuust maatschappelijk debat niet inhoudt dat er geen beleidsbeslissingen worden genomen, maar dat dat nu elders gebeurt – in achterkamertjes, door allerlei bestuursorganen (die vaak in de ban zijn geraakt van de industrieën die ze reguleren), door centrale banken en obligatiemarkten, en door lobbyisten voor het grote bedrijfsleven die met hun bijdragen aan verkiezingscampagnes invloed kopen op gekozen ambtsdragers.

Maar dat is nog niet alles. Onze op technocratische kwalificaties gegrondveste meritocratie heeft de voorwaarden voor maatschappelijke erkenning zodanig herschreven dat het prestige van over allerlei diploma’s en certificaten beschikkende mensen in hooggeschoolde beroepen steeds verder is toegenomen, en dat de handarbeiders en het kantoorpersoneel over het algemeen juist steeds minder maatschappelijk aanzien zijn gaan genieten. Dit aspect van de meritocratie is de meest rechtstreekse oorzaak van de boze, gepolariseerde politiek van onze tijd.

Recept voor disharmonie

Zestig jaar geleden voorzag de Britse socioloog Michael Young de hoogmoed en het ressentiment die door de meritocratie worden opgewekt. Sterker nog: hij was degene die de term ‘meritocratie’ voor het eerst hanteerde. In zijn boek The Rise of the Meritocracy (1958) vroeg hij zich af wat er zou gebeuren als op een dag de barrières tussen de verschillende klassen geslecht zouden worden, zodat iedereen werkelijk over gelijke kansen zou beschikken om zich uitsluitend op basis van eigen verdienste een plaats te verwerven op de maatschappelijke ladder.

In één opzicht zou dit zeker een verheugende ontwikkeling zijn: de kinderen uit de arbeidersklasse zouden nu eindelijk op eerlijke wijze kunnen wedijveren met de kinderen van de bevoorrechten. Toch zou een perfecte meritocratie volgens Young geen onverdeelde triomf zijn, want bij de winnaars zou die ongetwijfeld tot hoogmoed leiden, terwijl de verliezers zich vernederd zouden voelen. De winnaars zouden hun succes beschouwen als een ‘terechte beloning voor hun eigen vermogens, hun eigen inspanningen en hun eigen onloochenbare prestaties’, en zouden daarom neerkijken op mensen die het minder ver geschopt hadden. Degenen die er niet in waren geslaagd om op te klimmen zouden het gevoel krijgen dat ze dat uitsluitend aan zichzelf te wijten hadden.

Wat Young betrof was een meritocratie geen nastrevenswaardig ideaal, maar een recept voor sociale disharmonie. Meer dan een halve eeuw geleden voorzag hij al de grimmige meritocratische logica die nu onze politiek vergiftigt en de drijvende kracht vormt achter de populistische woede. Voor degenen die zich gekrenkt voelen door de tirannie van verdienste ligt het probleem niet alleen in stagnerende lonen, maar ook in het verlies van maatschappelijk aanzien.

Het door technologische ontwikkelingen en outsourcing naar het buitenland veroorzaakte banenverlies heeft zich gelijktijdig voorgedaan met de opkomst van het gevoel dat de samenleving steeds minder respect koestert voor het soort werk dat de arbeidersklasse doet. Naarmate het zwaartepunt van de economische bedrijvigheid is verschoven van de maakindustrie naar het managen van geld, en onze samenleving buitenproportionele beloningen is gaan toekennen aan fondsmanagers, bankiers en mensen in universitair geschoolde beroepen, is de waardering voor arbeid in de traditionele zin des woords steeds brozer en onzekerder geworden.

De gevestigde partijen en elites zien deze dimensie van de politiek over het hoofd. Ze denken dat het probleem met de marktgedreven mondialisering simpelweg een kwestie van verdelende rechtvaardigheid is: degenen die hebben gewonnen bij de wereldhandel, de nieuwe technologieën en de financialisering van de economie hebben de verliezers niet voldoende schadeloosgesteld. Maar zo worden de klachten van de populisten verkeerd begrepen, en bovendien weerspiegelt deze manier van denken een tekortkoming in de technocratische benadering van het landsbestuur. Veertig jaar van marktgedreven mondialisering heeft het maatschappelijk debat uitgehold, gewone burgers machteloos gemaakt en een populistische reactie opgeroepen die ernaar streeft om de leemte in het publieke domein te vullen met een onverdraagzaam en wraakzuchtig nationalisme.

Om de democratische politiek nieuw leven in te blazen, dienen we onze weg te zoeken naar een maatschappelijk debat dat in ethisch opzicht robuuster is dan het huidige en dat oog heeft voor de ondermijnende uitwerking van het meritocratische streven op de maatschappelijke banden die de basis vormen van ons gemeenschapsleven.

Dit is een ingekorte en licht bewerkte versie van het eerste hoofdstuk uit het boek De tirannie van verdienste, dat in Nederlandse vertaling verschijnt bij uitgeverij Ten Have.

De tirannie van verdienste. Over de toekomst van de democratie
Michael Sandel, vertaald door Rogier van Kappel en Huub Stegeman
Ten Have
368 blz. | € 24,99

 

Beeld Matt Rourke/AP en Bert Beelen/Hollandse Hoogte.