Is het mogelijk om met één woord de aandacht te vestigen op wat extreem staatsgeweld kan betekenen voor gewone mensen? Dat was de vraag die de Pools-Joodse jurist Raphael Lemkin (1900-1959) dreef om in 1944 het begrip ‘genocide’ te munten. Hij was geschokt door het geweld van de Ottomanen tegen de Armeniërs in Turkije – later bekend geworden als de Armeense genocide – en door het feit dat de daders vrijuit gingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verloor Lemkin zelf negenveertig familieleden in de kampen, getto’s en dodenmarsen van het nazisme.
In oorlogsverhalen draaide het tot begin twintigste eeuw vooral om de grote helden en verliezers op het slagveld, vertelt filosoof Yolande Jansen (1970). ‘Er was nog geen woord voor de gruweldaad die met regelmaat werd voltrokken in de schaduw van de strijd: de totale vernietiging van hele beschavingen die niet direct betrokken zijn bij die militaire conflicten. Met de term genocide – een combinatie van genos, “volk”, en cide ,“doden” – wilde Lemkin een juridische lacune opvullen. Binnen het internationaal recht werden individuele moorden bestraft, maar konden staten zonder gevolgen miljoenen mensen ombrengen.’
Jansen is universitair hoofddocent filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en was tot voor kort bijzonder hoogleraar humanisme, religie en seculariteit aan de Vrije Universiteit. Ze is geïnteresseerd in hoe taal onze blik op de werkelijkheid stuurt en in de manieren waarop geweld door taal gelegitimeerd kan worden. ‘De Amerikaanse filosoof Judith Butler spreekt over frames of war: de woorden en beelden die wij in een oorlog aangereikt krijgen, vormen niet alleen wie we als dader of slachtoffer zien; ze beïnvloeden welke mensenlevens we überhaupt als waardevol herkennen en welke niet. Zulke kaders worden zelf een wapen in de oorlog. Ieder concept, en dus ook “genocide”, sluit bepaalde dingen in en andere uit – en daar spelen machtsverhoudingen een grote rol in.’
In de huidige tijd is ‘genocide’ niet alleen een juridische term, maar ook een beladen politiek woord. Tegelijkertijd lijken we het er niet altijd over eens te zijn wat genocide precies is. Hoe heeft Lemkin het destijds bedoeld?
‘Hij zag genocide als een verschijnsel dat regelmatig voorkomt tijdens imperiale en koloniale expansie. Het was een algemeen begrip voor de fysieke en culturele vernietiging van menselijke sociale groepen. Een belangrijk aspect ervan was om burgers van soldaten te onderscheiden, om ze te kunnen beschermen. Maar dat onderscheid is vanaf het begin een heikel punt geweest. Dat heeft eraan bijgedragen dat slachtoffers van genocide een soort perfect victims moeten zijn: ze mogen alleen maar slachtoffer zijn en niet óók lid van een gewapende verzetsgroep.
Na de oorlog vond Lemkin gehoor voor zijn voorstel bij de Verenigde Naties, maar moest hij ook toekijken hoe er aan zijn definitie gesleuteld werd. De onderhandelende partijen – de Amerikanen, Russen, Fransen en Britten – waren bang dat zijzelf van genocide beticht zouden kunnen worden. Bijvoorbeeld vanwege het geweld in de Europese koloniën, de burgerslachtoffers door het bombardement op Dresden, de extreme onderdrukking van de zwarte bevolking van de VS – ook nog na de slavernij – en de massaexecuties van Stalins politieke tegenstanders.’
Tekst loopt door onder afbeelding

Wat is er toen mee gebeurd?
‘Er is in 1948 een beperkte versie van het begrip vastgelegd in het internationaal recht. In het Genocideverdrag wordt gesproken van “handelingen, gepleegd met de bedoeling om een nationale, etnische, religieuze groep, dan wel een groep behorend tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen”. De nadruk ligt dus expliciet op raciale, etnische of religieuze groepen. Politieke groepen blijven onbenoemd als mogelijke slachtoffers. Volgens genocidewetenschapper Dirk Moses maakt dat politieke tegenstanders, maar ook gewone burgers, in oorlogssituaties kwetsbaar voor vernietiging in naam van militaire noodzaak, zelfverdediging of interventie.
De Vietnamoorlog werd door de VS gevoerd vanwege de “noodzaak” om het communisme uit te schakelen. Er zijn toen waarschijnlijk ongeveer twee miljoen burgerslachtoffers gevallen. Zij worden niet beschouwd als slachtoffers van genocide. Het schenden van burgerlijke immuniteit op grond van veiligheid is sinds 1948 veel vaker en op grotere schaal voorgekomen dan genocide volgens de strikte definitie.’
Bedoelt u dat de manier waarop het woord genocide wordt gebruikt genocide juist in de hand zou kunnen werken?
‘Ja, want de vernietiging van burgers om politieke redenen wordt minder zichtbaar. Deze slachtoffers kunnen ook vallen wanneer de intentie om een genocide volgens de nauwe definitie te voorkomen, overgaat in wat Moses het streven van staten naar “permanente veiligheid” noemt. Het gaat daarbij niet langer om het bestrijden van feitelijke dreiging – de vijand die daadwerkelijk aan je grenzen staat. Staten proberen in zo’n geval iedere mogelijkheid dat ze aangevallen worden uit te schakelen. In Israël wordt bijvoorbeeld gezegd dat Joodse mensen al in gevaar zijn als zij demografisch in de minderheid zijn. Het idee dat je een minderheid kunt zijn in een staat waarin iedereen gelijke rechten heeft, wordt daardoor ondermijnd.
Wat daarbij komt: genocide is uitgegroeid tot de misdaad der misdaden. We kennen natuurlijk andere categorieën, zoals oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Maar er is een reflex om een misdaad die niet gedefinieerd wordt als genocide ook minder erg te vinden. De Holocaust is bovendien een bepalende rol gaan spelen in ons idee van hoe een genocide eruitziet. Zelfs als iets gedefinieerd wordt als genocide, is die niet zo uniek als de Holocaust. Maar het feit dat die genocide unieke elementen bevatte, betekent niet dat je die nooit met een andere genocide kunt vergelijken. Bovendien kan een andere genocide evengoed op een eigen manier uniek zijn.’
De juridische verplichtingen zijn bij genocide anders dan bij etnische zuivering: staten zijn wettelijk verplicht om genocide actief te voorkomen en te bestraffen.
‘In 2024 heeft het Internationaal Gerechtshof geoordeeld dat Israël “onmiddellijke en effectieve maatregelen” moest nemen om Palestijnen tegen genocide te beschermen. Dat is niet gebeurd. Je ziet dat zelfs als de term “genocide” in het spel is, er allerlei machten en krachten werkzaam zijn die het gewicht van dat woord bepalen. Je zag dat ook gebeuren in Congo, Rwanda, Joegoslavië.’
Intentie speelt een grote rol bij het vaststellen of er sprake is van genocide. Er moet bewezen worden dat daders erop uit zijn een groep “als zodanig” te vernietigen. De nazi’s kwamen tijdens de Wannseeconferentie bijeen om de genocide op de Joden te coördineren. Er zijn nota’s bewaard gebleven waardoor de geplande vernietiging zwart op wit staat. Maar dat is een unieke situatie: in veel gevallen proberen daders een genocide te verbloemen. Hoe kun je dat doorbreken?
‘Een genocide vindt eigenlijk altijd plaats binnen de context van een staat of een grootschalig georganiseerde groep, want die heeft de macht om vernietiging op grote schaal uit te voeren. Maar intentie schrijven we juist toe aan individuen. Er lijkt inmiddels soms sprake van straffeloosheid: zelfs als individuele daders eerlijk zijn over hun intenties, kan er nog niet over een collectieve intentie worden gesproken en kan deze dus niet worden vastgesteld.
Je kunt intentie echter ook opvatten als: in de maatschappij structureel de mogelijkheid scheppen om een genocide uit te voeren. Het draait dan niet om de intenties van een individu, maar om een opeenstapeling van handelingen die de geesten in de maatschappij rijp maakt: een groep isoleren en demoniseren, uitspraken doen die aanzetten tot haat, moordpartijen, grenzen sluiten, water, voedsel en sanitaire voorzieningen ontoegankelijk maken en signalen uit de internationale gemeenschap negeren. Dat sluit aan bij hoe wetenschappers genocide begrijpen: niet als een ja-of-nee-vraag, maar als een proces. De optelsom van misdaden en de maatschappelijke rechtvaardiging in taal en beeld om die te plegen, maakt iets tot genocide.’
Ondanks alle kritiek is het begrip niet meer weg te denken uit de wetenschap en het publieke debat. Hoe kunnen we er verstandig mee omgaan?
‘Filosoof Hannah Arendt verklaarde genocide uit de haat tegen specifieke groepen mensen en zag genocide vooral als een mogelijkheid van totalitaire maatschappijen. Filosofen van de kritische theorie plaatsten genocide, maar ook massavernietiging door de atoombom, in een bredere context waarin ook de ontwikkeling van technologie en wetenschap een rol spelen. Filosoof Theodor Adorno begreep Auschwitz als een product van de moderniteit, dat behalve door technologie en wetenschap ook mogelijk werd gemaakt door het kapitalisme.
We hebben meer woorden nodig om te begrijpen wat er om ons heen gebeurt. Een woord dat daaraan recht doet, is “omnicide”: de vernietiging van al het menselijke leven. De atoombommen op Hiroshima en Nagasaki worden niet beschouwd als genocide, maar zijn wel onderdeel van dezelfde destructieve krachten. Je kunt in het heden ook het opzeggen van kernwapenverdragen, net als ecologische destructie, niet los zien van genocide. Dat geldt ook voor de neokoloniale houding van het Westen: het feit dat wij geloven recht te hebben op grondstoffen uit de rest van de wereld waarmee we onszelf ten koste van de lokale bevolking verrijken. Het is van belang om al die vormen van vernietiging te omvatten en de samenhang ertussen te zien.’
Wat betekent dat voor de definitie van genocide?
‘Het zou in ieder geval goed zijn als we terugkeren naar de oorspronkelijke definitie van Lemkin: genocide is de vernietiging van menselijke groepen. Die definitie biedt meer ruimte voor de uiteenlopende manieren waarop genocide gestalte krijgt. Het biedt ruimte aan het idee dat genocide ook een cultureel proces is en dat het zich langzaam en structureel kan voltrekken. In de context van het Israëlische geweld in Gaza en Libanon worden verschillende woorden voor genocide ingevoerd om de afzonderlijke dimensies ervan te specificeren, afhankelijk van de manier waarop de vernietiging voltrokken wordt. Bijvoorbeeld “urbicide”, wat het verwoesten van een stad betekent. Of “medicide”: de vernietiging van de infrastructuur van een zorgsysteem, waardoor er geen gezondheidszorg geboden kan worden en mensen ernstig lijden en komen te overlijden.’
De gevolgen van genocidaal geweld beperken zich volgens filosoof Aimé Césaire niet tot de plek waar dat plaatsvindt. Wat gebeurt er in de rest van de wereld?
‘Césaire muntte in de context van het Europese kolonialisme het begrip choc en retour, een term die ook wel met “boemerangeffect” wordt vertaald: het geweld dat imperiale machthebbers in andere delen van de wereld plegen, keert uiteindelijk terug in het moederland. We raken murw geslagen. Door de acceptatie van extreem geweld in koloniale contexten ontstaat er een neerwaartse spiraal waarin dat geweld ook in de “liberale democratie” wordt geaccepteerd. Volgens Césaire was de Holocaust de uiterste consequentie van eeuwenlang koloniaal geweld. Zijn waarschuwing is uiterst actueel: zolang wij in een ander deel van de wereld excessief geweld toestaan en er zelfs medeplichtig aan zijn of ervan profiteren, zullen Europese maatschappijen zelf steeds gewelddadiger worden.’

