Home Sport Portretten: Spelen
Sport

Portretten: Spelen

Vier spelers over de vraag: wat is spelen eigenlijk?

Door Gwendolyn Bolderink op 18 november 2022

spelen spel beeld Merlijn Doomernik
FM 12 cover spel spelen schaakbord ballerina
12-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Ik mag niet opvallen tijdens het spel’

Preston Henshuijs (29) uit Amsterdam
is scheidsrechter bij de KNVB en senior adviseur bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Preston Henshuijs scheidsrechter spelen

‘Op mijn vijftiende raakte ik geblesseerd. Ik floot al weleens wedstrijden, maar door mijn blessure moest ik een besluit nemen: blijven voetballen terwijl ik wist dat ik nooit de top ging halen of op jonge leeftijd starten als scheidsrechter. Mijn talent ligt bij het fluiten, het leiden van het spel, dus ik besloot me daarop te focussen.

Ik zeg weleens: het leven is één groot spel. Net als in voetbal heb je in het leven bepaalde doelstellingen en ambities. En met die ambities moet je een beetje spelen; misschien stel je je doelen wat bij of liggen je talenten toch ergens anders. Om die ambities te bereiken moet je inlevingsvermogen en overtuigingskracht hebben, en dat is precies wat een scheidsrechter ook moet kunnen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Spelen gaat over het maximale uit jezelf willen halen. Door het competitieve element van wedstrijden kan er veel speelsheid in de mens vrijkomen. Speelsheid doet me denken aan een klein kind dat ongeremd is. Dat ongeremde zie je ook bij volwassenen die soms ten koste van alles willen winnen. Dan is het aan de scheidsrechter om de grenzen van het toelaatbare aan te geven.

Het is het mooist als de scheidsrechter tijdens een wedstrijd niet opvalt. Maar zonder scheidsrechter vindt er geen spel plaats. Want wie bepaalt wie er mag inwerpen? Wie bepaalt welke partij een vrije schop krijgt? Zonder scheidsrechter wordt het een ongeorganiseerd zooitje. Voetballen en scoren moeten de spelers zelf doen, maar alles eromheen – onder welke omstandigheden en binnen welke kaders het spel plaatsvindt – bepaalt de scheidsrechter.’

‘Als ik speel, mag ik alles’

Noor Bolderink (5) uit Zaandam
is een kind

Noor Bolderink kind spelen

‘Heel soms speel ik niet. Dan zit ik gewoon in het niks. Dan kijk ik naar andere kinderen en naar wat ze maken. Soms maken ze een puzzel of een tekening. Dan zijn zij dus aan het spelen.

Ik moet ook weleens opruimen na het spelen. Dat vind ik niet zo leuk, want dan móét ik dingen doen van mama of papa. Terwijl als ik aan het spelen ben, dan mag ik alles. En dan kan ik ook alles doen wat ik wil, zoals regenboogkastelen bouwen. Die bestaan niet in het echt. Of soms, als ik vadertje en moedertje speel, dan ben ik het hondje! Dan doe ik woef woef. Maar je kan niet echt een hondje zijn, hoor!

Het liefst ben ik aan het knutselen en tekenen. Dat vind ik leuk omdat je er zoveel dingen mee kan doen: je kan bloemen tekenen, mobieltjes maken of een ruimteschip bouwen. Het gaat weleens mis. Laatst was ik een rainbow aan het tekenen en toen mislukte die: hij was helemaal scheef. Maar dat maakt niet uit, want toen heb ik wel lekker gespeeld. Net als toen ik laatst met een vriendinnetje chocoladecupcakes ging maken. Die vind ik niet lekker, want ik hou niet van donkere chocolade. Alleen witte vind ik lekker. Toch vond ik het wel heel leuk om te doen.

Wat spelen is? Het is in elk geval iets wat je samen doet. Als ik samen met een vriendje een tekening maak, dan wordt die bijna altijd mooier, want dan bedenken we allebei dingen en maken we samen een nieuwe wereld.

Nu ga ik een tijdschrift maken. Ik vouw al deze papiertjes dubbel, en dan kom jij op deze pagina. Ik ga je ook wat vragen stellen: wat zijn je hobby’s?’

‘Ik speel ook met de toeschouwer’

Luca Bryssinck (25) uit Antwerpen
is toneelspeler bij toneelgezelschap ’t Barre Land

Luca Bryssinck acteur actrice toneelspeler spelen

‘Op het moment dat de wind harder waait, stop ik met praten om te luisteren. Als er een insect voorbijkruipt, ben ik stil en kijk ik even. Vorige zomer speelde ik de monoloog I Love Nature van Nora Ramakers, waarin ik van de natuur mijn tegenspeler maakte. Spelen zit voor mij in de interactie met de ander. Ook bij een monoloog ben je in dialoog. Zelfs een kostuum kan een tegenspeler zijn, bijvoorbeeld als je wollen sokken draagt op een tapijt. Door zintuiglijke dingen aan een stuk toe te voegen ontstaat er iets waar je op kunt reageren. En het publiek is sowieso altijd aanwezig als tegenspeler. Als iemand iets roept tijdens een voorstelling zou ik het onnozel vinden als je daar als acteur niet op reageert. Je speelt in die zin ook met de toeschouwers. 

Spelen betekent openstaan voor de invloed van de ander en de ander willen beïnvloeden. Het is ongeveer weten wat je gaat doen, maar tegelijk volledig openstaan voor elke verandering die zou kunnen komen. Dus ik weet wat mijn tekst is en waar ik naartoe wil lopen, maar als mijn collega op een andere plek gaat staan, dan ga ik daar misschien ook naartoe. Op het moment dat alles op voorhand vastligt, ben je slechts iets aan het nadoen wat je tijdens het repetitieproces hebt bedacht.

Wanneer ik helemaal opga in het spel? Als ik oprecht kijk en luister. In die solo die ik speelde, raakte ik ontroerd door de natuur om me heen. Meer dan in het dagelijkse leven sta je tijdens spelen open voor je omgeving. Normaal gesproken laat je veel invloeden van buitenaf niet binnenkomen, daar heb je geen tijd of energie voor. Maar als je op de vloer staat, moet je juist alles opmerken: echt luisteren, echt kijken, echt voelen.’

‘Een spel draait niet alleen om winst’

Erwin Pauelsen (37) uit Hilversum
is wereldkampioen Kolonisten van Catan 2010, docent Nederlands en geeft les in bordspelontwikkeling

ERwin Pauelsen spelen wereldkampioen Kolonisten van Catan

‘Ik zat aan de finaletafel van het wereldkampioenschap Kolonisten van Catan in 2010. Ik had een handvol graan en ik was in het bezit van de ontwikkelingskaart “monopolie”. Als je die kaart speelt, kies je een grondstof die iedereen vervolgens moet inleveren. Ik zei tegen mijn tegenstanders: ik heb niks aan dit graan, wie wil het ruilen? Twee graan voor een andere grondstof? Nee? Drie graan voor één andere grondstof dan? Nadat ik ontzettend veel graan had geruild, legde ik mijn monopoliekaart open: iedereen moest zijn graan weer aan mij teruggeven. Mijn tegenstanders liepen rood aan, ze werden echt kwaad. Het wereldkampioenschap winnen was fantastisch, maar op dat moment dacht ik: dit is eigenlijk niet leuk meer.

Lachen, grappen maken, achteraf praten over de zetten die je hebt gedaan: dat is de reden om te spelen. Dat valt bij zo’n toernooi allemaal weg. Spelen voor de winst is leuk, maar als het enkel gaat om winnen lijdt het spel eronder. Winnen moet meer de kers op de taart zijn.

De kern van spelen zit in het samen doen. Vrijwel alle mechanismen van bordspellen hebben te maken met dat je iets sneller, beter of anders doet dan je tegenstanders. Of het nou gaat om sneller dan de rest een kaart te pakken of om tegenspelers van iets te overtuigen, het gaat altijd om sociale interactie.

Een goed spel heeft spelregels nodig. Stel dat je in een spel alles mag doen: je verzamelt grondstoffen, maar je hoeft niet te wachten op de juiste dobbelworp, je mag ze gewoon pakken. Dan heb je toch geen spel meer? Omdat je weet dat je afhankelijk bent van de dobbelstenen wordt het interessant om na te denken waar je bijvoorbeeld je dorpen neerzet, zodat je grondstoffen kunt krijgen. Te veel vrijheid zorgt voor een minder leuk spel.’