Home Dieren Antropoloog Raymond Corbey: ‘Ik wil niet de mens omlaag halen maar dieren omhoog’
Dieren

Antropoloog Raymond Corbey: ‘Ik wil niet de mens omlaag halen maar dieren omhoog’

Door Maarten Meester op 17 april 2006

04-2006 Filosofie magazine Lees het magazine

De grens tussen mens en dier is niet scherp te trekken. Maar zelfs anderhalf eeuw na Darwin kunnen we dat maar moeilijk accepteren. Raymond Corbey, wijsgerig antropoloog en hoogleraar theoretische grondslagen van de archeologie.

‘Filosofen hebben het graag over de mens. Ik vraag dan: welke mens bedoel je? We kennen twintig soorten mensen. Dan zakt letterlijk hun kaak naar beneden. Daar hebben ze nog nooit over nagedacht.’

Raymond Corbey gaat aan een tafel zitten in het laboratorium van de Leidse archeologiefaculteit. Voor hem staan drie schedels. ‘Als je je moeder pakt, je grootmoeder, je overgrootmoeder, enzovoorts en je zet die op een rij van hier tot Brussel, dan kom je uit bij de chimpansee-achtige voorouder. Je bent dan zes miljoen jaar teruggegaan in de tijd, en je hebt tweehonderdduizend voormoeders op een rij gezet. Die rechtoplopende chimpansee had twee dochters. Van eentje stam jij af, van de ander een chimpansee in Congo.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Corbey neemt de meest linkse schedel van de drie. ‘Hier zijn we halverwege, zeg bij Roosendaal. Australopithecus, nog sterk chimpansee-achtig, met kleine hersenen van een halve liter inhoud. Toch gebruikt deze voorouder al werktuigen.’

De filosoof-antropoloog wijst op de middelste schedel. ‘Dit is Dordrecht, Homo habilis, al verder ontwikkeld, van twee miljoen jaar geleden. De herseninhoud is nog steeds minder dan een liter, wij hebben bijna anderhalf liter.’

De derde, rechts: ‘Delft, de Neanderthaler, een heel andere soort dan wij. Deze is dertigduizend jaar geleden uitgestorven, dat is niets op de evolutionaire schaal. Ja, waar begint de mens? Je grootmoeder is geen probleem, je overgrootmoeder ook niet, maar geleidelijk aan wordt het lastiger. Er valt geen scherpe grens te trekken.’

‘Voltooiing van de nog uitblijvende Darwin-receptie is de grootste intellectuele uitdaging in het huidige tijdsgewricht’, stelde Corbey vorige maand bij zijn inauguratie als hoogleraar theoretische grondslagen van de archeologie in Leiden, een functie die hij uitoefent naast zijn werk als docent wijsgerige antropologie en cultuurfilosofie aan de Universiteit van Tilburg. Hoe kan hij dat zeggen? Is onze cultuur niet door en door darwinistisch? Heeft Darwin ons, zoals Freud schreef, niet getraumatiseerd, door te laten zien dat de dierlijke natuur in de mens onuitwisbaar is?

‘Er is in de Europese filosofie nauwelijks receptie geweest’, reageert Corbey. ‘Er zijn vooral afweergestes. Dat de grens tussen mensen en dier niet duidelijk te trekken valt, ligt voor mensen gevoelig. In Zweden werden in de achttiende eeuw jongens ter dood veroordeeld, omdat ze seksuele spelletjes deden met dieren. Darwin wacht ook twintig jaar voor hij zijn bevindingen publiceert, uit angst om voor een radicaal door te gaan. Zelfs nu ondervind ik nog steeds veel weerstand.’

In zijn boek The Metaphysics of Apes bespreekt Corbey uitgebreid de drie fasen van het apendebat. De eerste fase begint rond 1760 als de eerste mensapen in het Westen arriveren, meegevoerd op handelsschepen. De bioloog Linnaeus (1707-1778) plaatst mens en mensaap in één categorie. Corbey: ‘Hij zegt: ik moet wel. Ze verschillen anatomisch immers nauwelijks. Natuurlijk zegt hij wel ergens, een beetje opzij: de mens heeft een redelijke ziel en hij ziet er vanbinnen heel anders uit. Toch valt iedereen over hem heen, omdat hij de reinheid van de mens zou bezoedelen. De mens is het evenbeeld van God, hij heeft een unieke essentie waar je vooral niet aan moet komen door mensen te verwarren met dieren. Slechts sporadisch zie je een andere reactie, zoals bij Rousseau. Voor hem is de mensaap een soort mens, maar een mens die nog niet spreekt en nog in een ideale verhouding met de natuur leeft.’

De tweede fase begint rond 1850 als de eerste aapmensen worden gevonden. ‘Daar zie je opnieuw het probleem van wezens die zelfs onze directe voorouders zijn. Nog niet mens en niet meer dier, dat is cognitief en gevoelsmatig verwarrend. Onverteerbaar.’

Rond 1960 vangt de derde fase aan met de ontdekking van het mensaapgedrag. ‘Het serieuze veldwerk begint dan. Jane Goodall en anderen laten zien dat chimpansees zich menselijk gedragen. Eerst zeiden we dat wij mensen ons van de dieren onderscheiden doordat we werktuigen gebruiken, maar dan blijkt dat chimpansees ook werktuigen gebruiken. Ja, maar wij maken de werktuigen, is de volgende afweermanoeuvre. Dan blijken chimpansees dat ook te doen. Opnieuw een herdefinitie, om de mens toch vooral apart en uniek te houden: ja, maar wij zijn afhankelijk van vervaardigde werktuigen voor ons overleven. Wat blijkt echter: chimpansees zijn dat ook. Zo’n continue herdefinieerzucht zie je ook bij het onderzoek naar hersenomvang. Koste wat het kost moet die het grootst blijven bij mensen. En bij onderzoek naar symboolhantering bij mensapen treedt datzelfde op. Ook dat moet hoe dan ook een menselijk privilege blijven, in weerwil van allerlei vernuftigs dat bij mensapen blijkt op te treden. Zo zijn we steeds bezig met wat ik in de ondertitel van mijn boek noem: “negiotiating the animal-human boundary”. We onderhandelen over, of beter, bewaken de grens tussen mens en dier.’

Geen platte naturalist
Om misverstanden te voorkomen moet gezegd zijn dat Corbey zichzelf niet ziet als een ‘platte naturalist’. ‘Ik zeg niet dat we alles uitsluitend in termen van moleculen en genen moeten verklaren. Ik wil de uitdaging van biologie en evolutie aannemen en tegelijkertijd vasthouden aan rationaliteit, normativiteit en subjectiviteit, drie centrale noties uit de traditionele filosofie, die gebruikt zijn om het mensbeeld te definiëren. Volgens mij moet je de oplossing zoeken in een minder antropocentrische vorm van denken: een filosofie die niet de mens als uitgangspunt neemt, maar vertrekt vanuit al het leven, die reflecteert op alle natuur, op de kosmos, evolutie, andere dieren. We snappen maar weinig van dierlijk bewustzijn en dierlijke existentie. Die zijn mysterieus en diep. Ik wil de mens niet omlaag, maar het dier omhoog halen.’

Mysterieus, ja. Maar diep? Hoe weet Corbey dat grotere kennis van de dierlijke existentie een verrijking zal betekenen? ‘Dieren hebben ook bewustzijn’, antwoordt hij. ‘Als je bewustzijn wilt bestuderen, beperk je jezelf dus als je dat alleen bij mensen bestudeert. Ook dieren vertonen moreel gedrag, dus waarom zou je alleen mensen bestuderen als je meer wilt weten van de moraal? In mijn oratie laat ik zien dat je moreel gedrag óók evolutionair moet benaderen.’

Corbey weerlegde in zijn oratie de stelling van de Franse cultureel antropoloog Marcel Mauss (1872-1950) dat de mens door uitwisseling boven die natuurlijke orde uitstijgt. In oorsprong maakt de mens voor Mauss deel uit van die natuurlijke orde, doordat hij zich net als het dier laat leiden door wedijver met anderen, door de drang tot zelfbehoud. Hij onderschrijft zo Hobbes’ idee van een oorlog van allen tegen allen. Maar voor Mauss markeert de gift, het vermogen te geven, vervolgens het moment waarop de mens ophoudt dier te zijn. De mens schenkt iets aan een ander, en ziet zo tijdelijk af van zijn eigen belang, waardoor hij de natuurlijke orde transformeert tot een morele orde. Hij gaat een relatie aan met de ander, die is gebaseerd op een drievoudige verplichting: tot geven, tot ontvangen en tot teruggeven.

‘Ik laat zien dat de evolutionaire logica ten onrechte geen enkele rol speelt in de maussiaanse uitwisselingtheorie’, zegt Corbey. ‘Het is ook niet zo dat de mens door uitwisseling boven de natuurlijke orde uitstijgt. Ook dieren wisselen uit en vertonen moreel gedrag. Een Midden-Amerikaanse vampiervleermuis sterft als hij drie nachten achter elkaar geen bloed vindt. Dus vraagt hij de buren om hulp. Die braken dan bloed op, maar ze houden wel bij aan wie ze gegeven hebben en hoeveel, want als ze zelf een keer zonder zitten, hebben ze het recht het geleende bloed terug te vragen. Zo vergroten vleermuizen door samen te werken hun overlevingskans van weken naar jaren, blijkt uit onderzoek. Als je meer van moreel gedrag wilt weten, moet je diep ingaan op de intieme vervlechting van moraal met nut. Veel ethici onderkennen de intimiteit van de vervlechting niet, maar als ze willen poneren dat je de ethiek niet kunt afleiden uit natuurlijke feiten, moeten ze die natuurlijke feiten wel bestuderen op het niveau van de wetenschap van dit moment.’

Proto-taal
Corbey zelf werkt mee aan onderzoek om zaken die specifiek voor mensen zouden zijn – zelfbewustzijn, taal, moraal – evolutionair te traceren. Maar hoe doe je dat? Neem de evolutie van taal – je vindt toch geen woordenboeken in de grond? ‘Ik neem deel aan grote, tweejaarlijkse congressen over de evolutie van taal, met biologen, linguïsten, psychologen, archeologen en filosofen. Er is een grote spraakverwarring, want iedereen heeft bijvoorbeeld al zijn eigen visie op syntaxis. En toch, als je kijkt naar de afgelopen tien jaar zie je een consensus ontstaan. We zijn het erover eens dat er een proto-taal is geweest. De jager komt terug in zijn kamp en roept: Dier. Gisteren. Gewond. Daar. Dood. Jij. Komen.’

Veel semantiek (betekenis), maar nog nauwelijks syntaxis, zegt Corbey. ‘Er zijn allerlei aanwijzingen voor het bestaan van proto-taal, bijvoorbeeld de analogie met de ontwikkeling van spraak bij kinderen. In de archeologie kijken we onder meer naar de logistiek van de jacht. In de buurt van Dordrecht, dus twee miljoen jaar geleden op die lijn van voorouders, zien we jacht optreden die logistiek complex is. We zien dat deze mensachtigen weken van tevoren al stenen halen, die ze elders bewerken. Op een andere plaats maken ze speren. We zien sporen van verdeling van het vlees. Er is een zo intensieve sociale samenwerking, dat je wel moet veronderstellen dat er complexe communicatieprocessen zijn, met transcendering van het hier en nu. Dat is natuurlijk een belangrijk kenmerk van taal: dat je kunt spreken over zaken die zich elders en in de toekomst afspelen.’

Is dit niet enorm speculatief? ‘Computerwetenschappers leveren een bijdrage door simulaties over de evolutie van taal. Zij zeggen: bepaalde zaken zijn totaal uitgesloten. Dat kun je bewijzen. De archeologen zeggen: als jij meent dat er twee miljoen jaar geleden bij de Homo habilis sprake van syntaxis was, ben je compleet getikt. In die interdisciplinaire interactie komen dingen bovendrijven, zoals het idee dat er een proto-taal is geweest.’

Maar wat zijn de concrete data? ‘Je ziet sporen van vuur. Botten. We hebben miljoenen werktuigen. Vuistbijlen. Die zijn eerst nog primitief. Dan worden ze ovaler, ze worden rond, dan symmetrisch, dan worden ze veel mooier dan functioneel vereist is, misschien dat ze ook als sociale en seksuele signalen dienen. Je kunt ook experimenten doen, je kunt zeggen: wat bij de Homo habilis kon, lijkt sterk op wat chimpansees nu doen. De mooie amandelvormige vuistbijlen van de Homo erectus die op drie manieren symmetrisch zijn, kan een chimpansee niet maken. Die heeft moeite met symmetrie.’

Dan stopt hij midden in zijn betoog. ‘Ons denken blijft zo ontzettend antropocentrisch. Het is toch vreemd dat we archeologische sporen doornemen om te kijken of we iets zien wat op menselijk gedrag lijkt, zoals het gebruik van taal of gereedschappen. Als we vleermuizen waren, zouden we kijken of we iets zagen wat duidde op het gebruik van echolocatie.’

Raymond Corbey, The Metaphysics of Apes. Negotiating the Animal-Human Boudary, Cambridge University Press, 2005. 238 blz., ₤14,99