Home ‘Als je tot het grote in staat bent, dan doe je het ook’

‘Als je tot het grote in staat bent, dan doe je het ook’

Vragen zijn alleen filosofisch als ze ook vroeger al gesteld werden, vindt Bryan Magee. In zijn nieuwste boek Beelden van een blinde filosoof, onderzoekt hij een van die eeuwige vragen: de invloed van onze zintuigen op onze kijk op de wereld. 'Omdat we maar een paar zintuigen heb­ben, is ons beeld van de werkelijk­heid erg be­perkt.'

Door Frank Meester en Maarten Meester op 13 november 2012

blind beeld Taras Chernus

Vragen zijn alleen filosofisch als ze ook vroeger al gesteld werden, vindt Bryan Magee. In zijn nieuwste boek Beelden van een blinde filosoof, onderzoekt hij een van die eeuwige vragen: de invloed van onze zintuigen op onze kijk op de wereld. 'Omdat we maar een paar zintuigen heb­ben, is ons beeld van de werkelijk­heid erg be­perkt.'

03-2001 Filosofie magazine Lees het magazine

Verstaan we het goed? Ja, hij zei het echt: ‘Ik heb het talent niet.’ Bryan Magee, de man die in zijn inmid­dels zeventigjarig bestaan vrijwel alles heeft gedaan wat op intel­lectu­eel niveau mogelijk is, is bescheiden. De man die televi­sie- en radioprogramma’s maakte, romans, dicht­bun­dels en filosofische werken schreef, politicus was, filoso­fie doceerde aan de universiteit van Oxford en – hoewel kort­ston­dig – muziek componeerde.

Magee: ‘Als ik mijn talenten had kunnen kiezen had ik ervoor gekozen een goede componist te zijn. The fact is: I don’t have the talent. Ik hoop dat ik het beste heb gemaakt van mijn gaven. Maar liever zou ik nog andere en betere talenten heb­ben gehad. Ik zou ook heel graag een diepe originele bijdrage aan de filosofie hebben geleverd. Wat ik het meest waardeer in mensen is originele creativiteit. De grootste menselijke wezens zijn voor mij de Beethovens, de Shakespeares, de Wag­ners en de Schopenhauers. Zij hebben echt iets gecreëerd. Ik zou graag zo iemand willen zijn, maar ik ben het niet. Als je in staat bent tot grote dingen doe je ze ook. Ik had alle tijd om een groot werk te schrijven, maar ik heb het niet gedaan. Dus ik kan het niet. Mensen zeggen mij vaak: ik zou ook een boek willen schrijven maar ik heb er geen tijd voor. Dan willen of kunnen ze het niet. Iedereen heeft evenveel tijd, 24 uur per dag. Geen minuut meer of minder.’

Televisie

Dat Magee zo veel andere dingen deed naast het schrij­ven was niet altijd een vrijwillige keuze. ‘Toen ik jong was wilde ik schrijver worden. Zoals alle jonge schrijvers kon ik niet van mijn pennenvruchten leven. Ik moest iets anders gaan doen. Dat werd televisie. Ik dacht toen dat ik mijn tijd verspilde. Maar nu ik terugkijk, denk ik dat mijn tv-werk goed was. Alleen schrijven zou mij te veel hebben geïsoleerd. Het was goed voor me de maatschappij in te gaan, te discussiëren en andere mensen te ontmoeten. Zo kon ik een mening en een oordeel vormen. En, heel belangrijk, anderen konden mijn meningen corrigeren. Door in de media te werken, leer je ontzettend veel over dingen waar je anders nooit wat van af had geweten. Het is een goede opvoeding.’

Was het niet net zo belangrijk voor de Labour-politicus die Magee ook is, dat hij met zijn tv-programma’s maatschappelijke veranderingen kon stimuleren? ‘Mijn serie over homoseksuali­teit heeft ertoe bijgedragen dat de Engelse wet is aangepast. Toch denk ik dat mensen de invloed van televisie overdrijven. Sociale klasse, werk, opvoeding, familie, religie en inkomen hebben veel meer invloed op je opvattingen dan welk televisie­programma dan ook. Al deze zaken – en hierin hadden de marxis­ten nou eens wel gelijk – zijn van fundamenteel belang voor je politieke en sociale houding. Als je een lijst zou maken van wat onze opinie beïnvloedt, dan komt televisie zeker niet bovenaan. Wat bovendien vaak wordt vergeten, is dat televi­sie­makers niet zomaar met nieuwe verrassende zaken op televi­sie kunnen komen. Je maakt wat de mensen willen zien. Je stoot voortdu­rend je hoofd tegen de grenzen van het kijkbare. Ieder­een doet maar alsof journalisten zo veel invloed heb­ben! Dat is allemaal onzin.’

Filosofie is de schakel die alle activiteiten van Magee ver­bindt. Het zit hem in de genen. In zijn autobiogra­fie, Bekentenissen van een filosoof, beschrijft hij hoe hij als kind zeer direct en lichamelijk reageerde op het gemis van antwoor­den op de filo­sofische vragen die hem bezighielden. Tijdens een bijeen­komst in de schoolkapel realiseerde hij zich dat zijn klasge­noten voor hem verdwenen als hij zijn ogen dicht­deed. ‘Tot op dat moment had ik altijd stilzwijgend aange­nomen dat ik in onmid­dellijk contact verkeerde met de mensen en de dingen die zich buiten me bevonden en dat ik hun aanwe­zigheid op een recht­streeks manier ervoer, maar nu besef­te ik plotse­ling dat er een drastisch verschil bestond tussen hun bestaan en mijn besef daarvan. (…) Zelfs nu nog, zoveel jaar later, kan ik niet onder woorden brengen hoe onbeschrijf­lijk vrese­lijk ik dat ogenblik van inzicht vond, wat een nachtmer­rie het voor me was. Ik werd overspoeld door hoge vloedgolven van misselijk­heid, claustrofobie en het gevoel van isolement.’

Tijdens de Nexus-conferentie over liefde en dood op 3 februari in Tilburg, ter gelegen­heid waarvan Magee naar Nederland kwam, luister­de hij roerloos in zijn stoel gezeten een dag lang naar de toch zeer intellectuele discussies. Is zijn lichamelijke reactie op filosofische vragen verdwenen? ‘Ik neem de moge­lijkheid dat het leven geen betekenis heeft en alles gewoon een kosmisch ongeluk is, nog steeds heel serieus. Maar inder­daad reageer ik daar niet meer zo lichamelijk op. Je zou denken dat ik veel banger ben dan toen ik jong was. Statis­tisch gezien is het onwaarschijnlijk dat ik zelfs nog maar twintig jaar zal leven. Toch ben ik minder bang voor de dood dan vroeger. Ik denk dat dat normaal is. Misschien is er zelfs wel een biologische oorzaak voor. Ouderen passen zich aan. Hoe dichter we bij de dood komen, hoe meer we ons neerleggen bij de gedachte dat we zullen sterven. Zoals de meeste mensen van mijn leeftijd heb ik veel mensen zien sterven. Het valt me op dat ook mensen die angstig van aard waren, of zelfs neuro­tisch, in de regel kalm werden vlak voor ze stierven. Dat is een geruststellende gedachte.’

Pronviciaal in de tijd

De vraag naar de dood is een van die fundamentele filosofische kwesties die volgens Magee altijd blijven be­staan. Als dit soort vragen nooit beantwoord zal worden, is er dan wel voor­uitgang in de filosofie? ‘Nee’, antwoordt Magee. ‘Niemand is een betere filosoof nu dan Plato, Aristoteles of Socrates. Die filosofen leverden werkelijke intellectuele prestaties. Wij profiteren nog steeds van wat zij hebben bereikt.’

Maar heeft niet elk tijdperk zijn eigen filosofische vragen? ‘Ook dat niet. Vragen zijn niet filosofisch als ze niet vroe­ger ook gesteld werden. De filosofie die zich met de actuali­teit bezighoudt, zie ik als een zeer intelligente vorm van journa­listiek. Een intelligente benadering van de vragen waar we vandaag de dag mee kampen. Interessante vragen, maar de eeuwige vragen zijn dieper en naar mijn mening belangrijker. De filosoof Whitehead maakte eens een fantastische opmerking: “Het is ook mogelijk om een provinciaal te zijn als het gaat om de tijd, net zoals je een provinciaal kunt zijn als het gaat om de plaats”. Mijn kritiek op veel hedendaagse filoso­fen is dat ze zich schuldig maken aan tijd-provincialisme: ze behan­delen de vragen van vandaag. Waarom zouden we ons daartoe beperken? Neem nou wiskunde. Er zijn wetenschappers die zich bezighouden met zuivere wiskunde, anderen passen wiskunde toe. Wat een zuivere wiskundige doet zal misschien geen directe toepassing hebben, het zal erg abstract zijn en 99 procent van de mensen zal het bovendien niet begrijpen. Dat betekent niet dat het geen waarde heeft. Waarde wordt niet bepaald door de meerderheid van de stemmen.’

In zijn nieuwste boek Beelden van een blinde filosoof, dat eind maart in Nederlandse vertaling zal verschijnen, gaat het om een van die belangrijke filosofische vragen. Kunnen we de wereld om ons heen wel echt kennen? Wat is de invloed van onze zintuigen op onze kijk op de werkelijkheid? Magee: ‘Omdat we maar een paar zintuigen hebben, is ons beeld van de werkelijk­heid erg beperkt. Hoe zou de wereld eruit zien als de mens bijvoorbeeld ook toegerust was met het zintuig van een vleer­muis die door de weerkaatsing van zijn hoge piepjes exact zijn positie kan bepalen? Er zijn natuurlijk nog veel meer van zulke zintuig­lijke mogelijkheden. De meeste kennen wij nog niet eens.’

Beelden van een blinde filosoof is een briefwisseling van Magee met de blinde filosoof Martin Milligan. Misschien kan de ervaring van de blinde helpen bij het begrijpen of zelfs beantwoorden van Magees vragen. Wat meteen al bij de eerste brieven opvalt is dat Milligan pro­beert de verschillen tussen blinden en zienden te negeren, terwijl Magee ze steeds wil benadrukken. Geen wonder, het gaat Magee niet om een ethische kwestie, maar om een kentheoretisch vraag. Milligan is als blinde natuurlijk veel meer begaan met de positie van blinden in de maatschappij. Magee schrijft in een van zijn brieven aan Milligan: ‘Na ampele overwegingen staat voor mij vast dat jij als blinde met geen mogelijkheid de omvang kunt beseffen van alles wat er gebeurt en jou ontgaat.’ Voor iemand die vanaf zijn geboor­te blind is, is het licht in de ogen net zoiets onvoorstel­baars als het zin­tuig van een vleermuis voor een ziende.

Nog meer van die belangrijke filosofische kwesties. ‘Heeft het leven zin of is het absurd in de existentialistische zin? Wat is tijd? Hoe langer je erover nadenkt, hoe mysterieuzer het wordt. De fysica, de relativiteitstheorie en de kwantumtheorie hebben ons veel over de tijd geleerd, maar in bepaalde opzich­ten zijn de mysteries daardoor weer toegenomen. Dat gaat op voor alle intellectuele problemen. Het is als het schijnsel van een lamp. Als dat schijnsel groter wordt, wordt de grens met de duisternis ook groter. Bij alles wat je leert en ont­dekt, vind je ook weer nieuwe problemen.’

De grote filosofen kunnen je helpen over dit soort dingen zelf na te leren denken. Meer niet, vindt Magee. ‘Ik ben niet pri­mair geïnteresseerd in de grote filosofen. Ik ben geïnte­res­seerd in de problemen waarover zij schrijven: de fundamen­tele problemen van het leven. Ik lees de grote filosofen en gebruik ze omdat zij licht werpen op deze kwesties. Ik lees ze alleen omdat ze mij helpen. Het belangrijkste van filosofie studeren is dat je zelf leert denken.’

Popmuziek

Maar niet alleen de groten kunnen je helpen bij het denken, ook je eigen vrienden zijn van groot belang. Magee: ‘Essentieel voor filosofie – nog meer dan voor andere intel­lectuele bezig­heden – is zelfkritiek. Veel filosofie bestaat uit kritiek op je overtuigingen en opinies. Een van de belang­rijkste taken van de filosofie is om die vaak onbewuste voor­onderstellingen bloot te leggen. Het is nauwelijks mogelijk om dat alleen te doen. De meesten van ons hebben iemand anders nodig. Iemand die intelligent is en opinies heeft die van de onze verschillen. De beste manier om filosofie te bestuderen is samen met anderen, dat hoeft niet aan de universiteit, het kan ook met een groep vrienden. Filosofie heeft debat nodig, discussie. Het zegt genoeg dat veel van de belangrijkste filosofie – vanaf Plato al – heeft bestaan uit dialogen.’

De twee grote passies van Magee, muziek en filosofie, komen samen in het werk van Arthur Schopenhauer. Volgens Schopenhau­er is de Wil de drijvende kracht achter alles in onze wereld. De dingen die wij in de wereld zien zijn, net als bij Plato, alleen een vaag af­trek­sel van de algemene ideeën die eraan ten grondslag liggen. Alleen de kunst kan de ideeën vatten. De muziek biedt geen afbeel­ding van de ideeën maar een directe afbeel­ding van de Wil. In Schopen­hauers rangorde van de kun­sten staat de muziek dan ook op duizelingwekkende, eenzame hoogte.

Zoals de grote filoso­fische vragen voor Magee belangrijker zijn dan de vragen van alledag, zo zijn op hun beurt de grote klassie­ke muziekwerken belangrijker zijn dan bijvoor­beeld popmu­ziek. ‘Laten we eerlijk zijn. Ik breng een groot deel van de dag door met het lezen van journalistiek, en kan er ook van genie­ten om naar popmuziek te luisteren. Maar net zoals jour­nalis­tiek geen literatuur is, zo is popmuziek geen grote muziek. Popmuziek heeft het gewoon niet. Als ík een symfonie zou componeren, zou die je niet in contact brengen met iets ho­gers. Zo is het ook met de meeste popmuziek. Nie­mand zal er over honderd jaar nog naar luisteren, terwijl de grote werken van Beethoven of Wagner nog steeds uitgevoerd zullen worden. Of neem nou Sha­kespeare. Zijn stukken worden al eeuwen ge­speeld en bekeken. Ze zijn prachtig en hebben een onuitputte­lijke inhoud. Het is onzin om te zeggen dat een goede moderne film dezelfde inhoud heeft. Het mag een mooie film zijn, waar we allemaal van hebben genoten, maar waarom zouden we preten­deren dat die van dezelfde waarde is als een stuk van Shakes­peare? De waarde van iets wordt niet bepaald door de massa.’ Waardoor wel? ‘Dat is weer zo’n een mysterieu­ze vraag.’

Bryan Magee was in Nederland op uitnodiging van het Nexus Instituut. Op 4 februari hield hij een lezing over Richard Wagners Opera Tristan und Isolde en de filosofie van Arthur Schopenhauer tijdens het door het Nexus Instituut georganiseerde symposium Love and Death.

Eind maart verschijnt de Nederlandse vertaling van zijn boek Beelden van een blinde filosoof bij uitgeverij Ambo/Anthos, ¦ 42,50.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.