Home Existentialisme Albert Camus: Leven en sterven als een absurde held
Existentialisme

Albert Camus: Leven en sterven als een absurde held

De Franse denker en Nobelprijswinnaar Albert Camus vond het leven zinloos en absurd. En juist daarom moet het vol overgave geleefd worden.

Door Frank Meester op 28 mei 2018

Albert Camus filosoof existentialisme beeld Maartje de Sonnaville
Cover van 06-2018
06-2018 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Op 4 januari 1960 stapt Albert Camus bij zijn vriend Michel Gallimard, de neef van zijn uitgever, in de auto. Ze zijn in het zuiden van Frankrijk en gaan op weg naar Parijs. Een paar uur later rijden ze tegen een plataan. Het dashboardklokje ligt verderop in het veld, het staat stil op vijf voor twee. Camus is op slag dood. Gallimard overlijdt een paar dagen later aan zijn verwondingen. In de zak van Camus zit een enkeltje Parijs. Hij was van plan om de trein te pakken, maar zijn vriend wist hem op het laatste moment over te halen om mee te gaan in zijn auto. Camus had weleens tegen vrienden gezegd dat niets zo absurd is als omkomen bij een auto-ongeluk. Er bleek toch nog iets absurders te bestaan: omkomen bij een auto-ongeluk met een geldig treinkaartje op zak.

Zijn dood lijkt een perfecte demonstratie van zijn eigen filosofie. Camus is immers de filosoof van het absurde, dat hij niet alleen in filosofische werken, maar ook in romans, journalistieke essays en theaterstukken – waar hij vaak zelf in meespeelt – een belangrijke rol geeft. Volgens Camus is het menselijk leven absurd omdat we nooit de zin ervan zullen achterhalen. Het universum is redeloos en beantwoordt onze levensvragen slechts met een eeuwig zwijgen. De absurde held is zich bewust van die absurditeit; hij weet dat verzet geen zin heeft, maar toch probeert hij het. 

Tekst loopt door onder afbeelding

Is Camus zelf ook zo’n absurde held? Hij stort zich in elk geval vol overgave in het absurde leven. Dat begint niet al te gemakkelijk voor hem. Hij groeit op in een straatarm gezin in een armoedige wijk van de Algerijnse hoofdstad Algiers, die op dat moment nog Frans grondgebied is. Zijn moeder is analfabeet en verdient de kost als schoonmaakster. Zijn vader is landarbeider, maar Camus zal zijn vader nauwelijks leren kennen. Hij raakt gewond als soldaat tijdens de Slag bij de Marne in het begin van de Eerste Wereldoorlog en sterft niet veel later in het legerhospitaal. Camus is dan een jaar oud.  

Voetbal

Het lijkt erop dat Camus na het basisonderwijs niet kan doorleren omdat zijn familie de studie niet kan betalen. Maar zijn lagereschoolleraar Louis Germain weet een beurs voor hem te regelen. Daardoor kan hij naar het lyceum, en dat geeft hem vervolgens de mogelijkheid om aan de Universiteit van Algiers te studeren. Als Camus in 1957 de Nobelprijs voor Literatuur krijgt, schrijft hij aan Louis Germain: ‘Zonder u, zonder de liefdevolle hand die u hebt uitgestoken naar het arme jongetje dat ik was, zonder uw lessen en uw voorbeeld zou niets van dit alles zijn gebeurd.’ Germain is niet de enige docent die belangrijk is voor Camus’ intellectuele ontwikkeling. Zijn leraar filosofie, Jean Grenier, weet hem niet alleen te enthousiasmeren voor de wijsbegeerte, maar ook voor de politiek. Camus zal zijn eerste boek L’envers et l’endroit (Keer en tegenkeer) aan hem opdragen.

Camus heeft allerhande bijbaantjes om zijn studie te bekostigen. Hij is automonteur en werkt bij een meteorologisch instituut. Verder is hij actief als keeper in het universiteitsteam en hij blijkt veel talent te hebben. Zijn voetbalteam wint de ene na de andere cup. Als Camus tuberculose krijgt moet hij de sport opgeven. Wanneer vele jaren later een vriend hem vraagt waar hij meer van houdt, van theater of van voetbal, twijfelt Camus geen moment: ‘Voetbal.’ Hij beweert zelfs dat hij op het gebied van ethiek het meest heeft geleerd van zijn korte sportcarrière: lessen over opkomen voor vrienden, over heldendom en over wat fair play is.

Maar aan die leerschool komt een plotseling einde door zijn ziekte. Hij is wel in staat zijn studie te vervolgen, zij het slechts op halve kracht. Hij trouwt met Simone Hié. Zij is verslaafd aan opium. Het huwelijk houdt niet erg lang stand, beiden zijn elkaar ontrouw. In deze periode begint Camus zich ook actief met politiek bezig te houden. Hij meldt zich aan als lid van de Franse communistische partij, maar wordt al snel weer uit de partij gezet. Hij zou niet recht genoeg in de communistische leer zijn. Dit zal tekenend voor hem blijken; hij is zijn hele leven links georiënteerd, maar kiest telkens weer voor de individuele mens en nooit voor een politiek systeem. Camus begint zich ook bezig te houden met theater – met alle aspecten ervan: schrijven, acteren en regisseren –, maar hij werkt vooral als journalist. Hij schrijft voor socialistische kranten als Alger républicain en Le Soir républicain. Van zijn hand verschijnen vaak zeer kritische stukken, bijvoorbeeld over de armzalige woonomstandigheden van de Berbers.

Vreemdeling

In 1940 verhuist Camus naar Parijs, waar hij op de redactie van het tijdschrift Paris-Soir gaat werken. In datzelfde jaar trouwt hij voor de tweede keer. Zijn nieuwe vrouw, Francine Faure, is pianiste en wiskundige. Het echtpaar zal een tweeling krijgen. In Parijs maakt Camus de bezetting door de nazi’s mee. 1942 is een belangrijk jaar voor Camus; dan verschijnt zowel een literair als een filosofisch werk van zijn hand. De hoofdpersoon uit zijn debuutroman De vreemdeling schiet op een Algerijns strand een Arabier dood. Waarom precies is niet duidelijk. Waarschijnlijk door de toevallige flikkering van de zon in zijn ogen. Deze literaire beschrijving van een absurde ervaring sluit goed aan bij de toenmalige tijdgeest; zijn debuutroman maakt Camus direct tot een bekende schrijver. Maar ook in de decennia erna blijft deze titel populair, en in 1999 wordt De vreemdeling door het lezerspubliek van de krant Le Monde gekozen tot het beste boek van de twintigste eeuw. En niet alleen in Frankrijk is zijn debuutroman geliefd. In 2002 wordt deze opgenomen in de lijst van 100 beste boeken uit de wereldliteratuur. De Engelse band The Cure brengt in 1980 een op De vreemdeling gebaseerde song uit (‘Killing an Arab’) en in 2014 is Camus’ debuutroman aanleiding voor een andere roman: Moussa, of de dood van een Arabier. De Algerijnse schrijver Kamel Daoud beschrijft hetzelfde verhaal, maar nu vanuit het perspectief van de broer van de vermoorde Arabier. Daoud heeft veel waardering voor de schrijver Camus, maar ook kritiek. Camus’ boek heeft een geheel westers perspectief. De Arabier krijgt geen gezicht, geen naam en geen persoonlijkheid. Dat zet Daoud recht. Hij schrijft een eerherstel voor de Arabier en geeft hem eindelijk een naam: Moussa.  

Terug naar 1942. In dat jaar verschijnt ook Camus’ filosofische werk De mythe van Sisyphus. Dit essay begint met een van de beroemdste zinnen uit de filosofie: ‘Er bestaat maar één werkelijk ernstig filosofisch probleem: de zelfmoord. Oordelen of het leven wel of niet de moeite waard is geleefd te worden, is antwoord geven op de fundamentele vraag van de filosofie.’ Zijn antwoord op deze fundamentele vraag is dat de zinloosheid van het bestaan niet logischerwijs tot zelfmoord leidt. Die noopt eerder tot het aannemen van de houding van de eerder besproken absurde held. Sisyphus is zo’n absurde held. In de klassieke mythe moet Sisyphus als straf van de goden elke dag een steen een berg op rollen die er ’s avonds weer af rolt. Dit ritueel gaat eindeloos door. En hoewel dit misschien een nachtmerrie lijkt, verschilt ons leven niet wezenlijk van dat van Sisyphus. Wij zijn ook ons hele leven aan het ploeteren zonder dat het duidelijk tot iets leidt. Camus meent dat Sisyphus een gelukkig mens kan worden. Hij kan inzien dat zijn leven absurd en zinloos is, en toch voldoening halen uit het feit dat hij zo sterk is dat hij die zware steen de berg op heeft gekregen. Hij moet zich vol overgave op dit absurde leven storten. En dat moeten wij dus ook doen.

Maar volgens Camus zijn de meeste mensen helemaal niet bereid het absurde onder ogen te zien. Ze verschuilen zich achter leugenachtige verhalen, zoals die van religies, waarin beweerd wordt dat het leven wel zin heeft en het universum redelijk in elkaar steekt. Juist uit dergelijke leugens komt veel lijden voort. Uit naam van religie en van het betere leven hierna in de hemel zijn hier op aarde de vreselijkste dingen gedaan.

De absurde held erkent dus dat het leven absurd is, maar komt toch in opstand tegen het absurde. Camus zelf neemt het heldendom vlak na het verschijnen van zijn eerste belangrijke filosofische werk in elk geval uitermate serieus en wordt lid van de Franse verzetsgroepering Combat, die in het geheim een krant maakt onder diezelfde naam. Pas in 1947, wanneer Combat een commerciële krant wordt, zal hij zijn medewerking staken. 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog leert hij Jean-Paul Sartre kennen, maar vooral na de oorlog houdt hij zich veel op in de kring rond de inmiddels zeer bekende filosoof. Hij bezoekt regelmatig het Café de Flore op de Boulevard St. Germain in Parijs, waar Sartre en Simone de Beauvoir hun boeken schrijven, en wordt zo geassocieerd met het existentialisme. Hij maakt een tour door de Verenigde Staten waarin hij lezingen houdt over het Franse existentialisme.

Sartre

In 1949 lijdt hij opnieuw aan tuberculose en leeft hij twee jaar in afzondering. Hij keert terug met een boek, zijn tweede filosofische hoofdwerk, L’Homme révolté, dat in het Nederlands vertaald wordt als De mens in opstand. Het is een filosofische analyse van opstand en revolutie, waarin hij de moorddadige kanten van de Franse en de Russische Revolutie belicht. Precies dat laatste zorgt voor veel kritiek van zijn linkse vrienden en collega’s. Dat het boek ook nog eens een enorm commercieel succes is en door rechtse commentatoren wordt geprezen, maakt het er niet beter op. Het leidt zelfs tot een breuk met Sartre. Sartre heeft op dat moment zijn eigen tijdschrift Les Temps modernes, vernoemd naar een van zijn favoriete films, Modern Times van Charlie Chaplin. Natuurlijk moet er een bespreking van De mens in opstand in verschijnen. Maar wat moet Sartre schrijven? Camus is zijn vriend; tegelijkertijd is hij het niet met hem eens.

Sartre besluit om een redelijk onbekende medewerker van zijn tijdschrift het vuile werk te laten opknappen. Camus is kwaad. Hij schrijft een weerwoord, zestien pagina’s lang, dat hij richt aan ‘meneer de directeur’ en waarin hij de echte auteur van het stuk met geen woord noemt. Camus gaat ervan uit dat de directeur achter het artikel staat, dus hij neemt het Sartre persoonlijk kwalijk. Een reactie van Sartre zelf kan nu niet uitblijven. Hij begint zijn relaas met: ‘M’n waarde Camus, onze vriendschap was niet gemakkelijk, maar ik zal haar missen.’ En verderop schrijft hij: ‘U hebt me zo weloverwogen ter verantwoording geroepen en op zo’n onaangename toon dat ik niet kan blijven zwijgen zonder gezichtsverlies.’ De hele ruzie speelt zich in het openbaar af. Het vervelende voor Camus is dat Sartre op dat moment zo’n toonaangevend persoon is dat veel mensen zijn kant kiezen. Camus weet zich geen raad met de situatie. Tegen een vriendin laat hij zich ontvallen: ‘Wat moet ik doen? Hem op zijn bek slaan? Hij is te klein!’ Camus voelt zich geïsoleerd en heeft moeite om aan het werk te komen. Hij verlummelt zijn tijd met vrienden en vooral met maîtresses. 

En dan is er ook nog zijn geliefde Algerije, waar zijn moeder nog steeds woont, en waar in 1954 de eerste opstanden tegen de Franse overheersing beginnen. Frankrijk slaat keihard terug. Camus kiest geen partij voor de onafhankelijkheidsstrijders, zoals Sartre en de zijnen. Hoewel Camus een grotere Algerijnse autonomie goedkeurt, is hij ervan overtuigd dat de Fransen en de Arabieren in vrede zouden moeten kunnen samenleven. Hij pleit voor een bestand om burgers te sparen, maar dat wordt door beide strijdende partijen als onzin verworpen.

In 1956 verschijnt zijn roman La Chute (De val), die zich in Amsterdam afspeelt. De Nederlandse hoofdstad komt er niet goed vanaf. Er hangt voortdurend een onheilspellende mist en Camus laat zijn hoofdpersonage zeggen: ‘Is het u opgevallen dat de grachtengordels van Amsterdam overeenkomen met de hellekringen?’ Een jaar later krijgt hij de Nobelprijs voor Literatuur, officieel niet voor La Chute maar voor zijn Réflexions sur la Guillotine, een essay tegen de doodstraf en de guillotine, die dan nog wordt gebruikt in Frankrijk. Wanneer hij in Zweden is om de prijs in ontvangst te nemen, gaat hij in gesprek met studenten van de Universiteit van Stockholm. Ze vragen hem naar zijn inactiviteit in het Algerijnse conflict. Hij verklaart dat hij in de eerste plaats ongerust is over wat er met zijn moeder kan gebeuren, die nog in Algerije woont. Weer kiest Camus voor het individu en het persoonlijke, en niet voor een algemeen idee van rechtvaardigheid.

Onvoltooid

De laatste jaren van zijn leven werkt hij vooral aan zijn postuum verschenen roman Le premier Homme, die in het Nederlands onder de titel De eerste man verschijnt. Hij kan dit boek niet afmaken door die plataan langs de route national tussen Champigny-sur-Yonne en Villeneuve-la-Guyard. Naast het treinkaartje heeft hij op het moment van het ongeluk ook het onvoltooide manuscript van De laatste mens bij zich, 144 dichtbeschreven bladzijden. 

Een absurde dood. Bij nader inzien lijkt zijn dood misschien zelfs iets te goed bij zijn filosofie te passen. Het is bijna alsof er een bedoeling achter zit. In zijn geval was het veel absurder geweest als hij een heel gewone, rustige dood was gestorven – als hij tamelijk oud was geworden en na een kort ziekbed vredig in zijn slaap was overleden.