Home Alain Badiou over de overrompelende waarheid

Alain Badiou over de overrompelende waarheid

Door Bert Bultinck op 20 maart 2006

03-2006 Filosofie magazine Lees het magazine

De waarheid spreekt tegenwoordig Engels en rekent in dollars. Alain Badiou strijdt tegen 'het schouwspel van de economie' en bepleit trouw aan een'andere waarheid'. 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

In een scherp essay in Die Zeit lanceerde de Oostenrijkse auteur Robert Menasse een paar weken geleden een frontale aanval op het gebrek aan staatsmanschap van de huidige politici, en in het bijzonder van de nieuwe Duitse Bondskanselier Angela Merkel. Menasse beweerde dat Merkel niets anders doet dan Schröders beleid voortzetten: ‘Ze vervangt het politieke handelen door stijl, en maakt zo de capitulatie van de democratie ten voordele van de belangen van de economie compleet.’ Zowel het christen-democratische populisme als zijn sociaal-democratische tegenhanger houdt zich slechts bezig met de politieke vertaling van economische eisen en het verzamelen van steun voor de afdanking van de politiek: ‘Beide glauben zu regieren. Aber sie sind nur im Amt.’

De flamboyante Franse filosoof Alain Badiou zou het volmondig eens zijn met Menasses kritiek. In De ethiek, een van zijn meest toegankelijke werken, schrijft hij nagenoeg hetzelfde. Volgens Badiou is de hedendaagse politiek niets anders dan het omzetten van ‘het schouwspel van de economie’ in een lijdzame publieke opinie, die onophoudelijk in de vorm van een consensus wordt geboetseerd. De economie – die ‘uiteraard’ een kapitalistische economie is – wordt vandaag voorgesteld als een noodzaak, een beetje zoals het weer. Het gaat erom zich zo goed mogelijk naar die hoogst veranderlijke en onveranderbare omstandigheid te schikken. Als het regent, neemt men een paraplu en als de zon schijnt, grijpt men naar zonnebrandolie factor zes. Als mensen meer mobiel bellen, gaat men werken bij Nokia. Maar als er teveel Volkswagens zijn, dan is dat voor de ontslagen arbeiders ook een fact of life. Voor een nieuwe waarheid is geen plaats, want op het einde van de geschiedenis is de Waarheid bekend en eeuwig. Zij spreekt Engels en rekent in dollars.
 
Alain Badiou, die volgend jaar zeventig wordt, is minstens sinds de revoltes van 1968 zeer actief in het Franse politiek-filosofische leven, maar hij begint pas de laatste jaren door te breken in het ruimere, gemondialiseerde debat. De filosoof, wiskundige, romancier en toneelauteur doceerde dertig jaar lang aan de universiteit van Paris VIII. In 1999 kreeg hij een leerstoel aan de beroemde Ecole Normale Supérieure, en vooral de laatste jaren kreeg hij meer aandacht in het Franse academische én publieke leven. In Badiou, a Subject to Truth, de meest uitgebreide introductie tot zijn werk, schrijft de Britse filosoof Peter Hallward dat de meeste teksten van Badiou ‘bijna letterlijk onleesbaar’ zijn, gelet op de hedendaagse standaarden van de Anglo-Amerikaanse universiteiten. Ook buiten de Engelstalige wereld wordt, bijvoorbeeld, L'être et l'événement als bijzonder taaie materie beschouwd, en die relatieve ontoegankelijkheid is jammer, want Badiou zelf beschouwt het als zijn ‘fundamentele’ boek.

Toch is Hallwards bedenking eerder koket. Samen met zijn Engelse vertaling van De ethiek bewijst zijn overzicht van het denken van Badiou dat deze nu ook toegang heeft tot het belangrijke Angelsaksische deel van de intellectuele wereld. De luidruchtige Sloveense filosoof en psychoanalyticus Slavoj Žižek fungeert daarbij niet zelden als gangmaker, door zijn werk in te leiden, grote woorden van lof op het omslag van Badious boeken te zetten en volledige hoofdstukken aan hem te wijden in zijn eigen boeken. Ook buiten academia wordt hij gehoord. Wanneer Badiou zijn mening geeft, zoals hij dat in Frankrijk onder meer deed in het zeer heftige hoofddoekendebat, dan verschijnen zijn cassante opmerkingen eerst in Le Monde, vervolgens worden ze uitgegeven in een chique, crèmekleurig boekje, en ten slotte in het Nederlands vertaald en gepubliceerd in België en Nederland (in dit geval verscheen zijn stuk onder meer in het Vlaamse tijdschrift Yang en De Groene Amsterdammer).

Sentimentaliteit
Badiou schrijft veel over politiek dat hij naast liefde, wetenschap en kunst als een van de vier ‘waarheidsdomeinen’ beschouwt,. Tot in het midden van de jaren tachtig was de politiek zelfs de enige ‘waarheidsprocedure’ in zijn systeem. Niet alleen is het na de val van de Muur letterlijk ondenkbaar geworden om de productiviteit en de handel op een andere manier dan de bestaande te organiseren, ook de publieke opinie – ooit een plaats van verzet – wordt volgens deze post-’68er volkomen verlamd. De consensusethiek die de publieke opinie in de ban houdt, is een soort sentimentaliteit ‘ingegeven door de aanblik van verschrikkingen en dienend als vervanging van de “oude ideologische scheidingslijnen”.’

Badiou drijft het mes nog wat dieper in de wonde wanneer hij ook nog eens de westerse ‘humanitaire’ interventies onder vuur neemt, die pretenderen hongersnoden en etnische zuiveringen te lijf te gaan, maar niets te maken hebben met het Goede. De op mensenrechten gestoelde geopolitiek vloeit voort uit wat hij ‘rechten op het niet-Kwaad’ noemt: het recht ‘om niet te worden gekrenkt of mishandeld’ of ‘om te worden gespaard in zijn leven’. De ethiek van de mensenrechten is de saus over de nihilistische mondiale politiek – zij omgordt de westerse mens als een schaamlapje dat de status quo in stand houdt. Dit soort politieke ethiek is voor Badiou inconsistent, ontdaan van elk emancipatoir streven en een ‘ontketening van egoïsmen’. Verschrikkingen zoals tsunami's, burgeroorlogen en andere rampen mobiliseren een medelijden dat de westerse suprematie bevestigt. Met een verwijzing naar de ellende in ex-Joegoslavië ontmaskert Badiou genadeloos onze goede bedoelingen: ‘[…] de kern van de macht die de ethiek in zich draagt, is altijd om te beslissen wie sterft en wie blijft leven’.

De aanhalingstekens die hij in het eerdere citaat rond de woorden ‘oude ideologische scheidingslijnen’ plaatst, verraden zijn scepsis ten aanzien van het alom verspreide eenheidsdenken, en vallen goed te rijmen met zijn maoïstische achtergrond. Het is een inspiratie die hij niet wil verraden – of, om een fundamenteel concept van zijn filosofie te gebruiken, waar hij ‘trouw’ wil aan zijn. Die trouw aan wat Badiou een ‘evenement’ noemt, is wat hij als een ‘waarheid’ beschouwt – met de nadruk op het onbepaalde lidwoord. Het is een waarheid, en niet de waarheid, want voor Badiou is het cruciaal dat er meerdere waarheden zijn. Maar ook met die nuance blijft zijn nadruk op waarheid in een post-deconstructief of relativistisch tijdperk tegelijk provocatief en verfrissend. Het is al vaker over hem gezegd: zijn filosofie is fundamenteel positief en het perspectief dat hij biedt op een nieuwe toekomst is ongetwijfeld een van de attracties van zijn verhaal. Na Badiou kan men weer het woord waarheid in de mond nemen, zonder die nadien meteen met bruine zeep te moeten gaan spoelen.
Die waarheden zijn positief, maar ook daadkrachtig: naast zijn meer abstracte, filosofische overpeinzingen, houdt Alain Badiou zich ook op een zeer concrete manier met politiek bezig – niet zozeer vanuit één grote, overkoepelende heilsleer (‘De moderne politiek is essentieel non-programmatisch’), maar vanuit een zeer actieve groepering, zijn Organisation Politique, die gedreven wordt vanuit een rigide, axiomatische opvatting van gelijkheid. De OP ijvert voor politieke gelijkheid voor iedereen die in een nationale gemeenschap woont, voor verblijfsvergunningen voor sans-papiers, politieke rechten voor alle arbeiders, universele toegang tot gezondheisdszorg en onderwijsprogramma’s. In het geval van ex-Joegoslavië, bijvoorbeeld, stelt hij dat externe interventies niet voor blijvende vrede kunnen zorgen. Hij vestigt zijn hoop op een goed georganiseerde, strikt egalitaire volksbeweging tegen elke vorm van etnisch, linguïstisch en religieus essentialisme.

Homunculus
Badious politieke praxis van relatief kleinschalige, ‘gesitueerde’ acties gaat hand in hand met zijn groter begrip van de waarheden: ook die vertrekken van concrete gebeurtenissen. Hij beseft daarbij zelf maar al te goed hoe bijzonder dat waarheidsbegrip is. Op verschillende plaatsen zet hij het af tegen de traditionele interpretaties, die ofwel technisch problematisch zijn, ofwel negatief. In het eerste geval gaat het over de Angelsaksische taalanalyse, die ontstond in de Wiener Kreis, met het logisch positivisme van denkers als Rudolf Carnap en Moritz Schlick. Waarheid is binnen die traditie niets anders dan een correspondentie van een uitspraak – meestal wordt de preciezere term ‘propositie’ gebruikt – met wat er in de werkelijkheid ‘het geval is’, zoals Ludwig Wittgenstein het uitdrukte. De klassieke kritiek op die correspondentietheorie wijst op een zeer eenvoudig, maar cruciaal probleem: wat is die correspondentierelatie precies? Wie of wat bepaalt of woorden overeenkomen met een stand van zaken? De spreker, de hoorder, of een bijeengefantaseerde correspondentiehomunculus? De andere gangbare definitie van de waarheid is er eigenlijk geen: in het spoor van Derrida blijft de waarheid onkenbaar. In die Franse poststructuralistische traditie is de waarheid ‘altijd al’ (om een typerende frase uit dat discours te gebruiken) verdacht. De waarheid is een metafysisch ‘filosofeem’ dat de inzet van ideologische, politieke of ethische machtsstrijden verdonkeremaant, die altijd door andere driften worden aangevuurd.

Badiou staat met beide voeten in het hier en nu, en wil zijn theorie onmiddellijk doen aansluiten op de praktijk, of die praktijk nu wetenschap, kunst, politiek of liefde heet. Zijn waarheden worden niet in een formalisme kapotgeanalyseerd, of in een ander taalspel ontmaskerd, maar duiken op in evenementen die een naam moeten krijgen. In De ethiek somt hij een aantal concrete voorbeelden op van hoe iemand geraakt wordt door een evenement: ‘”Iemand” kan dus die toeschouwer zijn, wiens denken gaande wordt gemaakt, aangegrepen en uit het lood geslagen door een gloedvolle theaterervaring, en die zo toetreedt tot de complexe configuratie van een kunstmoment. Of die noeste bestudeerder van een wiskundig probleem, die na het ondankbare werk waarin hij in den blinde rondtast plotseling de oplossing ziet gloren.’

Badious waarheden behoren zonder meer tot de meer romantische kant van zijn denken: het waarheidsmoment is de overrompelende gebeurtenis, waarbij men op het moment zelf totaal niet weet wat er gaande is, en waar men later betekenis aan moet geven. De arbeid die geleverd moet worden om het evenement een plaats te geven (die, als het goed is, steeds verandert) is positief, actief en vitaal. De Ierse modernistische auteur James Joyce noemde het een epifanie, Paulus werd erdoor van zijn paard gebliksemd en de moderne mens wordt wellicht meer dan eens gegrepen door een rockconcert of het plotse besef van schrijnend politiek onrecht.
Hoe romantisch ook, toch brengt Badious filosofie de lezer minder in een roes dan het werk van veel andere Franse denkers. De minder bekende, want veel minder toegankelijke kant van zijn werk bijvoorbeeld, is in zeer grote mate beïnvloed door mathematische modellen. Vooral de verzamelingenleer speelt een grote rol – veel van Badious terminologie komt uit die moeilijke, hoogst abstracte wetenschap. In een van zijn schaarse biografische schetsen vertelt hij hoe hij zijn vrouw verleidde met een overtuigende ontkenning van het bestaan van God, volgens de filosoof een van de belangrijkste technieken ‘om te schitteren voor de ogen van semi-vrome jonge meisjes’. Naar eigen zeggen begreep hij vanaf dat moment dat de meest argumentatieve, meest abstracte filosofie ook een kwestie van verleiden is.

In zijn schrandere kritiek op Badious denken formuleerde de Belgische filosoof en psychoanalyticus Marc de Kesel niet alleen zijn bewondering, maar wees ook op de zwakke plek van Badious theorie, die uiteindelijk een soort van systeem mag genoemd worden – een ‘complete filosofie’, zoals Žižek zegt, en die omschrijving is typerend voor het constructieve karakter van Badious filosofie. Volgens De Kesel zet Badiou zwaar in op de positieve kracht van het evenement, maar blijft dat een ontologische gok: ‘Dat het de zaak keert en een revolutie ontketent is duidelijk. Maar het is de vraag of die revolutie, als die voldoet aan de criteria die Badiou aanlegt, noodzakelijkerwijze ook positief moet uitdraaien.’ Badiou is de laatste om te ontkennen dat bepaalde revoluties, ook van communistische signatuur, rampzalige gevolgen hebben gekend, maar De Kesel heeft een punt wanneer hij opmerkt dat Badiou lijkt te veronderstellen dat het pure Zijn iets inherent goeds is.
Ondanks die terechte bedenkingen blijft de kracht van Badious nieuwe waarheidsdenken zonder meer overeind, en vormt het een inspiratiebron voor wie na het nihilisme van het anything goes verder wil. Gespeend van naïviteit, maar niet van dynamische daadkracht, dwars op het politiek correcte denken en wars van elke totaliserende neiging (volgens Badiou het catastrofale geloof dat de macht van één bepaalde waarheid totaal is), toont zijn waarheidsdenken een weg die meer is dan een ‘vluchtlijn’: ‘De waarhedenethiek stelt zich niet voor om de wereld te onderwerpen aan de abstracte heerschappij van een Wet, en al evenmin om te strijden tegen een extern, radicaal Kwaad. Zij tracht daarentegen het Kwaad af te wenden door middel van haar eigen trouw aan waarheden – het Kwaad dat ze als keerzijde, of schaduwzijde, van diezelfde waarheden heeft herkend.’