De laatste jaren van zijn leven gaf Ludwig Wittgenstein geen college meer. In 1947 diende hij zijn ontslag in als hoogleraar filosofie in Cambridge. Hij filosofeerde verder in gesprekken met collega’s en vrienden, maar vooral door zijn gedachten op te schrijven in notitieboekjes, zoals hij altijd had gedaan. Door zijn grote behoefte aan afzondering en het vertrek uit Cambridge waren gesprekken niet aan de orde van de dag. Alleen toen hij in de zomer van 1949 Norman Malcolm bezocht in Ithaca, New York, had hij ruim gelegenheid om te praten met filosofen. Malcolm vertelt hierover in zijn Memoir. Schrijven ging moeilijk doordat Wittgenstein in Amerika ziek werd en enige tijd later te horen kreeg dat hij niet meer lang te leven had. Desondanks waren er periodes waarin hij met energie en plezier kon werken. Juist de laatste anderhalf jaar van zijn leven laten een uitbarsting van creativiteit en nieuwe gedachten zien.
Het boek Zeker weten bevat een vertaling van de notities uit die laatste periode, van december 1949 tot april 1951. De laatste notitie was twee dagen voor zijn dood. Een aantal manuscripten verschijnen in Zeker weten voor het eerst in chronologische volgorde. De hoop is dat hiermee het verband tussen de verschillende onderwerpen waarover Wittgenstein schreef wordt hersteld. De meeste van deze notities, die sinds 2015 toegankelijk zijn op het internet, zijn namelijk postuum gepubliceerd in vier verschillende boeken: Over zekerheid (1969), Opmerkingen over de kleuren (1977), Letzte Schriften über die Philosophie der Psychologie. Das Innere und das Äussere (1992) en Losse opmerkingen (1977).
Wittgenstein is de meest becommentarieerde filosoof van de twintigste eeuw. Na zijn dood zijn honderden boeken en duizenden artikelen over hem verschenen. Het lijkt erop dat zijn filosofie uitleg nodig heeft. Komt dat doordat hij soms uitgesproken cryptisch schrijft, zoals in de Tractatus? In zijn latere werk wilde hij zijn filosofie wel degelijk uitleggen, zoals in deel I van de Filosofische onderzoekingen, dat een duidelijke opbouw kent en dat hij zelf voor publicatie klaarmaakte. Ook in de notities uit zijn laatste levensjaar zien we een filosoof aan het werk die zijn gedachten in een glasheldere stijl weet te verwoorden.
Schandaal van de filosofie
Wittgenstein reageert in Zeker weten op de Engelse filosoof G.E. Moore (1873-1958), die wordt gezien als een van de grondleggers van de analytische filosofie. Moore zette zich af tegen het rond de eeuwwisseling in Engeland populaire idealisme van Berkeley en McTaggart. In 1925 publiceert Moore het artikel ‘A defence of common sense‘. Daarin betoogt hij dat hij van een aantal dingen zéker weet dat ze waar zijn. En niet alleen hijzelf heeft een hele lijst van zekerheden die hij weet, dat geldt volgens Moore voor iedereen. Dat maakt idealisme – twijfel aan het bestaan van de ‘buitenwereld’ – een onhoudbare positie.
Moore somt dingen op die hij zeker weet: er bestaat op dit moment een levend lichaam, namelijk het mijne. Dit lichaam werd op een zeker moment in het verleden geboren. Sinds die tijd is het op of dicht bij het oppervlak van de aarde gebleven, omgeven met allerlei objecten. Onder die objecten waren ook andere levende menselijke lichamen. Ik ben een menselijk wezen, ik neem dingen waar, ik heb gevoelens. Zo nu en dan heb ik dromen, ik heb verwachtingen, ik ben me bewust van allerlei feiten. De aarde bestaat al vele jaren. Vele menselijke wezens hebben al vele jaren op de aarde geleefd.
Het eerste deel van het artikel eindigt met de constatering dat hij zeker weet dat andere mensen dezelfde of vergelijkbare zekerheden hebben als hijzelf. In het vervolg wordt duidelijk dat Moore geen fundamenteel verschil ziet tussen kennis en zekerheden. Maar zijn artikel eindigt in grote verwarring. Wittgenstein zal later de zaak ophelderen door zekerheden en kennis tegenover elkaar te stellen: zekerheden kunnen niet verder beargumenteerd worden, kennis wel.
Moore komt in 1939 terug op zekerheden in het artikel ‘Proof of an external world’. Hij begint met een bespreking van Kants ‘schandaal van de filosofie’ – namelijk dat er geen bewijs is voor het bestaan van de materiële wereld – en komt op het einde, na veel omwegen, tot een eigen oplossing. Moore vertelt hoe hij voor een collegezaal staat, zijn handen omhoogsteekt en zegt: ‘Hier is één hand, en hier de ander.’ Wat blijkt: alle aanwezigen zijn het met hem eens. Natuurlijk: ‘Hoe absurd zou het zijn, om te suggereren dat ik dat niet wist, maar dat ik het alleen maar geloofde, of dat het misschien niet het geval zou zijn!’ ‘Wij allemaal nemen bewijzen van dit type aan als absoluut afdoende bewijzen van bepaalde conclusies.’
Maar wie denkt dat de zaak hiermee is opgelost, komt bedrogen uit. Met kenmerkende bescheidenheid geeft Moore toe, in de ogen van veel filosofen niet geslaagd te zijn een écht bewijs te geven van het bestaan van externe objecten. Daarmee haalt hij ook hier zijn eigen betoog onderuit. In persoonlijke gesprekken in de jaren veertig en opnieuw in zijn notities in 1950-1951 gaat Wittgenstein met Moore in discussie. Moores verdediging van common sense intrigeerde hem: het is een belangrijk filosofisch inzicht, maar net verkeerd geformuleerd. In beide genoemde artikelen lijkt het erop dat Moore terugschrikt voor de consequenties van zijn diepe filosofische inzicht. Hij lijkt op een schaker die een geweldig stukoffer heeft gebracht, maar vervolgens in een uiterst gecompliceerde stelling terecht komt waarin hij in verwarring raakt, zodat hij even later gebruikmaakt van een toevallige mogelijkheid tot herhaling van zetten, om gelijkspel te forceren.
Taalspel
Terug naar Moores voorbeeld van ‘Dit zijn mijn twee handen’, waarmee Over zekerheid begint. Wittgensteins kritiek op Moore is in het kort:
- Zekerheden zijn geen kennis, omdat we geen redenen kunnen geven voor hun waarheid.
- Zekerheden kunnen niet verder gefundeerd worden. Wat zou, in een alledaagse situatie, zekerder kunnen zijn dan de simpele constatering dat dit mijn twee handen zijn? Hoe zouden sense data een zekerder rechtvaardiging kunnen geven?
- De begrippen zekerheid en kennis (weten) sluiten elkaar wederzijds uit. Zekerheden zijn geen kennis, kennis is niet zeker. Aan zekerheden kunnen we niet twijfelen en we kunnen er geen goede redenen voor geven. Kennis is wel betwijfelbaar, daar kan over gedebatteerd worden, er kunnen argumenten voor of tegen aangevoerd worden.
- Zekerheden zijn een collectief bezit. Ze functioneren binnen een menselijke gemeenschap (een taalspel, een levensvorm). Ze maken deel uit van de logica of grammatica van een taalspel.
- Zekerheden worden doorgaans niet uitgesproken of benoemd in ons leven. Ze blijken uit ons handelen. Een taalspel toont zekerheden. Als er een aanleiding toe is, kan erover gesproken worden. De enigen die zich over zekerheden verbazen, zijn filosofen.
Moore was een bescheiden geleerde. In een autobiografische schets zegt hij dat Wittgenstein hem heeft geleerd dat voor de oplossing van zijn filosofische problemen een heel nieuwe methode nodig is, een methode die Wittgenstein succesvol gebruikte, maar die hij zelf nooit heeft leren beheersen. In Zeker weten laat Wittgenstein zien hoe zijn methode werkt. Moores verwarringen kunnen opgelost worden met gewone-taalfilosofie, dat wil zeggen: het analyseren van voorbeelden van taalgebruik in het echte leven.
Dit is een bewerkte voorpublicatie uit het voorwoord en de aantekeningen van Sybe Terwee bij zijn vertaling van Zeker weten van Ludwig Wittgenstein, dat op 29 mei 2026 verschijnt bij Boom.
Zeker weten
Ludwig Wittgenstein
vert. Sybe Terwee
Boom
160 blz.
€ 22,90

