Home Psyche Filosoof Regine Dugardyn: ‘Extreme angsten laten zien wat het betekent om mens te zijn’
Psyche

Filosoof Regine Dugardyn: ‘Extreme angsten laten zien wat het betekent om mens te zijn’

Door Alexandra van Ditmars op 29 september 2025

Regine Dugardyn
beeld Tessa Posthuma de Boer
Filosofie Magazine 10 waar begint een begin
10-2025 Filosofie Magazine Lees het magazine
Filosoof Regine Dugardyn kampt al tientallen jaren met een angststoornis. ‘In de eenzaamheid ervaar ik dat het leven een sprong in het diepe is.’

‘Vooral de vroege ochtend en de vooravond waren mijn zelfmoorduurtjes,’ schrijft Regine Dugardyn over een zware periode in 2015. ‘Niet dat ik er echt een eind aan wilde maken, maar eenmaal dood zou ik in ieder geval geen angst meer voelen.’ Dugardyn (1960), filosoof en voormalig uitgever, werd zo’n 35 jaar geleden gediagnosticeerd met een angststoornis. Onlangs verscheen haar boek Mijn bange ik. Hardop denken over angst en ander psychisch ongemak, waarin ze openhartig schrijft over haar eigen ervaringen met angst en kritiek geeft op het hedendaagse debat over psychisch lijden.

Wil je dit artikel verder lezen?

Sluit een abonnement af op Filosofie Magazine voor slechts 4,99 per maand en krijg toegang tot dit artikel én de duizenden andere diepgaande filosofische artikelen. Luister nu ook alle nieuwe artikelen als audio.
Word abonnee en lees verder > Al abonnee? Log dan in en lees (of luister) verder.

Regine Dugardyn (1960) is filosoof, schrijver en voormalig uitgever bij Ten Have. Ze richtte Socrates & co op, een bedrijf dat zich bezighoudt met redactie en advies op het gebied van filosofie. Ook schrijft ze filosofische boeken: naast Mijn bange ik (2025) publiceerde ze Waarom ik van Simone de Beauvoir houd (2020).

Eerst maar eens die ervaring: een angststoornis, wat is dat precies? Waarin verschilt de angst die je dan voelt van de angst zoals iedereen die kent, voor bijvoorbeeld een spin of mogelijke inbrekers? Dugardyn: ‘Je geeft het zelf al aan: dat is angst voor een concreet iets. Misschien is die wel overdreven, maar evengoed is die even later – of na een paar dagen – weer uit je systeem. Ziekelijke angst is een angst die je leven overneemt; je staat ermee op en je gaat ermee naar bed. Die angst kan allerlei vormen aannemen: extreme faalangst of stress, de angst om te moeten braken in de publieke ruimte, een onbestemd gevoel. Bij mij is dat dan een soort doodsangst. Soms wordt het meer een dwangstoornis, waarbij je getergd wordt door malende gedachtes. Dan gaat het wel over iets concreets, maar op een ongezonde manier. Ik had dat toen ik continu twijfelde aan mijn relatie. Af en toe aan je relatie twijfelen is niet ziekelijk, dat twee jaar lang elke seconde van de dag doen wel.’

Maar, benadrukt ze, grenzen bij psychische aandoeningen zijn vaag. ‘Het zijn geen nette onderscheidingen; je kunt niet zomaar zeggen: dit is gewone angst en dit is ziekelijke angst.’ Dat hangt altijd af van bijvoorbeeld de context, de persoon en de frequentie.  ‘Mensen willen dingen graag in overzichtelijke hokjes stoppen, maar dat kan niet. Het onderscheid tussen normaal en niet normaal is soms lastig te maken.’

‘Het publieke debat over de psychiatrie is vaak meedogenloos’

Daarmee raakt Dugardyn aan de kritiek die zij uit in haar boek, die zich met name richt op de publieke discussie over psychisch lijden. Ze noemt dat debat de ‘publieke psychiatrie’ en de sleutelfiguren erin ‘publiekspsychiaters’, al zijn het soms ook psychotherapeuten of filosofen. ‘Dat debat is soms meedogenloos,’ vindt Dugardyn. ‘Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat mensen een quick fix willen voor hun persoonlijke problemen en daarom maar aan de antidepressiva gaan. Of dat mensen geen onderscheid meer kunnen maken tussen gewone en ziekelijke angst. Als patiënt vind ik dat soort uitspraken pijnlijk. Je wordt dan min of meer weggezet als iemand die zich aanstelt. Terwijl die publiekspsychiaters weten dat zelfs ernstig zieke patiënten vaak bang zijn dat ze zich aanstellen.’

In haar boek passeren verschillende namen de revue, inclusief de bronnen waar de uitspraken uit afkomstig zijn. Het betreft vaak uitspraken in interviews; op de boeken van de denkers is Dugardyn vaak minder kritisch, daar is meer ruimte voor nuance. ‘Maar ­patiënten lezen de krant ook, dus je moet als hulpverlener goed nadenken wat je daarin zegt. We kunnen niet meer met angst en verdriet omgaan, terwijl angst en verdriet nu eenmaal bij het leven horen, las ik bijvoorbeeld in een NRC-interview met psychiater Damiaan Denys. Dat is zo, maar mijn angst is buitenproportioneel. Angst hoort bij het leven, maar het hoort ook bij onze samenleving dat je er hulp voor kunt krijgen als het echt fout gaat. Zo’n uitspraak helpt daar niet bij, vrees ik.’

Volgens Denys worstelen mensen die aan een normaal existen­tieel probleem lijden met de vraag hoe ze moeten leven, zo vat Dugardyn samen, terwijl mensen met abnormale psychische klachten zich afvragen hoe ze moeten óverleven. Dugardyn: ‘Maar iemands worsteling met een probleem op het gebied van zingeving kan soms ziekelijke of gestoorde proporties aannemen. De grens tussen een existentiële worsteling en een psychiatrische stoornis valt niet scherp te trekken.’

Het naakte bestaan

Extreme angsten hebben vaak een existentiële dimensie, meent Dugardyn. ‘Ze laten zien wat het ten diepste betekent om mens te zijn, laten je een glimp opvangen van het naakte bestaan.’ Wat houdt dat in? ‘Als je angstig bent, voel je je van het leven afgesneden. Dat is denk ik ook zo als je depressief bent. En hoezeer anderen je ook proberen te steunen, je ervaart dat het uiteindelijk op jezelf aankomt: jij moet hiermee dealen, anderen kunnen dat niet voor je doen. Als ik heel bang ben, komt er een gevoel van eenzaamheid over me heen. In die eenzaamheid ervaar ik dat het leven een sprong in het diepe is en dat niemand die sprong van me kan overnemen – dat is die existentiële dimensie. In het gewone leven blijft die vaak toegedekt, omdat je dan wordt opgeslokt door je dagelijkse bezigheden.’ Maar, benadrukt ze, dat iets existentieel is, betekent nog niet dat het ook nut of betekenis heeft. ‘Denk aan uitspraken als: het was heel zwaar, maar het heeft me ook veel gebracht. Misschien heeft je angst je inderdaad een inzicht opgeleverd, maar ik denk dat veel mensen dat inzicht liever niet hadden gehad, als al die ellende ze dan ook bespaard was gebleven.’

In haar boek haalt ze filosoof en psychiater Gerrit Glas aan. ‘Dat gevoel van eenzaamheid is volgens hem een vorm van bestaansangst of basisangst.’ Dugardyn schrijft: ‘Ik herken in zijn omschrijving van basisangsten vooral de angst voor “zinloosheid en absurditeit” en die van “twijfel en de onmacht te kiezen”.’ Deze angsten staken de kop op, schrijft ze verder, toen ze ‘de sekte verliet’.

Met die sekte doelt Dugardyn op de Focolare, een conservatieve, katholieke beweging waar ze in haar jeugd bij zat. Op haar zeventiende valt ze van haar geloof en voelt ze zich genoodzaakt de Focolare te verlaten. ‘Toen begon het getwijfel, de angst, het getob – mijn houvast viel weg. Die gebeurtenis is de trigger geweest voor mijn angsten.’

In deze periode wijst haar leraar Frans haar op de existentialisten. Met name van filosoof Albert Camus is ze onder de indruk. ‘Hij zegt: of je stapt eruit, of je omarmt de zinloosheid van het leven. Dat fascineerde me, al was die boodschap op dat moment te groot voor mij. Maar ik vond het zo dapper dat hij de zinloosheid durfde uit te spreken. Het was iets wat ik heel diep voelde; de zin van het leven was voor mij met het verlaten van de Focolare weggevallen. Ik bleef emotioneel met een lege huls achter. Die leegte kijken­ ­existentialisten in de bek. Ik ervoer toen ook dat andere mensen soms beter kunnen verwoorden wat jij voelt of denkt.’ Kan therapie daar ook bij helpen? ‘Ja, je kunt daar woorden vinden voor wat eerst alleen voelbaar was en zo begrip en betekenis ontwikkelen voor wat je hebt meegemaakt.’

Hersenstofje

Een terugkerende boodschap in Dugardyns boek is dat het bij denken over psychisch lijden niet zozeer of-of is, maar eerder en-en. ‘Zo kan angst een existentiële ervaring zijn, maar het is ook iets van het brein. Alleen moet je angst niet reduceren tot hersenchemie, tot het idee dat er een stofje in je brein ontbreekt en dat alles is opgelost als je dat bijslikt. Maar de hersenen negeren is ook weer niet nodig; voor veel mensen is het een zegen dat er antidepressiva en angstremmers bestaan.’ Iets soortgelijks zegt ze over de DSM, het handboek voor psychiatrische diagnoses. ‘Diagnoses kunnen steun bieden, maar ook een fuik zijn. Dankzij een diagnose kun je begrijpen wat er met je aan de hand is en de juiste steun krijgen. Maar je kunt je ook gaan gedragen naar je diagnose.’ Ze geeft een voorbeeld van een meisje met anorexia, dat in een kliniek het gedrag van andere anorectische meisjes – niet gaan zitten maar blijven staan, dan verbrand je meer calorieën – overneemt. ‘En een diagnose blijft een indicatie, die niet in beton is gegoten.’

‘Of je stapt eruit, of je omarmt de zinloosheid van het leven’

De diagnoses die in de DSM zijn opgenomen veranderen ook door de jaren heen. Is elke diagnose dan een perspectief, geen waarheid? ‘Het is eerder een bril waardoor je kijkt, waarmee je onderscheid kunt maken tussen patiënten. Veel critici zien de DSM als een brevet van onvermogen. Dat komt omdat zij een bepaald idee van wetenschap hebben: dat die bestaat uit harde, onveranderbare wetten. Zelf sluit ik me op dit punt eerder aan bij Trudy Dehue, psycholoog en emeritus hoogleraar wetenschapstheorie. Zij zegt dat het niet gaat om je constant afvragen: klopt de diagnose wel? Maar: helpt de diagnose mij? Dan zit je minder op de waarheidsvraag en er hoort een ander beeld van wetenschap bij, namelijk van trial and error. Dat past ook beter bij onze psyche: die is zo ingewikkeld, die krijgen we nooit helemaal doorgrond.’ Ook wat betreft de benadering van de geest is Dugardyn voorstander van genuanceerd denken. De gebruikelijke ‘DSM-benadering’ bekijkt de geest medisch en gedragsmatig: symptomen van diagnoses moeten worden ingedamd of geëlimineerd. Daartegenover staat de gedachtelijn die Sigmund Freud, grondlegger van de psychoanalyse, introduceerde: psychisch lijden is niet alleen iets dat bestreden moet worden, maar ook iets dat begrepen moet worden. ‘Daarbij luister je naar iemands verhaal in plaats van alleen naar de klachten te kijken. Therapie is dan niet alleen bedoeld om te herstellen, maar ook om te begrijpen en te verwerken.’ En lijden is meer een verhaal dan een defect. ‘Ik heb heel verschillende behandelingen gehad waaraan ik veel gehad had, vanuit beide benaderingen. Beide kunnen werken. Maar ik zie wel dat we vaak harde kennis willen over therapie, terwijl weinig psychotherapieën geschikt zijn om in een experiment te duwen. En dat daardoor soms weinig ruimte overblijft om de diepte in te gaan en stil te staan bij pijnlijke gebeurtenissen.’

Gevoel

Maakt filosoof-zijn het makkelijker of moeilijker om met psychiatrische klachten om te gaan? ‘Moeilijker. Ik ben weleens boos geworden op een therapeut, omdat ze het gevoel belangrijker vond dan het verstand. Dat vond ik als kersverse filosoof toen niet kunnen.’ Maar Dugardyn kijkt liever naar wat filosofie en psychiatrie wél aan elkaar hebben. ‘Die nadruk op het gevoel kan juist goed zijn voor filosofen. Ik zie filosofen vaak rationaliseren; over gevoelens praten wordt in intellectuele kring al snel als navelstaren gezien. Terwijl mensen die alleen met hun hoofd bezig zijn, soms geen idee hebben wat er in hun binnenste omgaat – en dan weet je ook niet waardoor je gedreven wordt. En de psychiatrie kan van de filosofie leren om een breder idee van wetenschap te ontwikkelen, waarbij meer ruimte is voor de mens in al zijn facetten, ook de niet-meetbare. Filosofische reflectie en nuance leiden misschien niet altijd tot schokkende stellingen, maar doen wel meer recht aan de ervaringen van mensen die bij tijd en wijle alle zeilen moeten bijzetten om overeind te blijven.’

Mijn bange ik. Hardop denken over angst en ander psychisch ongemak
Regine Dugardyn
Ambo Anthos
216 blz.
€ 23,99

Loginmenu afsluiten