Home Economie Waarom we nooit genoeg hebben
Economie

Waarom we nooit genoeg hebben

Door Suzanne van den Eynden op 27 maart 2013

Waarom we nooit genoeg hebben
Cover van 04-2013
04-2013 Filosofie magazine Lees het magazine

De buurman heeft een grotere auto, die collega krijgt wel die promotie. Bij onze welvaart hoort een permanent gevoel van schaarste, zeggen Hans Achterhuis en Rutger Claassen.

Wanneer menselijk gedrag aan het licht komt waarvan massaal schande wordt gesproken, ligt een berouwvolle reactie van de ‘dader’ in de lijn der verwachting. Na het openbaar worden van exorbitant hoge bonussen van sommige bestuurders was schaamte, misschien gevolgd door een vrijwillige teruggave, volgens die redenering logisch geweest. Wat je in elk geval niet zou verwachten, is exact het omgekeerde. Toch was dat precies wat er gebeurde, vertelt Rutger Claassen, universitair hoofddocent ethiek en politieke filosofie aan de Universiteit Utrecht en auteur van Het eeuwig tekort. ‘Topinkomens stegen juist zodra ze openbaar werden. De bankdirecteur kon zien hoeveel zijn collega’s in het dorp verderop verdienden en wilde er ook wat bij. De strijd om het hoogste salaris barstte los. ’De neiging om ontevreden te zijn met ons eigen bezit wanneer we constateren dat een ander méér heeft, ligt diep verankerd in onze menselijke natuur. Het gaat er niet alleen om dat we meer en meer willen. Nee, we willen meer dan een ander, meer dan de buurman of collega, en dat uit zich in het dagelijks leven in een voortdurend gevoel van schaarste. Een wanverhouding tussen onze behoeften en middelen om deze te bevredigen. Hetzelfde mechanisme dat topmanagers aanzet tot een strijd om het hoogste salaris drijft ons tevens tot oneindig consumeren, hoeveel we ook bezitten.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Claassen is een van de twee Nederlandse denkers die een uitgebreide studie naar schaarste publiceerden. In 1988 verscheen van Denker des Vaderlands Hans Achterhuis Het rijk van de schaarste. Van Claassen volgde Het eeuwig tekort in 2004. Beiden gingen aan de hand van verschillende filosofen op zoek naar de antropologische achtergronden van schaarste met als doel een antwoord op de vraag: waarom is tegelijk met onze welvaart ook onze schaarste toegenomen?

In onze rijke maatschappij ervaren we schaarste namelijk dagelijks aan den lijve. We zouden dolgraag de nieuwste iPad kopen – onze collega heeft hem al –, maar hebben niet genoeg geld om deze aan te schaffen. We willen binnen drie kwartier met de auto van Den Haag naar Amsterdam, maar een tekort aan mobiliteit op de weg maakt dat we er anderhalf uur over doen. We begeren vier vakanties per jaar, net als de buurman, maar hebben slecht voldoende geld en vrije dagen voor twee. ‘Vrijwel alles is tegenwoordig schaars’, constateert Claassen. ‘Zelfs aan schone lucht, vroeger een “vrij” goed, hangt nu een prijskaartje in de vorm van bijvoorbeeld emissierechten voor CO2-uitstoot.’ Achterhuis: ‘Ook zaken als tijd en stilte zijn niet meer vrij. Denk aan stiltegebieden die door de overheid of de NS worden gereguleerd.’ De spanning die we ervaren tussen luxebehoeften en het gebrek aan middelen om deze behoeften te bevredigen maakt ons niet minder ‘slachtoffer’ van schaarste dan mensen in landen met een voedseltekort. ‘Natuurlijk is een tekort aan eten ernstiger dan een tekort aan luxe’, zegt Achterhuis. ‘Maar de subjectieve ervaring van schaarste is in beide situaties precies dezelfde.’

Haasje-over

Schaarste ontstaat volgens Achterhuis en Claassen naarmate menselijke begeerte meer ruimte krijgt en vaker wordt vervuld. Begeerte zelf is zo oud als de mensheid en heeft zowel een individueel-biologische als een sociale oorsprong.

In het werk van Achterhuis prevaleert de mimetische begeerte als verklaring voor schaarste. Dit verschijnsel, voor het eerst uitgewerkt door de Franse filosoof René Girard (1923), verklaart waarom we graag dingen willen bezitten die door een ander als begerenswaardig worden beschouwd (mimese = nabootsen). Achterhuis: ‘Uit beschrijvingen van bioloog Frans de Waal blijkt dat bij chimpansees, waar onze biologische oorsprong ligt, bepaalde neuronen in de hersenen een signaal afgeven wanneer de ene chimpansee de andere iets ziet doen of pakken. Deze zogeheten spiegelneuronen zorgen ervoor dat we meevoelen wanneer een ander pijn lijdt en dat we sympathie voor een ander voelen. Tegelijkertijd verklaren ze waarom wij die zaken begeren die een ander heeft. Wanneer ik iemand zich iets zie toe-eigenen wat hij duidelijk begeert, of dit nu macht is of een mooie auto, ontstaat bij mij de wens om datgene ook te bezitten.’

Volgens Claassen verklaart de mimetische begeerte slechts voor een deel het ontstaan van schaarste. Fundamenteler is volgens hem de eveneens evolutionair gegroeide begeerte naar status en erkenning. Deze begeerte leidt tot wat Claassen, in navolging van economen als Robert Frank, een ‘positionele competitie’ noemt: een strijd om goederen die een hoge status in de groep markeren. Die strijd vullen we soms in door anderen na te bootsen, maar soms juist door ons te onderscheiden van een ander. ‘Het heeft evolutionair gezien grote voordelen om veel aanzien te hebben: hoe machtiger, hoe meer overlevingskansen. Dit uit zich in onze maatschappij in een felle concurrentie op het gebied van banen, auto’s en vakanties – zaken waar we vandaag de dag status aan ontlenen. Omdat we allemaal streven naar erkenning en macht ontstaat een soort haasje-over: iedereen moet telkens een grotere inspanning leveren om nog op erkenning te kunnen rekenen. Vroeger was je met een universitaire opleiding een bijzonderheid. Nu is die bijna een voorwaarde geworden voor een fatsoenlijk middenklassenbestaan, en moet je om uit te blinken 26 nevenactiviteiten op je cv hebben staan.’

Adellieden

Tot het ontstaan van de kapitalistische samenleving kwamen onderlinge begeerte en competitie nauwelijks tot uiting. Een gevoel van schaarste bleef daardoor uit. Het hiërarchische karakter van voormoderne samenlevingen speelde daarbij een belangrijke rol. Achterhuis: ‘Gelijkheid is een modern idee, dat vroeger absurd werd gevonden. Augustinus zei: rechtvaardigheid bestaat wanneer iedereen zijn plaats kent. Mensen die zich in de Middeleeuwen in de lagere klassen bevonden, haalden het niet in hun hoofd de bezittingen en status van de adellieden te begeren.’ Claassen: ‘Hoewel dit systeem op den duur ook niet houdbaar bleek, heeft het duizenden jaren gefunctioneerd. Er zal best eens afgunst zijn gevoeld, maar waarschijnlijk kreeg een kind uit een lage klasse met hogere ambities snel te horen: dat is niet voor ons soort mensen weggelegd. Mensen binnen dezelfde groep concurreerden bovendien niet met elkaar. Nu zijn we individuen die op basis van hun eigenbelang alles met iedereen mogen ruilen om daar zelf zo goed mogelijk uit te komen.’

De menselijke begeerte werd in de Middeleeuwen bovendien in toom gehouden door strenge geboden als ‘Weest niet hebzuchtig’. De drang tot macht en bezit uitte zich slechts in veroveringstochten op vreemde bodem, niet in statusconsumptie in de eigen groep. Achterhuis: ‘Het verbod op begeren is inmiddels verworden tot een gebod: gij zult begeren en consumeren. Het wegvallen van hiërarchische samenlevingen en van strenge verboden, samen met het ontstaan van de markteconomie, heeft de weg ervoor vrijgemaakt om op gelijkwaardige basis te streven naar status die ontleend wordt aan consumptiegoederen. De markteconomie floreert bij consumerende burgers die via reclames worden aangemoedigd om méér te begeren en te kopen. We houden geen gewelddadige veroveringstochten meer, maar beconcurreren elkaar als consumenten. De markt stelt ons in staat om met begeerte om te gaan zonder elkaar de hersens in te slaan.’

Met de introductie van de markteconomie deed schaarste zijn intrede en begon op steeds meer terreinen de kop op te steken. Ook openbaarde zich de keerzijde, in de vorm van uitputtingsverschijnselen. Claassen: ‘Voor het produceren van goederen en diensten, de outputkant van de economie, zijn productiefactoren nodig: arbeid. Dat wil zeggen, onze persoonlijke tijd en energie, en natuurlijke hulpbronnen, die samen de input vormen. Hoe meer we produceren, hoe meer arbeid en natuur nodig zijn. Er komen dus steeds meer consumptiegoederen beschikbaar, maar de inputkant wordt geplunderd. We zien de gevolgen hiervan terug in de vorm van burn-outs bij mensen, maar ook in het ontstaan van nieuwe schaarse goederen, zoals energiebronnen en natuur. Tegelijkertijd wordt de behoefte aan consumptiegoederen niet minder, waardoor deze ook schaars blijven.’

Achterhuis: ‘Alles, ook de natuur, wordt onderworpen aan de productie van consumptiegoederen. Ook al zakt heel Groningen in, we gaan door met gaswinning; we willen immers méér.’ Claassen: ‘De crisis maakt inmiddels duidelijk hoe ons op positionele strijd gebaseerde systeem ook de economie heeft beschadigd. Bedrijven gaan failliet, banken moeten gered worden, de zeepbel stort in – iets waarvoor de belastingbetaler opdraait.’

Rijkdom

Nu is schaarste niet alleen maar kommer en kwel, betogen Achterhuis en Claassen. Deze heeft ons ook veel gebracht: rijkdom, een sterke concurrentiepositie van ons land, persoonlijke ontwikkeling. Achterhuis: ‘Schaarste drijft ons ertoe het beste uit onszelf te halen. Het is bovendien ook gewoon léúk om die nieuwe iPad te kunnen kopen en om op andere terreinen de competitie met anderen aan te gaan. Mijn kleindochter hockeyt bijvoorbeeld op hoog niveau. Het kind straalt sinds ze zo met die sport bezig is en vaak wint.’ Claassen: ‘We waren nooit zo rijk geweest als nu als we die schaarste niet zo duidelijk hadden gevoeld.’

Achterhuis ziet bovendien een mogelijk keerpunt op het gebied van de omgang met onze mimetische behoeften. Een van de mechanismen waarmee maatschappelijke gelijkheid vanaf de jaren zestig werd bevorderd, is namelijk de verzorgingsstaat: wie werkloos of ziek was, kon dankzij de uitkering blijven consumeren. De afbouw van voorzieningen als de AWBZ brengt het risico met zich mee dat die gelijkheid afbrokkelt. ‘Het kan twee kanten op gaan. Of we worden een soort Griekenland, waar groepen zich zo benadeeld voelen dat de onderlinge strijd heviger dan ooit losbarst. Of we beseffen dat we allemaal in hetzelfde schuitje zitten en beter af zouden zijn als we onze mimetische begeerte laten varen en gezamenlijk optrekken. Dit kan leiden tot nieuwe vormen van solidariteit, waarvan ik steeds meer voorbeelden zie.’

Claassen is sceptisch. ‘De verzorgingsstaat heeft een dempende functie op het kapitalisme. Zodra die functie wegvalt, neemt de concurrentie automatisch toe. Mensen die vroeger alleen dankzij de overheid in hun levensonderhoud konden voorzien, worden nu de markt op gedreven. Voor liberalen natuurlijk een positieve ontwikkeling, maar daartegenover staat dat begeerte en hebzucht worden aangewakkerd.’

Bonobo of chimpansee

Eén ding is zeker: helemaal aan schaarste ontkomen zit er niet in. Achterhuis: ‘Laatst werd een econoom van de Rabobank in de krant geciteerd met de uitspraak: “Misschien moeten we af van onze groeiverslaving.” Maar begeerte zit zo ingebakken in onze natuur en cultuur dat we daar niet zomaar aan kunnen ontsnappen.’ Claassen: ‘We zullen altijd aan schaarste gehecht blijven vanwege de voordelen, maar moeten een manier vinden om met de nadelen te leren omgaan.’ Gelukkig is ook dat mogelijk, stellen beiden. Achterhuis: ‘Als mensen een deel van hun verlangens als mimetisch herkennen, kunnen ze besluiten zich niet meer te laten meeslepen door de strijd om de beste baan of mooiste auto.’ Claassen: ‘De beste manier om met schaarste om te gaan is door onze statusdrang te temmen. Je ziet al terugtrekkende bewegingen van mensen die afhaken in de ratrace om status, zoals de slow-bewegingen. Interessant daarbij is de theorie dat we maar voor de helft van chimpansees afstammen en voor de helft van bonobo’s: vredelievende dieren die samenwerken om te overleven. Deze theorie is uitgewerkt in het boek The Spirit Level van Richard Wilkinson en Kate Pickett, uit 2009. Die concurrerende chimpansee en altruïstische bonobo in ons strijden voortdurend om voorrang. De cultuur van een samenleving bepaalt welke wint.’

Bij het temperen van onze concurrentiedrift kan overheidsingrijpen soms een handje helpen. Claassen noemt als voorbeeld de nieuwe regels rond hypotheken, waardoor mensen minder mogen lenen en meer moeten aflossen. ‘Deze regels beperken de munitie voor mensen om via hun woning de positionele strijd aan te gaan met anderen. Onder bestaande huizenbezitters is de weerstand tegen dergelijke regels doorgaans groot, maar nieuwkomers weten straks niet beter. Zo kan een nieuwe norm onderdeel worden van onze cultuur.’

Beeld Leendert Masselink (Studio Illurama)

Dit artikel staat ook in onze nieuwe Verlangens Special, een extra dik nummer dat een uniek licht schijnt op de veelzijdige aard van onze lusten, verlangens en begeertes.