‘Alles is mogelijk voor wie de leegte mogelijk is!’ ‘Weet je wel dat hetgeen de vormen vormt zelf geen vorm heeft?’ Wie zich in klassieke filosofische teksten uit het Oosten verdiept, wordt onvermijdelijk geconfronteerd met raadselachtige uitspraken over het niets of de leegte. Zulke woorden zijn even fascinerend als frustrerend. Wat betekent ‘het niets’ in de oosterse filosofie precies?
Een voor de hand liggend antwoord luidt: ‘Helemaal niets!’, in de zin van: dit woord slaat op het niet-bestaande, een pure afwezigheid. Als ik bijvoorbeeld ‘s nachts de koelkastdeur open, maar er zit niets meer in, dan word ik met dit ‘negatieve niets’ geconfronteerd. Aan het begin van de twintigste eeuw, toen het westerse onderzoek naar het boeddhisme nog in de kinderschoenen stond, dacht men dat een begrip als ‘nirvana’ – het einddoel van de boeddhistische filosofie – op de beëindiging van het bestaan sloeg. Op die manier werd de leer van de Boeddha geïnterpreteerd als een ultieme vorm van nihilisme. Rare jongens, die boeddhisten: waarom zou je ernaar streven om niet meer te bestaan?
Nirvana
Bij nader inzien blijkt de betekenis van het concept nirvana subtieler. Letterlijk betekent dit woord zoveel als: ‘De toestand waarin een vlam verkeert nadat hij is uitgedoofd.’ Maar daaruit kun je niet concluderen dat er op dat moment geen vlam meer bestaat. Volgens de traditionele Indiase elementenleer kan vuur ook aanwezig zijn zonder dat je het waarneemt. Zo duidt nirvana dus op een bijzondere toestand, voorbij de categorieën ‘zijn’ en ‘niet-zijn’. Het einddoel van de boeddhistische filosofie is dus zeker niet niets. In een van zijn zeldzame opmerkingen over nirvana stelt de Boeddha (traditioneel: ca. 450-370 v.Chr.) dat het ontdekken van de verlichting ofwel nirvana samenvalt met ‘het einde van het lijden’. Het woord ‘geluk’ is te veel, maar de mens belandt in elk geval in een toestand waarin hij niet meer ongelukkig is door het lijden.
Spreken in ontkenning
In plaats van de vernietiging van alle bestaan te bepleiten, wijst de Boeddha dus op een onvatbare manier van zijn, gekenmerkt door volmaakte onthechting. Of, zoals hij het in een van zijn preken stelt, ‘er is die sfeer waar aarde noch water noch vuur noch wind zijn, noch deze wereld noch een andere wereld noch zon en maan beide. Daar [in het nirvana] is ook geen komen en geen gaan, geen verdwijnen, geen opkomen. Zij is zonder stilstaan, zonder voortgaan, zonder enige grond. Dit is voorwaar het einde van het lijden.’ Je kunt het nirvana onmogelijk rechtstreeks benoemen, dus je kunt dit mysterie nog het beste aanduiden door allerlei begrippen los te laten, bijvoorbeeld de vier elementen, ‘deze wereld’ of ‘een hogere wereld’.
Deze manier van spreken in ontkenningen door de Boeddha heeft alles te maken met zijn levensfilosofie. Volgens de Indiase denker wordt het menselijk bestaan namelijk gekenmerkt door constante onvrede of onvervuldheid, ook wel lijden genoemd. Dit negatieve levensgevoel komt voort uit de zogeheten ‘dorst’ of begeerte. Boeddha is overigens niet tegen begeerte op zich, maar wijst erop dat we makkelijk een speelbal worden van onze gerichtheid op sneller, beter, meer. Hiertegenover plaatst hij zijn bevrijdende notie van nirvana als het loslaten van alle verlangens.
Het nirvana kan echter ook zelf weer een object van begeerte worden, waardoor je juist niet bereikt wat je nastreeft. Om te voorkomen dat we doelgericht en vol verlangen naar de bevrijding streven, gebruikt de Boeddha het woord ‘niets’. De omschrijving van het nirvana als ‘niets’ drukt dus uit dat deze toestand alle beelden overstijgt die een mens zich erover in het hoofd kan halen. In die zin is het niets een therapeutisch begrip, dat ons aanzet tot onthechting.
Hetzelfde geldt voor het boeddhistische begrip ‘leegte’, dat door de Indiase filosoof Nagarjuna (ca. tweede eeuw), ook wel ‘de tweede Boeddha’ genoemd, op de kaart werd gezet. Hij werkte allerlei noties uit het denken van de Boeddha uit, zoals lijden en vergankelijkheid. Een kenmerkende stelling van deze wijsgeer is dat ‘alle dingen leeg zijn’. Ook hier betekent ‘leegte’ niet dat er niets bestaat, maar dat alle dingen leeg zijn van iets – het ontbreekt ze aan iets, namelijk een ‘zelfstandig of eigenstandig bestaan’. Deze technische term verwijst naar dingen die een onvergankelijke kern hebben en daarom eeuwig bestaan. Nagarjuna stelt dat je nergens in de werkelijkheid zulke zaken met een ‘zelfbestaan’ kunt vinden, hoe hard je ook zoekt. Niets bestaat eeuwig, alle dingen zijn vergankelijk. Niet toevallig waren dit ook de laatste woorden van de Boeddha.
Botox
De vergankelijkheid van alles lijkt een waarheid als een koe. Toch hebben we vaak de neiging om te denken dat iedereen sterfelijk is behalve wijzelf: we kunnen niet geloven dat we dood zullen gaan. We zijn onsterfelijk tot het tegendeel is bewezen. En wat te denken van de botoxindustrie? Ook deze is gebouwd op de illusie van een eeuwige jeugd. Nagarjuna, en vele boeddhistische filosofen in zijn voetspoor, willen de mens van dit drogbeeld ontdoen. De illusie van op zichzelf bestaande, eeuwige dingen ontneemt ons het zicht op de werkelijkheid zoals die is. Vanzelfsprekend is de vergankelijkheid van alle dingen een pijnlijk gegeven, maar haar ontkennen levert vroeg of laat nog meer lijden op.
Er is geen ding dat niet met alle andere dingen is verbonden
Bovendien toont het concept van de leegte niet alleen de vergankelijkheid van de wereld. Juist doordat niets een vaste kern heeft, zijn alle dingen met alle dingen verbonden. Als je bijvoorbeeld naar een boek voor je op tafel kijkt, kun je het bestaan ervan als vanzelfsprekend beschouwen. Bij nader inzien gaat er echter een hele wereld achter schuil: de bomen waarvan het papier gemaakt is, het harde werk van de houthakkers, de papierfabriek, de fabricatie van de inkt, de schrijver, de vormgever, de uitgeverij en de sympathieke lokale boekhandelaar van wie je het boek kocht, enzovoort. Dit gegeven noemt Nagarjuna ‘het-ontstaan-in-afhankelijkheid’. Dit geldt niet alleen voor een boek, maar ook voor jezelf, je hond of kat, en al het andere. ‘Niets’ betekent hier: er is geen ding dat niet met alle andere dingen is verbonden. Tegen deze achtergrond moet Nagarjuna’s mysterieuze uitspraak worden gelezen: ‘Alles is mogelijk voor wie de leegte mogelijk is.’ Met andere woorden: wie inziet dat niets een vaste kern heeft, opent de mogelijkheid tot grenzeloze verbinding met de wereld.
De Weg
In het taoïsme, dat samen met het confucianisme de inheemse Chinese filosofie vormt, komen we een parallelle opvatting over het niets tegen als die bij de Boeddha en Nagarjuna. We lezen deze al in de eerste regels van de oudste taoïstische tekst, de Daodejing van Lao Zi, het ‘Canonieke boek over de Weg en de Kracht’. Deze wereldberoemde dichtregels luiden: De Weg waarover gesproken kan worden, is niet de permanente Weg./ De naam die genoemd kan worden, is niet de permanente naam. Alsof deze woorden nog niet mysterieus genoeg zijn, gaat het gedicht op deze manier verder: ‘Niets’ is de naam van het begin van hemel en aarde./ ‘Bestaan’ is de naam voor de moeder van de tienduizend dingen.
Zonder alle subtiliteiten van deze tekst te willen doorgronden, lijkt het duidelijk dat Lao Zi over een hoogste principe of bron van alle dingen spreekt, die hij ‘de Weg’ (Tao) noemt. Over deze oorsprong kunnen we niets zinnigs zeggen, omdat onze woorden meer over onszelf zeggen dan over de Weg. Bij nader inzien is dit logisch, want de Weg vormt de bron van alle dingen, inclusief mijzelf. De enige manier om iets objectiefs over het universum te zeggen, is dat ik mijzelf erbuiten plaats en er als het ware van een afstandje naar kijk – en dat is een onmogelijkheid.
Toch onderneemt Lao Zi (de schuilnaam van de anonieme auteursgroep die de Daodejing vervaardigde) een poging om de ondoorgrondelijke Weg aan te duiden. Achtereenvolgens gebruikt hij de woorden ‘niets’ en ‘iets’. De Weg als ‘niets’ moeten we echter niet opvatten als niet-bestaand, maar als een niet-ding. Of, zoals een latere taoïstische tekst het paradoxaal verwoordt, ‘weet je wel dat hetgeen de vormen vormt zelf geen vorm is?’ ‘Niets’ of ‘niet-ding’ slaat hier op een vormloze maar tegelijkertijd creatieve openheid waaruit alle dingen voortkomen. Lao Zi noemt dit mysterie in zijn schilderachtige taal ‘het begin van hemel en aarde’.
Lao Zi, de geheimzinnige taoïst
Hoe abstract deze taoïstische bespiegelingen over de bron van het heelal ook lijken, je kunt ze wel degelijk met een levenshouding verbinden. De mens, een van de talloze dingen die de Weg heeft voortgebracht, kan zich namelijk afstemmen op zijn oorsprong. Wie zich ontdoet van al zijn (voor)oordelen en niets in zijn geest heeft, deelt in de openheid van de Weg. Eigenlijk moet je geest hier lezen als ‘hart-geest’, want voelen en denken gaan samen. Het beeld dat in taoïstische basisteksten gebruikt wordt, is de spiegel: ‘Stil is de hart-geest van de wijze. Het is de spiegel van hemel en aarde, de spiegel van de tienduizend dingen.’ De wijze mens is overigens niet iemand die je op straat tegenkomt, maar een ideaal waarnaar we kunnen streven. Kenmerkend voor de wijze is dat hij niets of niemand veroordeelt. In plaats daarvan wordt alles en iedereen om hem heen weerspiegeld en zo ultiem gerespecteerd.
De mens die in navolging van filosofen als Nagarjuna en Lao Zi zoveel mogelijk niets in zijn geest toelaat, ontdekt een onbegrensde verbinding met het leven. Zo vernietigt het niets ons niet, maar verbindt ons met het bestaan.

