Home Filosoferen met kinderen Stine Jensen: ‘De publieksfilosofie is volwassen geworden’

Stine Jensen: ‘De publieksfilosofie is volwassen geworden’

Sinds deze zomer is Stine Jensen bijzonder hoogleraar publieksfilosofie aan de Erasmus Universiteit. ‘Een open filosofische houding betekent nieuwsgierig zijn, ook naar tegenspraak’.

Door Mariska Jansen op 08 juni 2022

Stine Jensen publieksfilosofie filosoof publieksfilosoof

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

Stine Jensen (1972) is per 1 juni is begonnen als bijzonder hoogleraar publieksfilosofie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Een functie die mooi aansluit op haar loopbaan tot nu toe. Jensen promoveerde in 2002 op het proefschrift Waarom vrouwen van apen houden en doceerde jarenlang literatuurwetenschap aan de VU. Het grote publiek kent haar vooral als schrijfster van columns, populair-filosofische boeken over onderwerpen als faalmoed en spiritualiteit, en als programmamaker.

Wat is publieksfilosofie precies?
‘Wetenschappelijke filosofie is een academische theoretische discipline gericht op vakgenoten. In de publieksfilosofie maak je filosofische ideeën toegankelijk voor een breed publiek en richt je je op de actualiteit. Vroeger hoorde je nog wel eens met dedain spreken over publieksfilosofie. Het zou filosofie-light zijn, Alain-de-Bottonisering van het denken. Filosofie als zelfhulprecept om je leven te veraangenamen. Maar dat is verleden tijd. De publieksfilosofie is volwassen geworden. Het is goed om een groot publiek met filosofie aan het denken te zetten.

Sceptici gaan er soms vanuit dat je kwaliteit van denken verliest als je de taal versimpelt. Maar dat hoeft niet zo te zijn. Het is een hele kunst om ideeën uit te leggen in begrijpelijke taal. Door een filosofische gedachte te vereenvoudigen, verandert er iets maar dat kan ook winst zijn. Het kan je denken juist scherper maken omdat je bijvoorbeeld geen genoegen neemt met een wollige formulering.’

Uw voorganger Marli Huijer hield zich bezig met de invloed van de academische filosofie op opvattingen binnen het publieke domein en andersom. Ze mengde zich onder meer in het coronadebat. Wat wordt uw focus als hoogleraar publieksfilosofie?
‘Mijn eerste missie is de kinderfilosofie. Volgens experts moet het onderwijs zich focussen op taal en rekenen. Laten we ook de waarde van denken over esthetica niet vergeten. In het najaar publiceer ik mijn boek Het grote boek van mooi en lelijk. Aan de hand van beroepen die te maken hebben met mooi en lelijk, maak ik kinderen bekend met de principes van esthetica.

Het leuke van kinderfilosofie is het speelse en onderzoekende element. Op school leren kinderen vooral kennis verwerven en antwoord geven, maar in kinderfilosofie leren ze vragen stellen. In alle openheid overwegen zij kwesties als waarom ga ik eigenlijk naar school? Wat gebeurt er als ik dat niet doe? Wat is identiteit? Wat vertel ik als ik mijzelf moet omschrijven? Het nadenken over schijnbaar vanzelfsprekende zaken is goed voor het ontwikkelen van zelfstandig burgerschap.

Mijn andere focus ligt op de verhouding tussen het bijzondere en het universele. Ik ben heel nieuwsgierig naar waar dat botst en schuurt en wat ons dat oplevert. We kennen in Nederland een uniek schoolsysteem met bijzonder onderwijs. Anders dan in Frankrijk of Denemarken kunnen we een eigen religieuze school oprichten of een school naar eigen onderwijskundig inzicht vormgeven. In Frankrijk is die onderwijsvrijheid er niet, maar is er laïcité, de scheiding tussen kerk en staat, en daar lopen conflicten soms hoog op. Maar ook hier gaat de vrijheid wringen. Bijvoorbeeld als een gereformeerde school niet meer binnen de wettelijke kaders blijft.’

U schreef onlangs in NRC een veelbesproken column over de boerka. Nu de Taliban in Afghanistan de boerka voor vrouwen verplicht, houden vrouwenrechtenorganisaties zich stil. Is dat ook zo’n moment waarop vrijheden wringen?
‘In augustus 2019 trokken vrouwenorganisaties, islamitische organisaties en de politieke partij BIJ1 gezamenlijk op om te demonstreren ‘tegen het boerka-verbod’. In werkelijkheid was er geen geheel verbod, maar een veiligheidswetsvoorstel. Op bepaalde openbare plekken, zoals het gemeentehuis, mag je geen gezichtsbedekkende kleding dragen vanwege de identificatieplicht. Verder mag je overal met een boerka rondlopen. De organisaties benadrukten de autonomie van vrouwen, het zelfbeschikkingsrecht om te dragen wat je wil. Nu in Afghanistan een boerkaplicht is ingevoerd, hoor je ze niet. Het is dit publieke spanningsveld dat ik zo interessant vind.

In de krant las ik nadien een reactie van een lezer die het aldus verklaarde: de vijand van mijn vijand wordt mijn vriend. Ik denk dat dat klopt. Als de PVV jouw vijand is, wordt de conservatieve islam je vriend. Coalities die goed uitkomen, niet omdat je het met elkaar eens bent maar omdat je een gemeenschappelijke vijand hebt. Dat is wat de Amerikaanse filosoof Noam Chomsky ook al zei. Haat verbindt mensen sneller dan liefde.’

Kun je niet zeggen dat de demonstranten op het Malieveld religieuze identiteiten de ruimte willen geven?
‘Zou kunnen, maar dat zeggen ze niet. De organisaties noemden een boerka-verbod ‘racistisch’, maar islam is een geloof. Bovendien: de religieuze vrijheid is er.’

Wat is de rol van de publieksfilosofie in deze situaties?
‘We leven in een tijd van enorme clashes. De filosofie kan helpen bij begripsverheldering en duiden waarom posities botsen. Welke waarden staan op het spel? Hoe worden posities gekozen? Welke rol spelen beeldvorming, macht en politiek? Als je je aangevallen voelt, heb je de neiging om er tegen in te gaan, maar je kunt ook vragen: waar zit de pijn? Soms opent dat een nieuw perspectief. Dan ontstaat een ander gesprek. Of je richt je op gemeenschappelijke waarden zodat er verbinding ontstaat en een gesprek mogelijk wordt. Een open filosofische houding betekent nieuwsgierig blijven naar niet alleen de ideeën die je bevestigen in je identiteit maar ook naar tegenspraak. Ik hoop studenten die houding bij te brengen.’