Home Radicaal redelijk

Radicaal redelijk

Door Geertje Dekkers op 03 december 2019

Radicaal redelijk
Cover van 12-2019
12-2019 Filosofie magazine Lees het magazine

De Bijbel stond vol onzin en geestelijken praatten onzin. Met die boodschap schokte vrijdenker Adriaan Koerbagh zijn tijdgenoten en bracht hij zichzelf in grote problemen.
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.


Deze tekst was wel heel zorgwekkend, vond drukker Johannes van Eede. Op zijn drukpers lagen pagina’s van Een ligt schijnende in duystere plaatsen, een nieuw boek met een ongehoorde boodschap. De auteur beschuldigde geestelijken van machtsmisbruik, beweerde dat de goddelijke drie-eenheid een fictie was en ontkende de goddelijkheid van Jezus. Dat was riskante ketterij, vond Van Eede. Halverwege het drukken besloot hij dat het boek te radicaal was om op de markt gebracht te worden. Hij stopte de pers en waarschuwde de schout van zijn stad, Utrecht.

Dat was het begin van een ramp voor de auteur van de dwarse tekst, de jurist en vrijdenker Adriaan Koerbagh. Want de Utrechtse schout nam de melding van de drukker hoog op en via hem begon een zoektocht naar Koerbagh. Die sloeg op de vlucht. Even dacht hij veilig te zijn, maar er lag een verrader op de loer.
 

BROEINESTEN VAN VERNIEUWING

Adriaan Koerbagh was begin 1633 geboren in Amsterdam, in een welvarend gezin dat connecties had met de voornaamste regenten van de stad. Voor zoons uit zulke kringen lag het voor de hand dat ze gingen studeren. Daarvoor verhuisde Adriaan in 1653 samen met zijn jongere broer Johannes naar Utrecht. Daar schreef Adriaan zich in voor medicijnen en rechten, en Johannes ging er theologie studeren. Drie jaar later stapten de broers over naar Leiden, waar Adriaan doctoraten haalde in het recht en in de geneeskunde, en Johannes werd klaargestoomd tot predikant.

Tijdens de studie van de broers waren Utrecht en Leiden broeinesten van intellectuele vernieuwing, grotendeels in gang gezet door de Franse filosoof René Descartes (1596-1650), die tegenwoordig vooral bekendstaat als pleitbezorger van de rede. Door rationeel na te denken en de wereld systematisch te onderzoeken, zo leerde Descartes, konden geleerden deze in kaart brengen. Dat klinkt tegenwoordig volkomen logisch, maar dat komt vooral doordat het hedendaagse denken is doordrenkt met ideeën die verwant zijn aan die van Descartes. Voor tijdgenoten was de boodschap vernieuwend, want in de zeventiende eeuw vertrouwden geleerden veel meer op de waarheid van oude teksten – van de Bijbel en van verhandelingen van klassieke filosofen.
 

GRUWELIJKE SCHEIDING

Descartes had ruim twintig jaar in de Nederlanden gewoond. Hij had hier veel aanhangers, maar riep ook de nodige weerstand op, met name onder orthodoxe predikanten. Zij gruwden onder meer van het feit dat Descartes lichaam en geest behandelde als twee gescheiden, totaal andersoortige zaken. In orthodoxe ogen was dat een goddeloos idee, want de theologie leerde dat lichaam en geest één waren en dat ze na het laatste oordeel samen zouden herrijzen. Descartes morrelde aan die zekerheid.  

Nu was Descartes zelf christen genoeg om te begrijpen dat zijn idee problematisch was; in het openbaar ontkende hij zelfs de scheiding van lichaam en geest. Maar in zijn leer zat het idee duidelijk verweven, wat Descartes voor de bühne ook beweerde. Vandaar dat orthodoxe godgeleerden probeerden zijn theorieën van de universiteit te weren. Soms lukte dat even, maar in Utrecht en Leiden was er onder studenten en hoogleraren te veel honger naar Descartes’ ideeën om ze tegen te houden. Dus kwamen de jonge Koerbaghs ermee in aanraking, al is niet helemaal duidelijk wanneer.

De ideeën lijken indruk te hebben gemaakt op de broers, want de twee zouden later in hun leven nog feller dan Descartes pleiten voor het gebruik van de rede, ook als die botste met religieuze tradities en waarheden. Adriaan zou die pleidooien ook opschrijven, in een boek met de bedrieglijk zoete titel Een bloemhof van allerley lieflijkheyd, en een paar maanden later in Een ligt schijnende in duystere plaatsen, het boek waarvan drukker Van Eede zo zou schrikken.

In Een bloemhof schreef Adriaan bijvoorbeeld dat het Bijbelse verhaal over de ark van Noach onmogelijk waar kon zijn. Hij wees op de ark, die volgens Genesis maar 300 bij 50 bij 30 el mat, maar wel paartjes van alle diersoorten bevatte ‘en voeder voor meer als een jaar’. Wie even rekende, zag volgens Koerbagh meteen dat zoiets nooit zou passen.

Voor zeer vrome lezers was dit al schrikken, maar Koerbagh ging nog verder. In allebei zijn boeken ging hij tekeer tegen het idee van de drie-eenheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, die door predikanten beschouwd werden als basis van het christendom. Het concept was logisch onmogelijk, vond Adriaan. Simpel gezegd kwam zijn redenering erop neer dat iets óf een eenheid kon zijn, óf uit drie delen kon bestaan, maar niet allebei tegelijkertijd. Om een soortgelijke reden kon Jezus niet goddelijk en menselijk tegelijk zijn, zoals predikanten onderwezen. En dus was hij alleen mens. Zover zou Descartes nooit zijn gegaan, en sinds zijn kennismaking met diens werk had Koerbagh dan ook een radicale afslag genomen. Mogelijk was hij daarin beïnvloed door de beruchtste filosoof van de zeventiende eeuw: Baruch Spinoza. 


Beeld Hajo de Reijger 
 

VERZINSELS

Net als Koerbagh was Spinoza geïnspireerd door Descartes en voerde hij diens redelijkheidsprogramma stukken verder door dan Descartes zelf had gedaan. Zo kwam Spinoza, Joods van geboorte, tot een godsbeeld dat ver verwijderd was van de joodse en christelijke orthodoxie. Geen hemelse vader dus, geen machtige geest of iets in die trant, maar een oneindig ‘zijnde’: God was gelijk aan alles wat er was.

Daaruit volgde volgens Spinoza dat er niets bovennatuurlijks kon bestaan. Want God was de natuur en God was het hoogst denkbare – anders zou hij geen God zijn. Dus kon er niets boven God staan, en dus ook niets boven de natuur. En dus waren wonderen, hemel, hel en aanverwante zaken menselijke verzinsels. Dat was een kernboodschap van de Ethica, Spinoza’s hoofdwerk, dat in 1678 verscheen. Spinoza werkte jarenlang aan dat boek en liet vrienden in de tussentijd meelezen. Mogelijk kreeg ook Koerbagh toen de teksten onder ogen en verwerkte hij sommige ideeën in zijn eigen werk. Want in Een bloemhof en Een ligt staan de nodige inzichten die aan Spinoza doen denken. Zo schreef Koerbagh dat God ‘alles in allen’ was: het wezen van alles wat bestond. Dat leek aardig op Spinoza’s God die samenviel met de hele natuur. En net als Spinoza concludeerde Koerbagh dat er behalve de eeuwige en oneindige God niets was, en dus dat er boven de natuur niets bestond. Bovennatuurlijke zaken waren ook volgens Koerbagh verzinsels. 

Daaruit volgde weer dat de Bijbel geen bovennatuurlijke openbaring kon bevatten, ook al leerde de kerk van wel. Het was een boek als alle boeken, geschreven door mensen, stelde Koerbagh. Het was verre van perfect en stond vol fouten en ‘duijstere, beeldspraakelijke’ uitdrukkingen. Om de wereld te begrijpen kon de mens dus beter de rede gebruiken dan de Bijbel lezen. 

Soortgelijke ideeën circuleerden ook onder vrienden van Koerbagh, onder wie mogelijk Spinoza. De meesten van hen bewaarden hun ideeën voor gelijkgezinden. Zo liet Spinoza zijn Ethica pas na zijn dood uitbrengen, en toen ook nog in het Latijn, waardoor alleen een gestudeerde elite het boek kon lezen. Die voorzichtigheid was begrijpelijk, want in de Republiek der Nederlanden kon veel, maar niet alles. Wie morrelde aan de basis van het christendom en bijvoorbeeld de drie-eenheid ontkende, kwam in de problemen. 

Toch vond Koerbagh het nodig zijn ideeën te publiceren. En niet in het verhullende Latijn, of desnoods in het Frans, maar in het Nederlands. Filosofisch gezien waren Een bloemhof en Een ligt geen meesterwerken, want Koerbagh was een minder systematisch denker dan bijvoorbeeld Spinoza. Zo legde hij in Een ligt uit dat God de wereld onmogelijk uit het niets kon hebben geschapen, omdat een schepping uit het niets ondenkbaar was: alles moest ergens uit ontstaan. Om zijn redenering kracht bij te zetten liet hij omstandig zien dat in de oorspronkelijke versie van de Bijbel helemaal niet stond dat God iets dergelijks had gedaan. Daarin ging het over scheiding van hemel en aarde, maar niet over schepping. Want het basismateriaal had altijd bestaan. Zo ging het vaker: Koerbagh haalde de christelijke leer onderuit met hulp van de Bijbel, terwijl hij diezelfde Bijbel beschouwde als een doodnormaal boek, vol fouten. Hij probeerde dus het tapijt onder godgeleerden vandaan te trekken, terwijl hij er zelf op stond. 
 

PREEKVERBOD

Ondanks deze zwakheden leidden zijn boeken tot grote woede onder tijdgenoten, en achteraf gezien had Koerbagh dat kunnen verwachten. Want hij en zijn broer Johannes waren in de voorafgaande jaren al meer dan eens gewaarschuwd.

Johannes, de predikant in spe, hield er namelijk vergelijkbare, ketterse ideeën op na als Adriaan en werd daarom vanaf 1666 in de gaten gehouden door de kerkenraad van Amsterdam, waar de broers na hun studie weer waren gaan wonen. Vanwege zijn onorthodoxe opvattingen kreeg Johannes een tijdelijk preekverbod. En passant werd ook Adriaan tot de orde geroepen, want hij bleek een buitenechtelijk kind te hebben. Voor die ‘oncuyschheyt en hoererye’ bood hij zijn excuses aan. 

Voor zijn opruiende teksten moest hij tien jaar naar het rasphuis

Ondanks de waarschuwing bezocht Johannes vervolgens bijeenkomsten van zogenoemde collegianten, zeer vrijzinnige christenen, die ruimte gaven aan allerlei interpretaties van het christendom, ook interpretaties die de drie-eenheid ontkenden. Johannes werd betrapt en moest begin 1668 verschijnen voor de classis, maar dat weigerde hij.

Juist in die periode bracht Adriaan Een bloemhof op de markt, tot grote ergernis van de kerkenraad, die de Amsterdamse burgemeesters inschakelde, die op hun beurt de schout erbij haalden. Blijkbaar werd Adriaan daar zenuwachtig van, want hij vertrok naar ‘vrijstad’ Culemborg, waar hij voorlopig buiten het bereik was van de Amsterdamse heren. Daar werkte hij aan Een ligt, dat hij in mei ondanks alle voorafgaande ellende liet drukken bij de Utrechter Van Eede. 

Dat ging dus mis. Zoals aan het begin van dit verhaal verteld, waarschuwde Van Eede de Utrechtse schout. Die stapte naar zijn Amsterdamse collega, die weer een arrestatieverzoek deed aan de graaf van Culemborg. Adriaan sloeg opnieuw op de vlucht, nu naar Leiden, waar hij vermomd met een zwarte pruik een paar weken veilig leek. Tot een voormalige vriend zijn geheime adres verraadde aan de Amsterdamse schout, in ruil voor 1500 gulden. Zo werd Adriaan in Leiden opgespoord, naar Amsterdam gebracht en berecht. 

Voor zijn opruiende teksten moest hij tien jaar naar het rasphuis, waar gevangenen tropisch hardhout fijn maakten. Daarna zou hij tien jaar uit de stad verbannen worden. Maar zover zou het niet komen, want het rasphuis bleek een te ongezonde plek voor Adriaan en na ruim een jaar overleed hij. Op 15 oktober 1669 werd hij, 36 jaar oud, begraven.

Johannes liet daarna nog een keer luid van zich horen. In januari 1671 verkondigde hij voor een paar honderd man op het Rokin de ketterse gedachte dat Jezus niet goddelijk was, maar 100 procent mens. Daarna werd het stil en in september 1672 overleed ook Johannes, kort voor zijn 38ste verjaardag.