Home Opveren bij het verval der dingen

Opveren bij het verval der dingen

Door Michel Dijkstra en Simone Bassie, Michel Dijkstra en Simone Bassie op 25 mei 2020

Cover van 06-2020
06-2020 Filosofie magazine Lees het magazine

Niets doen heeft bij de Japanse Kenkõ weinig met luiheid te maken. Wie ‘niets doet’ plaatst niet zijn ‘dikke ik’ tussen zichzelf en de dingen, maar stelt zich open voor de vluchtige werkelijkheid.

Hoe kun je het best nietsdoen? De middeleeuwse Japanse estheticus Kenkõ wist het wel. Bezoek eens een eenzaam hutje en laat de omgeving op je inwerken: ‘Rondom de hut viel er geen enkel geluid te horen, behalve het water dat neerdruppelde uit een bamboehouten pijp die helemaal onder de gevallen bladeren zat. Kijk eens, dacht ik diep geroerd, zo kun je dus óók wonen.’ Dan valt Kenkõ’s oog echter op een ‘ontnuchterende mandarijnenboom’ vol vruchten: ‘Hij werd beschermd door een ferm hek. Had die boom er maar niet gestaan, dacht ik bij mezelf.’ Conclusie: wie zijn geest open en vrij wil houden, kan maar beter naar een rustieke bamboepijp kijken dan naar een weelderige fruitboom.

In deze schijnbaar achteloze overpeinzing speelt Kenkõ (1284-1350), wiens Kunst van het nietsdoen onlangs door Jos Vos meesterlijk in het Nederlands werd vertaald, met twee belangrijke concepten uit de traditionele Japanse esthetica: wabi-sabi en mono no aware. Beide begrippen zijn door hun gelaagdheid zo ongeveer onvertaalbaar, maar je kunt wel proberen om de belangrijkste aspecten te beschrijven. Zo slaat ‘wabi-sabi’ primair op de schoonheid van het rustieke en eenzame, dat subtieler en daardoor kostbaarder is dan openlijke pracht en praal. Kenkõ roept deze gedachte op door de bamboehouten pijp te contrasteren met de schreeuwerige mandarijnenboom. Het watergedruppel uit de pijp is het enige geluid dat je in de eenzame tuin kunt horen en verdiept zo de stilte. Verder wordt de boom ‘beschermd door een ferm hek’ en duidt zo op het gekunstelde, terwijl de pijp veel dichter bij het natuurlijke staat.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Kenkõ merkt op dat het bamboehout ‘helemaal onder de gevallen bladeren zit’. Met deze woorden raakt hij ‘mono no aware’ of ‘de helaasheid der dingen’. Dit begrip slaat op de vergankelijkheid van alles wat ons omringt. In tegenstelling tot de romanticus, die bij het zien van het laatste herfstblad melancholiek wordt en de zomer het liefst eeuwig wil vasthouden, cultiveert de Japanse estheticus een houding van gelatenheid. Hij ziet de schoonheid van het verval: ‘Wat valt er veel te bewonderen aan een tuin bezaaid met verwelkte bloesems!’ Kenkõ geeft aan dat de verlaten omgeving van de hut hem een grote esthetische sensatie schenkt door de rusticiteit en vergankelijkheid: je zou er goed kunnen wonen. Dit is voor hem de kunst van het nietsdoen.
 

‘Wat valt er veel te bewonderen aan verwelkte bloesems!’

Dit ‘nietsdoen’ moet je echter niet associëren met luiheid, maar met het ontwikkelen van een geesteshouding die resoneert met de eenvoud en zuiverheid van de omgeving. Kenkõ heeft bewust voor zo’n leven gekozen. Als jongeman had hij een mooie carrière aan het keizerlijk hof, maar later werd hij boeddhistische kluizenaar en schrijver. De leer van de Boeddha komt duidelijk tot uitdrukking in zijn nadruk op vergankelijkheid: ‘De tijden veranderen, alles gaat voorbij, vreugde en verdriet wisselen elkaar af, oorden die ooit bruisten van leven veranderen in braakland waar geen mens meer woont en zelfs oude, vertrouwde huizen krijgen nieuwe bewoners.’ Met de Boeddha stelt Kenkõ dat het erop aankomt om deze realiteit van het leven te accepteren; verzet heeft geen zin en vergroot het lijden nog meer. Iemand die ‘niets doet’ plaatst dus niet zijn ‘dikke ik’ tussen zichzelf en de dingen, maar stelt zich open voor de vluchtigheid. Zo vindt hij rust.

Deze houding komt naar voren in Kenkõ’s stijl, die letterlijk ‘volg je penseel dat maar doorschrijft’ heet. De kunst van het nietsdoen bestaat dan ook uit honderden miniatuurtjes die stuk voor stuk uitnodigen tot aandachtig lezen. Het is een grote verdienste van Jos Vos dat de middeleeuwse auteur nooit stichtelijk klinkt, maar juist vol leven zit. Ook deinst Kenkõ er niet voor terug om zijn medeboeddhisten op de hak te nemen: ‘Bij de ambtswoning van een belangrijke boeddhist stond een grote netelboom, daarom noemde iedereen hem “bisschop Netel”. Omdat hij die naam volkomen ongepast vond, liet hij de boom omhakken. De stronk bleef echter overeind en daarom noemde iedereen hem “bisschop Stronk”. Hier werd hij bozer om dan ooit. Hij liet de stronk opgraven en weggooien, maar toen ontstond er een brede sloot. Voortaan werd hij alom “bisschop Sloot” genoemd!’

Zulke anekdotes charmeren de geest en maken hem vrij. Wie aandachtig in Vos’ Kenkõ-vertaling leest doet even niets – en daardoor des te meer.


De kunst van het nietsdoen
Kenkõ, vert. Jos Vos | Van Oorschot | 195 blz. | € 20,–