Home Taal Manon Uphoff: ‘Taal is een construct waar je aan kunt morrelen’
Taal

Manon Uphoff: ‘Taal is een construct waar je aan kunt morrelen’

Manon Uphoff (59) is schrijver, scenarist en beeldend kunstenaar. Vallen is als vliegen (2019) is haar nieuwste boek.

Door Carolien van Welij op 15 juli 2022

Manon Uphoff: ‘Taal is een construct waar je aan kunt morrelen’ beeld Maarten Noordijk
Cover van 07/08-2022
07/08-2022 Filosofie magazine Lees het magazine

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

‘Ik was net moeder geworden en ging literatuurwetenschap studeren. De zorg voor een baby – heel fysiek, heel fijn en nabij – riep allerlei vragen bij me op. Wat betekent het om moeder te zijn? Met welke ideeën over moederschap ben ik grootgebracht, en kloppen die? Wat ervaar ik zelf en hoe kan ik daar woorden aan geven?

Tijdens mijn studie kwam ik in aanraking met het werk van Luce Irigaray en Julia Kristeva. Deze feministische denkers stellen dat onze taal opereert binnen een cultureel systeem vol machtsstructuren. Irigaray en Kristeva zoeken aan de “achterkant” van de taal naar openingen: hoe kun je de taal openbreken om ruimte te maken voor verschijnselen, gebeurtenissen, ervaringen en geschiedenissen die binnen het huidige systeem onzegbaar zijn? Het ontroerde me dat er filosofen zijn die zich met deze kwesties bezighouden. Ik heb altijd gevoeld dat ik extra werk zou moeten verzetten om de dingen die ik wilde vertellen in taal te vangen. Irigaray en Kristeva laten zien dat wij mensen dat mogen doen. Taal is geen goddelijke influistering, taal is een construct, en daar kun je aan morrelen.

Het was alsof ik aan het rennen was in een labyrint en ineens licht zag schijnen. Dáár moet ik heen, en dan is er een plek “buiten” deze taal. Ik heb altijd veel gelezen, maar toch was er in mijn persoonlijke geschiedenis sprake van een zekere knechting door een taal die hoort bij een patriarchaal systeem. Nu zag ik: er is een plek waar ik naartoe kan, een plek waar ik niet meer gevangenzit in die taal. Ik kan gangen graven in het rotsenstelsel van de taal. En dan wordt de taal mijn instrument – een levend, organisch instrument, dat verbonden is met het lichaam.’