De goden bestaan wel, maar helaas, ze bevinden zich ‘boven ons hoofd, hoog in een ander domein,’ zo dichtte Friedrich Hölderlin (1770-1843): de goden bekommeren zich niet meer om het leven op aarde. Hölderlin betreurde dat hij leefde in een tijd waarin de hoogtijdagen van religie voorbij waren. Geen dichter maakte meer indruk op de katholieke Belgische filosoof Louis Dupré (1925-2022) dan deze Hölderlin, zo vertelde hij in een interview. Dupré, die hoogleraar cultuur- en religiefilosofie was aan Yale University, groeide op in Vlaanderen in een tijd dat de katholieke kerk daar alomtegenwoordig was en overleed er toen zijn land grondig geseculariseerd was geraakt.
Veel van Duprés werk draait om die kleiner wordende rol van religie in onze cultuur. Dat geldt ook voor het nieuw vertaalde Religie en het ontstaan van de moderne tijd, een lezingenreeks uit 2005-2006. Het begint er volgens Dupré allemaal mee dat een aantal middeleeuwse denkers ervan overtuigd raakt dat God almachtig is en dat gebrekkige mensen dus nooit kunnen begrijpen hoe hij te werk gaat. Het heeft geen zin om te redeneren over Gods plannen volgens deze filosofen, we moeten zelf op onderzoek uit. Op die manier wordt God op afstand gezet van zijn schepping, de hemel losgezaagd van de aarde.
Dat is het begin van de moderne tijd, waarin het individu de betekenis van het bestaan niet langer in God, maar in zichzelf begint te zoeken. En met deze moderne houding hebben we grote wetenschappelijke successen behaald, schrijft Dupré, maar ook ‘misdaden gepleegd, oorlogen gevoerd en vernietiging zonder weerga veroorzaakt’. Dat komt doordat met ons geloof ook onze morele beginselen verloren zijn gegaan: het ontbreekt ons aan ‘volwassenheid tegenover onze titanische vermogens’.
Achter deze indrukwekkende cultuurgeschiedenis schuilt merkbaar een denker die de denklijnen van Aristoteles tot Kierkegaard in één keer overziet. Dat levert soms wel ingewikkelde teksten op – zeker Duprés behandeling van Friedrich Schelling vergt uitgebreide studie. De mooiste passages zijn die waarin Dupré de gedichten van Goethe, Schiller en Hölderlin bespreekt. Van de dichtkunst moeten we het volgens hem namelijk hebben, om weer iets van de gevoeligheid voor het hogere te hervinden. Want dichters beheersen de symbolische taal om het eeuwige aanwezig te stellen in onze eindige wereld. Al het verstrijkende, zo dichtte Goethe, verwijst naar een overzij.
Religie en het ontstaan van de moderne tijd
Louis Dupré
Otheo
224 blz.
€ 24,99

