Home Mensenrechten Links-snobistische luiheid
Mensenrechten

Links-snobistische luiheid

Elkaar te lijf gaan omdat de een katholiek en de ander doopsgezind is, vinden we archaïsch. 'Maar als mensen zeggen: "Ik ben geen Kroaat, ik ben een Serviër" en daaraan conclusies verbinden, dan vinden we dat begrijpelijk.' Nog even, voorspelt Stephen Toulmin, en de nationale identiteit is net zo ouderwets als de religieuze.

Door Daan Roovers en Bert Keizer op 30 april 1999

Servië Servische vlaggen nationalisme beeld Stefan Kostić
01-1998 Filosofie magazine Lees het magazine

‘Veel mensen denken dat de holocaust een unieke gebeurtenis is in de menselijke geschiedenis. Ik zou haast zeggen: was het maar waar… Dat is het meest misplaatste optimisme dat ik ooit gehoord heb. De vooruitgang van de mensheid gaat moeizaam. De Tweede Wereldoorlog is een duidelijk voorbeeld van een terugval, en daarvan bestaan meer voorbeelden. Helaas, het is niet anders. Nu hebben we andere beschamende crisissen, Rwanda en Bosnië.’

‘Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte ik in Cambridge aan radar. Mijn vader deed zaken met een firma in Stuttgart en vanaf 1936 zagen wij wel dat het fout moest lopen. Dat er gevochten zou gaan worden, maar ik had toen niet het gevoel dat ik fysiek op de Duitsers af moest stormen.’

‘Ach, de keerpunten in een leven als je terugblikt. Als ik een paar jaar eerder was geboren, was ik ongetwijfeld in de Spaanse Burgeroorlog gaan vechten, tegen Franco. Als ik toen een actievere rol had kunnen spelen, zou ik nu misschien niet zo zitten met het gevoel dat ik meer had moeten doen in Bosnië. Eerst was ik te jong, nu te oud.’

Klinisch

‘De wereld is principieel onvoorspelbaar, dat weten we al sinds 1880. Toen bewees Henri Poincaré dat er geen algemene formules bestaan die alle bewegingen in het universum kunnen beschrijven. Dit is het begin van wat ongelukkigerwijs de chaostheorie wordt genoemd: een natuurkunde die rekening houdt met radicale onvoorspelbaarheid. Wetenschap is daarna nooit meer zo “hard” geweest. Natuurkundigen hebben dat serieus genomen, maar deze radicale omslag is nog niet in alle wetenschappen doorgedrongen. Ik verbaas me over de pretenties van economen. Zij lijken te zijn vergeten wat hun voorgangers eigenlijk wilden bereiken. De grote economen uit de geschiedenis, waaronder bijvoorbeeld Adam Smith, waren slechts geïnteresseerd in economie als onderdeel van een veel omvangrijker kosmologisch project. Ze wilden de stabiliteit van het heelal wiskundig bewijzen – dat was tot 1880 de Grote Prijs die wetenschappers in de wacht wilden slepen. Maar dat idee is aan het einde van de vorige eeuw al doodverklaard.’

‘Hedendaagse economen hebben nog altijd ten onrechte het idee dat zij meer te bieden hebben dan goed giswerk. Economie is gewoon een sociale wetenschap, niet meer en niet minder. Een prachtig voorbeeld hiervan is het irrigatiesysteem in Bali. Eeuwenlang werd dat geleid door inheemse priesters. Zij hadden de verantwoordelijkheid en zij besloten wie er toegang toe had. De boeren accepteerden dit. Totdat de Indonesische overheid ineens besloot dat de boeren zelfstandig moesten worden. De overheid zei: “Luister niet naar die priesters, die hebben er totaal geen verstand van”. Wat gebeurde? Alle plagen van Egypte daalden op Bali neer: ziektes, insecten, droogte. Het negeren van eeuwenlange praktische wijsheid vernietigde de oogst. Die priesters hadden in 800 jaar behoorlijk wat ervaring opgedaan met vruchtbaarheid van de aarde en klimaatswisselingen. Maar ja, wat priesters zeggen is slechts cultureel bepaald, daar kunnen we wel omheen, dacht men. De overheid wilde het wiel opnieuw uitvinden, op basis van echte wetenschap. Nou ja, ze hebben nu een nieuw geloof. economie.’

‘Hetzelfde geldt voor de geneeskunde. We zien haar als een wetenschap, maar ook die is erg afhankelijk van sociale en culturele omstandigheden. Als we alleen nog behandelingen zouden accepteren waarvan we de werking begrijpen, dan zouden we nooit meer aspirine slikken. Er bestaat godzijdank wel enig inzicht, maar heel veel kennis is gebaseerd op ervaring en traditie. In de economie, in de geneeskunde, maar ook in de filosofie moet je klinisch te werk gaan: van geval tot geval denken. Elke situatie is een andere casus vol nieuwe details.’

‘Nee, ik ben géén relativist. Cultuurrelativisme is juist het meest bedreigende dogma van de jaren negentig. Zonder dit dogma zou een schurk als Karadjic er nooit in geslaagd zijn om biljonair en Servisch martelaar te worden. Het cultuurrelativisme speelt hem in de kaart met de suggestie dat er nou eenmaal bepaalde dingen zijn die je wel moet voelen als je Serviër bent. We geloven in een “Servische identiteit”. Dat is romantisch narcisme en links-snobistische luiheid. ‘Ik heb met mijn boeken altijd geprobeerd mensen te verlossen van de tirannie van bepaalde dogma’s. Ach, iedere filosoof heeft zo zijn biografische appeltje te schillen – metafysica en roddelen liggen dichter bij elkaar dan je denkt. Popper was paranoïde: any theory is true which hasn’t betrayed you yet! En ik ben erg beïnvloed door mijn “rechtlijnige” vader. Die zat vroeger onophoudelijk met zijn vuist dogma’s op de eettafel vast te timmeren. Dat heeft mij sceptisch gemaakt ten aanzien van ideologieën, zoals die van het cultuurrelativisme. Ik heb altijd gewerkt aan mijn eigen emancipatie en ik hoop dat ik op mijn sterfbed kan zeggen dat ik ook iets voor de emancipatie van anderen betekend heb.’

Stomme westerling

‘Als het om Serviërs gaat, is Karadjic zelf natuurlijk een absolutist, geen relativist. Serviërs, echte Serviërs, mogen moslims doden, precies zoals mensen in de Soedan hun dochters mogen besnijden. Zij hebben het recht om op hun eigen manier de wereld te verpesten en wie dat niet begrijpt is een sufferd, een stomme en kortzichtige westerling. Het uitgangspunt “wie geen Serviër is, kan dit niet begrijpen” maakt het onmogelijk om Karadjic te veroordelen. Cultuurrelativisme ontaardt in goedpraterij en legitimeert de slappe houding waardoor het Westen niets heeft ondernomen om de Joegoslavische zelfmoord tegen te gaan. Ik vraag me wel eens af: waar zijn de Habsburgers nu we ze eindelijk nodig hebben? Nee serieus, de Turken of de Habsburgers zouden in hun gebied nooit hebben toegestaan dat mensen elkaar zulke dingen aandeden.’

‘De moderne Otto van Habsburg zit in het Europees Parlement. Wij beschaafde westerlingen willen graag praten met andere culturen en begrijpen dat de Serviërs er een andere moraal op na houden. Maar Karadjic is de incarnatie van de duivel! Daar valt niet mee te praten. Onderhandelen met hem heeft geen enkele zin. Oppakken en naar het gerechtshof in Den Haag sturen, dat is het enige mogelijke antwoord aan Karadjic.’

‘Het goedpraten van vrouwenbesnijdenis – eufemistisch uitgedrukt, want het is natuurlijk gewoon verminking – is een ander goed voorbeeld van doorgeschoten cultuurrelativisme. Het is in verschillende landen gewoonte, maar wij in het Westen vinden dat ze er mee moeten ophouden. Het wordt verdedigd met argumenten die duidelijk incorrect zijn. Dat het in de koran zou staan bijvoorbeeld. Dat is stompzinnige onwetendheid. Wat men bedoelt is: mijn moeder werd zo behandeld, ik werd zo behandeld en ik wil dat mij, dochter en kleindochter ook zo behandeld worden. Maar dat is iets heel anders dan zeggen dat het in de koran staat. Ik ben dan wel geen moslim maar ik weet wel wat er in de koran staat, dus mag ik me er misschien ook mee bemoeien? Er staat niets in over de plicht om vrouwen te besnijden. Ik ken imams die dit bevestigen.’

‘Het is een misverstand om te denken dat er geen middenweg is tussen anything goes of een Platoonse Idee van Het Goede. Daar zit nog veel tussenin. Ik geloof in bepaalde algemene menselijke waarden. Het is onzin om te denken dat het Westen die aan anderen zou opleggen. Kom nou. De gemiddelde Maleisiër wil natuurlijk helemaal niet gevangen genomen worden of gemarteld, net zo min als Fransen of Nederlanders. En ik geloof ook dat moeders in alle culturen evenveel verdriet hebben over de dood van een kind. En dat mensen in alle culturen bij het zien van lijden willen toeschieten om te helpen. Elke cultuur kent morele uitgangspunten, zoals die van de menselijke waardigheid, maar daar gaat het niet om. Het gaat om de toepassing daarvan. Zelfs de nazi’s hadden geen gebrek aan morele idealen, alleen golden die slechts voor een beperkte groep. Of kijk naar Bosnië, waar zich iets vergelijkbaars afspeelt met de moslims als uitgeslotenen. Het is prachtig dat iedereen de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ondertekent, maar wordt die ook nageleefd? We kunnen niet blind vertrouwen op een handtekening; de waarde van een Cultuur blijkt uit de praktijk. De vraag daarbij is niet “ verdienen alle mensen respect” – het uitgangspunt – maar “wie behoort er tot de categorie mens” – de toepassing. Streven naar betere morele wetten houdt het risico in dat we vergeten te kijken naar de realisering daarvan. Vaak mondt dat uit in Bosnië: we respecteren anderen maar, sorry, moslims horen daar toevallig niet bij.’

‘Wij Tutsi’s, wij Serviërs’

‘Ik wantrouw het beroep op soevereiniteit: wij Quebecianen, wij Tutsi’s, wij Serviërs, wij regelen onze eigen zaakjes. Vaak is dat een excuus om etnisch of nationalistisch geweld te legitimeren. Bij de vrede van Westfalen in 1648 werd de nationale staat als natuurlijke regeringsvorm aangenomen. Ik vind dat we daar nu zo onderhand vanaf moeten. Er is in de zeventiende eeuw ontzettend veel bloed vergoten in oorlogen over godsdienst. Dat conflict russen verschillende religieuze identiteiten is voor ons onvoorstelbaar en onacceptabel. Dat zijn we voorbij, dat is zeventiende-eeuws. Ik heb katholieke en protestantse vrienden en dat maakt natuurlijk geen enkel verschil. Maar in de twintigste eeuw doen we precies hetzelfde: er wordt ongelooflijk veel bloed vergoten vanwege verschillen in nationaliteit. Als mensen zeggen: “Ik ben geen Kroaat, ik ben een Serviër” en daaraan conclusies verbinden, dan vinden we dat begrijpelijk.’

‘Stabiliteit, dat was het kernpunt van alle ideologie vanaf het midden van de zeventiende tot het midden van de twintigste eeuw. Dit idee wankelde vanaf de jaren dertig in onze eeuw. In natuurkunde, in filosofie, in de sociale wetenschappen, in economie, overal hebben we dit idee moeten laten varen. Wij hebben ons als mensen onherroepelijk in te stellen op het feit dat er geen garanties zijn dat alles blijft zoals het is. We moeten leven met veranderlijkheid.’

‘Ook in de politiek moeten we het idee van stabiliteit opgeven. Alles verandert. En regeringen hebben steeds minder macht. Er is geen heil te verwachten van de nationale overheden. Nieuwe autoriteiten zijn lokaal of internationaal, meer nationaal. Het heeft geen zin om multinationals die zich over de hele wereld vestigen tegen te houden. We moeten hun voorbeeld volgen en hetzelfde internationale pad bewandelen. Greenpeace en Amnesty hebben dat goed begrepen. Ik zie een belangrijke toekomst voor dit soort maatschappelijke, niet aan de overheid gelieerde organisaties.’

‘Van een omvattend cultuurrelativisme wordt de wereld in ieder geval niet beter. Veel corruptie in Afrika is afgedaan met de relativerende constatering: “Ach, die cultuur, die mensen zijn nu eenmaal anders.” Nog niet zo lang geleden is het IMF opgehouden biljoenen in die landen te pompen die allemaal aan de idee strijkstok van verkeerde types bleven hangen en waar de gewone boer nooit een cent van zag. Tegenwoordig controleren we die geldstroom. Westers imperialisme? Zeker, maar ik hoop dat we het zo doen dat de veranderingen die onvermijdelijk zijn, sneller plaatsvinden. Veranderingen die in die landen zelf als welkom en wenselijk gezien worden.

Een historisch voorbeeld hiervan is de weduwenverbranding in India. Als manlief stierf, werd zijn echtgenote zonder pardon meegecremeerd. De Britten verboden dat. Dit verbod, opgelegd door een imperialistische bezetter, werd na de onafhankelijkheid zonder meer door de Indiase regering overgenomen, omdat men het als goed ervoer. Een echte cultuurrelativist zou zeggen: “Als die mensen het zelf willen zal het wel goed zijn. Die autonomie moet je respecteren.”’

‘Een imperialisme als dat van de Britten is geen serieus gevaar meer, eenvoudigweg omdat niemand nog werkelijk imperialistische macht heeft. Zij hadden het in India voor het zeggen. Nu werkt dat niet langer. Ieder land is thuis de baas. We zouden wel willen dat we vrouwenbesnijdenis over de hele wereld zouden kunnen verbieden maar helaas, dat kan niet. Ik geloof dat als de mensen in Soedan rijker zijn, of beter gezegd allemaal ongeveer even rijk, dat ze dan ontdekken dat er in de koran met geen woord wordt gerept over vrouwenbesnijdenis. Dan zullen ze zich in alle kalmte realiseren dat besnijden een bruut gebruik is.’

‘Zo, en nu een korenwijn. Uit Groningen.’

Stephen Toulmin (1922) studeerde wis- en natuurkunde in Cambridge. Na de Tweede Wereldoorlog richt hij zich op de filosofie. Hij volgt colleges bij Wittgenstein en schrijft een proefschrift over argumenten in ethische discussies. in de jaren vijftig verlegt Toulmin zijn filosofische interesse naar de wetenschapfilosofie. Hij wordt hoogleraar in Leeds. Halverwege de jaren zestig steekt Toulmin de oceaan over en doceert onder andere in Massachusetts, Carlifornië en Chicago en lllinois. Zijn uiteenlopende filosofische analyses worden verbonden door een grote betrokkenheid bij het maatschappelijk debat en bij actuele medisch-ethische kwesties.

De bekendste boeken van Toulmin zijn Het Wenen van Wittgenstein, 1973 (Boom, 1976) en Kosmopolis. Verborgen agenda van de moderne tijd, 1990 (Peickmans, 1992). In Nederland kreeg Toulmin vooral bekendheid door zijn optreden in Wim Kayzers ‘Een schitterend ongeluk’.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.