Home Toeval ‘Als je begint met het onmogelijke, is daarna alles mogelijk’
Toeval

‘Als je begint met het onmogelijke, is daarna alles mogelijk’

Door Robin Atia op 23 maart 2026

filosoof Carla Rita Palmerino in haar woonkamer vol boeken
beeld Koen Verheijden
Filosofie Magazine 4 2026 Wat ben jij zonder wij
04-2026 Filosofie Magazine Lees het magazine
Volgens filosoof Carla Rita Palmerino kunnen we niet zonder gedachte-experimenten. ‘Ze stellen je in staat de werkelijkheid te ontleden.’

Wanneer we iemand onverwachts tegen het lijf lopen, spreken we al snel van toeval. Maar toeval gaat over meer dan dat, vertelt filosoof Carla Rita Palmerino. ‘Het raakt aan alle vlakken van de filosofie.’ In haar woonkamer in Nijmegen, waar planken vol gebonden boekwerken haar interesse in geschiedenis verraden, vertelt Palmerino met een charmant Italiaans accent en tomeloos enthousiasme hoe denkers door de eeuwen heen naar dat mysterieuze begrip ‘toeval’ hebben gekeken. ‘Bij christelijke denkers ging het bijvoorbeeld over de vraag of God alles bepaalt of dat toevallige gebeurtenissen zich aan zijn macht onttrekken.’

Carla Rita Palmerino (1969) is hoogleraar geschiedenis van de filosofie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen en lid van het Center for the History of Philosophy and Science. Palmerino studeerde filosofie in Rome en Florence en houdt zich bezig met de geschiedenis van de natuurfilosofie in de zeventiende en achttiende eeuw. In 2019 won ze de Radboud Science Award voor haar onderzoek naar gedachte-experimenten in (vroeg)moderne filosofie.

Dat ons gesprek over toeval gaat, is natuurlijk niet toevallig. Aan het Center for the History of Philosophy and Science aan de Radboud Universiteit houdt Palmerino zich bezig met de ontwikkeling van de natuurfilosofie in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. In die periode maakten de natuurkunde en andere wetenschappen zich geleidelijk los van de filosofie, vertelt Palmerino. Ook voor die eerste wetenschappers was toeval een heikel punt. ‘Zij dachten dat alles voorspeld kon worden aan de hand van natuurwetten. Maar als je dat accepteert, volgt de vraag of mensen daar ook onder vallen. Hebben wij een vrije wil of ligt alles wat we gaan doen al vast?’

Wil je dit artikel verder lezen?

Sluit een abonnement af op Filosofie Magazine voor slechts 4,99 per maand en krijg toegang tot dit artikel én de duizenden andere diepgaande filosofische artikelen. Luister nu ook alle nieuwe artikelen als audio.
Word abonnee en lees verder > Al abonnee? Log dan in en lees (of luister) verder.

En? Bestaat vrije wil zonder toeval?
‘Dat ligt eraan hoe je toeval opvat. Voor sommige filosofen bestaat toeval niet echt in de natuur. Baruch Spinoza zegt bijvoorbeeld dat alles een oorzaak heeft. Maar omdat ons eindige intellect die oneindige reeks van oorzaken niet kan doorgronden, nemen we onze toevlucht tot de term “toeval”. Daarmee geven we aan dat we de verklaring niet kennen – het is dan gewoon een woord voor onze onwetendheid.

Aan de andere kant zijn er filosofen die toeval juist als verklaring aandragen. Het mooiste voorbeeld daarvan is Epicurus. Hij denkt dat de wereld bestaat uit atomen die recht naar beneden vallen. Die atomen zouden elkaar niet raken, als er niet een toevallige zwenking had bestaan die er volgens Epicurus voor zorgt dat de atomen elkaar treffen en samen constellaties vormen. Zo wordt toeval iets waarmee je verklaart hoe samengestelde lichamen kunnen ontstaan. Toeval kan dus zowel een gebrek aan verklaring signaleren, als de verklaring aanleveren. Je begrijpt eigenlijk pas wat een filosoof met toeval bedoelt wanneer je kijkt naar de tegenpool, naar wat hij met toeval wil uitsluiten.’

Heeft u daar een voorbeeld van?
‘Voor Spinoza was toeval het tegenovergestelde van determinisme: wat niet vastligt door natuurwetten, is toevallig. Hij raakte daarover in een discussie met ene Hugo Boxel. Voor Boxel was toeval juist tegenovergesteld aan design: als de wereld niet ontworpen is, wordt die geregeerd door toeval. Een wereld zonder intelligente schepper, maar waarin alles wordt gedetermineerd door natuurwetten, is voor Boxel dus wel toevallig, maar voor Spinoza niet.’

Maakt het voor ons dagelijks leven eigenlijk uit of we in toeval geloven?
‘Het is moeilijk te zeggen in hoeverre een wetenschappelijk wereldbeeld ons dagelijks leven beïnvloedt. In de middeleeuwen en moderne tijd heerste de overtuiging dat alles wat gebeurde door God was bepaald of door voorspelbare natuurwetten werd veroorzaakt. Met Darwins evolutietheorie en de kwantummechanica keerde toeval weer terug als een verklaringsprincipe in de natuur. In de huidige maatschappij geloven denk ik minder mensen dan vroeger dat alle gebeurtenissen vastliggen en de vrije wil niet bestaat. Maar in hoeverre die overtuiging voortkomt uit theoretische kennis weet je niet, zelfs al loopt iemand rond met Schrödingers kat op zijn T-shirt.’

Tekst loopt door onder afbeelding

Laboratorium van de geest

Met Schrödingers kat – een gedachte-experiment over de onvoorspelbaarheid van kwantumdeeltjes – belanden we bij een andere interesse van Palmerino: gedachte-experimenten. Zowel filosofen als wetenschappers maakten door de eeuwen heen veelvuldig gebruik van hypothetische scenario’s om hun ideeën over te brengen. Maar hoe kun je door een experiment in het laboratorium van je geest uit te voeren, iets nieuws te weten komen over de natuur?

‘Die vraag, die “Kuhns paradox” wordt genoemd, heeft decennialang het debat over gedachte-experimenten gedomineerd,’ zegt Palmerino. ‘Maar met deze vraag ga je ervan uit dat het doel van alle gedachte-experimenten is om nieuwe kennis te genereren. Vervolgens vraag je je af onder welke omstandigheden dat wel of niet lukt, en daaruit ontstaat dan een onderscheid tussen goede en slechte gedachte-experimenten. Deze wetenschappelijke standaard geldt nu als maatstaf, maar lang niet alle gedachte-experimenten hebben het doel om nieuwe kennis voort te brengen.’

Welke doelen kunnen ze nog meer hebben?
‘Je kunt gedachte-experimenten in grofweg drie categorieën verdelen. Bij de eerste is de centrale vraag: wat zou er in deze situatie gebeuren? Stel, je laat een bal door een tunnel door het centrum van de aarde vallen, wat gebeurt er dan? Dit type gedachte-experimenten wordt vaak in de natuurkunde gebruikt. Daarnaast heb je ook conceptuele gedachte-experimenten, zoals het schip van Theseus. Stel dat je een schip decennialang gebruikt en de planken een voor een vervangt, tot van het hele schip geen enkel onderdeel meer origineel is. Is dat wel of niet hetzelfde schip als aan het begin? Daarbij maakt het niet uit hoe de planken precies worden vervangen en je komt ook niet verder door het experiment uit te voeren. Het is een conceptuele vraag: hoe interpreteren we deze situatie?

Ten slotte zijn er normatieve gedachte-experimenten, die draaien om de vraag: wat moet ik hier doen? Een van de beroemdste voorbeelden hiervan is het trolleyprobleem. Stel dat er vijf mensen op een spoor liggen waar een trein op afkomt. Jij kan ervoor kiezen om de wissel om te zetten, waardoor de trein op een spoor komt waar maar één persoon op ligt. Wat doe je dan? De meeste mensen zeggen dat je die hendel moet overhalen. Maar wat als je het scenario aanpast, bijvoorbeeld door te zeggen dat je een dikke man op het spoor moet gooien om de trein te stoppen? Ook in dit geval red je vijf personen door één persoon op te offeren, maar hier trekken de meeste mensen de grens. Iemand op het spoor duwen voelt als moord, terwijl je bij het omzetten van die wissel kiest voor het minste kwaad. Maar als het effect hetzelfde is, waarom zou je het ene wel doen en het andere niet?

Door variaties in scenario’s aan te brengen, kun je dus verschillende antwoorden oproepen. Normatieve en conceptuele gedachte-experimenten leveren geen eenduidige kennis op, maar stellen je in staat om de werkelijkheid te ontleden en je intuïties te bevragen. Ze dienen om discussies op gang te brengen en mensen aan het denken te zetten. Doordat er niet één correct antwoord is, moet je je gedachten scherpstellen en aan anderen uitleggen waarom je iets denkt.’

Sommige gedachte-experimenten hebben toch wel een eenduidig antwoord?
‘Zeker. In zijn dialogen laat Galileo Galilei zijn fictieve personages vaak van mening verschillen over het resultaat van een gedachte-experiment. Simplicio, de vertegenwoordiger van het aristotelische wereldbeeld, denkt bijvoorbeeld dat een steen die je in een tunnel dwars door de aarde laat vallen bij het centrum van de aarde zou stoppen. Salviati, Galileis woordvoerder, denkt daarentegen dat de steen eeuwig op en neer zou blijven bewegen.

In dezelfde dialoog laat Galilei Simplicio ook een gedachte-experiment aanhalen om de rotatie van de aarde in twijfel te trekken. Als de aarde werkelijk om haar as zou draaien, zou volgens Simplicio een steen die op een toren wordt losgelaten niet aan de voet terechtkomen, net zoals een steen die vanaf de mast van een stilstaand schip naar beneden valt aan de voet van de mast neerkomt, maar bij beweging verder van de mast af valt. Salviati antwoordt daarop dat iedereen die nadenkt weet dat de steen ook op een varend schip aan de voet van de mast zal landen.

Dit laatste gedachte-experiment is gemakkelijk uit te voeren en we weten dat Galilei dat ook heeft gedaan. Toch zegt Galileis woordvoerder Salviati dat hij geen experiment nodig heeft om te weten dat hij gelijk heeft. Dat is niet alleen retorisch sterk, maar laat ook zien dat Galilei gedachte-experimenten vooral gebruikt om aan te tonen hoe iemands denken zijn interpretatie van een scenario beïnvloedt, meer dan om mensen te overtuigen van zijn gelijk.’

Heeft u zelf een favoriet gedachte-experiment?
‘Nee, maar als historicus ben ik wel gefascineerd door een gedachte-experiment dat aan de Griekse denker Archytas wordt toegeschreven. Neem aan dat de ruimte eindig is. Zet nu een man aan het randje van het universum. Zou hij zijn hand uit kunnen strekken? Als het antwoord ja is, betekent dit dat hij zich niet werkelijk aan de grens van het heelal bevindt, want er is nog verdere ruimte voor die hand. Als je nee zegt, moet er iets zijn wat hem tegenhoudt, maar wat is dat? Een soort muur? Dan zet je dezelfde man aan de andere kant van die muur en kun je opnieuw vragen in welke ruimte hij zich bevindt.

Archytas wil met dit gedachte-experiment bewijzen dat zowel de wereld als de ruimte oneindig zijn, maar latere denkers gebruiken het ook om tot andere conclusies te komen, bijvoorbeeld dat de ruimte wel oneindig is, maar de wereld niet. Dat vind ik fascinerend: hoe gedachte-experimenten een eigen leven gaan leiden. Ze reizen door de tijd en laten zien dat we onderdeel zijn van een denktraditie. Ze laten je in dialoog treden met denkers die allang niet meer leven en helpen je een positie in te nemen in een eeuwenoud debat.’

Dat gedachte-experiment kan echter nooit echt plaatsvinden. Hoe kunnen we dan weten wat er zou gebeuren?
‘Bij onmogelijke gedachte-experimenten kun je het scenario alleen analyseren via een analogie met situaties die je wel kent. De val van de steen in een tunnel dwars door de aarde wordt bijvoorbeeld als analoog beschouwd aan de beweging van een pendule. Je moet dan natuurlijk wel kunnen uitleggen waarom je denkt dat die twee gevallen analoog zijn. Vandaar dat er kritiek is op imaginaire scenario’s die te vergezocht zouden zijn. Bij sommige gedachte-experimenten over gespleten breinen, klonen, teleportatie heb je niets meer om het scenario mee te vergelijken.

Een soortgelijke kritiek werd al door Galilei geuit op gedachte-experimenten van scholastieke filosofen die een beroep deden op Gods absolute almacht. Wat zou er bijvoorbeeld gebeuren als God de aarde zou vernietigen maar de omringende lucht, inclusief wolken, intact zou houden? Zou het alsnog kunnen regenen? Galilei’s antwoord is: vraag me dat niet, want ik weet het niet. Wanneer een gedachte-experiment begint met een wonder dat alle natuurwetten opschort, kunnen we onze kennis van de wereld niet meer inzetten om de situatie te begrijpen. Als je begint met het onmogelijke, is daarna elk antwoord mogelijk.

Toch zijn er ook domeinen waarbij we niet zonder dit soort tegenfeitelijke gedachte-experimenten kunnen. Dat geldt met name voor de kosmologie en vragen over persoonlijke identiteit. In de kosmologie hebben we gedachte-experimenten nodig om naar plekken te gaan waar je niet fysiek aanwezig kunt zijn, zoals de rand van de ruimte. Bij persoonlijke identiteit spelen ze een rol omdat we onszelf nu eenmaal niet uit elkaar kunnen halen om te ontdekken wat ons tot de persoon maakt die we zijn; daarom verkennen we zulke mogelijkheden maar in gedachten. Opmerkelijk genoeg gaan de oudste gedachte-experimenten al over deze twee onderwerpen. Wat het verst van ons af staat en wat het dichtstbij is, daarover blijven we nadenken.’

Loginmenu afsluiten