Is er nog plek voor onverklaarbare genezingen of miraculeuze reddingen? Drie denkers maken opnieuw ruimte voor het wonder.
‘De wonderen zijn de wereld nog niet uit,’ zeggen we als er iets onverwachts gebeurt. Maar in echte wonderen geloven veel mensen niet meer: weinigen verwachten dat de zee kan splijten, dat mensen opstaan uit de dood of dat lood in goud kan veranderen. Sinds de Verlichting is onze blik op de wereld wetenschappelijker geworden; we zoeken naar logische verklaringen voor gebeurtenissen. Dat laat maar weinig ruimte voor Wonderen met een hoofdletter, zaken die de orde van de natuur doorbreken.
‘Wetenschap en wonderen gaan prima samen’
Toch maken we soms iets mee dat we als een wonder omschrijven. Want hoe beschrijf je de liefde die je wereld op z’n kop zet? Een ontmoeting die de rampspoed nipt afwendde? De genezing nadat de dokters het hadden opgegeven? ‘Compatibele immuunsystemen’, ‘toevallige samenloop van omstandigheden’, ‘een statistisch kleine kans’ – het zijn te kille beschrijvingen voor iets wat ons voorstellingsvermogen te boven gaat. De vraag is dan: houden we onszelf voor de gek als we van wonderen verhalen? Of is er toch ruimte voor wonderen in onze onttoverde wereld? En waar zit die ruimte dan?
Heel onwaarschijnlijk
‘Ik geloof in wonderen en ik raad iedereen aan dat ook te doen,’ opent Heino Falcke het gesprek. De hoogleraar radioastronomie en astrodeeltjesfysica aan de Radboud Universiteit in Nijmegen werd samen met zijn team wereldnieuws, omdat zij als eersten een foto maakten van een zwart gat. Een grote prestatie, want een zwart gat is zo zwaar dat het al het licht opslokt. ‘Als je wonderen in je wereldbeeld toestaat, is er veel meer mogelijk. Zonder wonderen ontzeg je jezelf de kans om je te laten aanspreken door de wereld.’
Wetenschap en wonderen gaan prima samen, volgens Falcke. ‘De wetenschap heeft niets over wonderen te zeggen; die houdt zich bezig met regelmatigheden, fenomenen die zich herhalen. Een wonder is bij uitstek iets eenmaligs en valt dus buiten het bereik van de wetenschap. Een wonder doorbreekt de orde der dingen niet, maar is gewoon heel onwaarschijnlijk.’
Er is ruimte voor onverwachte gebeurtenissen zoals wonderen, zegt Falcke, omdat er grenzen zijn aan de voorspelbaarheid van het heelal. ‘Het idee bestaat dat het universum een gesloten keten van oorzaak en gevolg is. Wanneer je kennis zou hebben over alles wat er bestaat, zou je de toekomst ook volledig kunnen voorspellen. Maar dat deterministische wereldbeeld is een mythe, geen wetenschap. Wetenschap weet voor zover ze meet. En in metingen zitten altijd onzekerheden. Alleen als je meting oneindig lang duurt, zou je tot op het laatste cijfer achter de komma nauwkeurig kunnen zijn. Maar juist in de onzekerheid zit ruimte voor vrijheid en hoop. Kleine dingen kunnen op de lange termijn grote effecten hebben.’
Ergens was de foto van het zwarte gat ook een klein wonder, erkent Falcke. ‘Om de foto mogelijk te maken, moesten er veel dingen precies bij elkaar komen. De afstand van de aarde tot het zwarte gat was precies goed, de radiofrequentie net laag genoeg om door de dampkring te komen. Elk klein wonder is de afspiegeling van het grote wonder van het bestaan: het diepe wonder dat er überhaupt iets is en niet niets.’
Als belijdend christen houdt Falcke de mogelijkheid open dat God ingrijpt in onze wereld. ‘Het lijkt misschien een paradox: ik geloof in een actieve God en tegelijk dat alles volgens natuurwetten gebeurt. Maar wij mensen doorbreken voortdurend de orde der dingen, dus waarom God niet? Tijdens colleges vertel ik mijn studenten soms dat ik met de kracht van mijn gedachten een glas water kan laten opstijgen. Ik kijk dan een tijdje heel intens naar dat glas – om het vervolgens met de hand op te pakken. Het glas stijgt op door mijn wil. Maar wat de menselijke wil is, begrijpen we nog steeds niet helemaal.’
Hoe de menselijke wil werkt, kan de wetenschap niet verklaren. Het valt buiten de wetenschap, net als het ingrijpen van God, besluit Falcke. ‘Maar dat laatste is geen wetenschap meer, maar een vertrouwen. Er is altijd een lampje, een lichtje van hoop. Ik houd altijd rekening met een wonder, maar ik reken er niet op.’
Tekst loopt door onder afbeelding

Hocus-pocuswonder
Als het lijkt alsof de wonderen de wereld uit zijn, komt dat omdat we op een verkeerde manier naar de natuur kijken, zegt Victor Kal, voormalig hoofddocent filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. ‘De moderne wetenschap ziet de levenloze natuur als een soort basiseenheid; de natuur is opgebouwd uit levenloze deeltjes. Maar als je begint te denken vanuit de levende natuur, is er plots veel meer mogelijk. De natuur werkt met generaties: elke generatie van planten, dieren en mensen is weer nieuw. Er is steeds opnieuw leven mogelijk, terwijl het eerdere leven ten dode opgeschreven was. Daar gebeurt dus iets wonderlijks, iets dat je niet helemaal kunt reconstrueren uit het voorgaande. Als je je dit realiseert, is dat realisme van de wetenschap doorbroken.’
Maar als het wonder net zo regelmatig is als de cyclus van leven en dood, kun je dan nog wel van een wonder spreken? Kal is niet onder de indruk van die kritiek. ‘Een beetje spottend zeg ik: het hocus-pocuswonder kan wat mij betreft van tafel. Een wonder dat een inbreuk maakt op de orde van de natuur, zoals een onverklaarbare genezing of onvoorziene redding, is ondoorgrondelijk. En zodra we zeggen dat iets ondoorgrondelijk is, wordt opeens alles mogelijk. Dan verliezen we ons helemaal in het ongerijmde.’
‘Het wonder rekt je denkkaders op’
Liever ziet Kal het wonder als een vorm van inspiratie. Je kunt er volgens hem ook voorbereidingen voor treffen, net zoals je eerst je bureau leegmaakt voordat je gaat schrijven. ‘Je moet in je ziel ruimte maken voor het wonder, zegt de Deense filosoof Søren Kierkegaard. Het Bijbelverhaal van Jakob en Esau is daarvan een goed voorbeeld. De broers hebben een conflict met elkaar, daarom wil Esau Jakob doden. In eerste instantie vlucht Jakob, maar later besluit hij toch de confrontatie aan te gaan. Jakob loopt de broer tegemoet die hem naar het leven staat en buigt zeven keer, waarna ze zich met elkaar verzoenen. Jakob zegt tegen Esau: “Het zien van jouw gezicht was als het zien van het gezicht van God.”’
Het echte wonder is hier dat iemand van voornemen verandert, terwijl je dat niet had verwacht, zegt Kal. ‘Maar Jakob hield de mogelijkheid wel open. Door zeven keer te buigen voor Esau, bracht hij Esau binnen in de mogelijkheid van verandering. Ook Esau zat niet gevangen in zijn voornemen. In die vrijheid zit het wonder: mensen zitten niet gevangen in hoe het tot nu toe is gegaan. Als je ruimte maakt voor een wonder, stel je jezelf open voor een “gebeuren”. Dat is geen hocus-pocus. Maar je zet daarvoor wel iets op het spel, want je openheid kan onbeantwoord blijven.’
Kal illustreert deze openheid aan de hand van zijn avondwandelingetjes door Amsterdam. ‘Ik ervaar die als een rondwandeling door een “wonderlijke wereld”, in de sterke zin van het woord. Naar voren treden in de openbare ruimte is een wonder, namelijk dat je iets ongewoons durft te doen. Als je ervoor ontvankelijk bent, kun je op straat een soort charme uitwisselen. Je groet of glimlacht even en dan vindt er een soort betovering plaats. Je beseft dat je de ruimte met elkaar deelt. Veel mensen op straat herkennen mij als jood en soms deel ik zo’n moment van charme ook met moslims. Je herkent iets in elkaar, er gebeurt iets.’
Liefde
‘Het wonder gaat voor mij om het vermogen tot en-en-denken,’ begint filosoof en schrijver Désanne van Brederode. ‘Dat is de kunst om betekenis open te houden. Het is net zoals wanneer je een goed gedicht leest. Je kunt dat helemaal analyseren, de achtergrond van de dichter doorspitten, de metaforen in hun gelaagdheid verklaren. Dat werkt vaak verrijkend, net zoals wanneer de penseelstreken van een schilderij worden bestudeerd. Maar een goed gedicht blijft een geheim. Het blijft je raken, zonder dat je precies kunt uitleggen waarom. Als je alles kunt verklaren, is het ontwonderd.’
‘Zodra je een sluitende verklaring kunt geven voor je liefde, is die voorbij’
Een echt wonder is iets bijzonders wat je niet meteen een plaats kunt geven, vervolgt Van Brederode. ‘Wonderen vergen een bepaalde houding. We zien de wereld en de gebeurtenissen daarin vaak vanuit een of-of-logica. Of er is niets wonderlijks aan en je kunt alle dingen verklaren óf je ziet meteen de diepere betekenis van een gebeurtenis. Maar een echt wonder onthult zijn betekenis vaak pas in de loop der jaren. Een wonder is iets wat je moet uithouden.’
‘Een wonder werkt zoals de liefde,’ zegt Van Brederode, die graag interviews leest met echtparen die al vijftig jaar gelukkig zijn getrouwd. ‘Als die mensen gevraagd worden naar het geheim van hun liefde, zitten daar allerlei wondermomentjes in. En verdrietige momenten; ze hebben bijvoorbeeld een kindje verloren. Maar die hebben hen niet uit elkaar gedreven, omdat ze nieuwsgierig naar elkaar bleven en steeds nieuwe kanten van elkaar ontdekten. Daar zie je ook die en-en-logica: je weet wat je aan elkaar hebt en tegelijkertijd blijf je je over elkaar verwonderen. Wat je voor elkaar betekent, blijft open. Want zodra je sluitend kunt verklaren waarom je bij iemand bent, is de liefde voorbij. Wanneer mensen uit elkaar gaan, wordt hun verhaal opeens feitelijk en logisch. Het had niet anders kunnen lopen, zeggen ze dan. Het wonder is eruit.’
