Waar kunnen vrouwen veilig over straat? Onderzoeksplatform Pointer en het Algemeen Dagblad (AD) publiceerden in 2025 een interactieve kaart van Nederland waarop vrouwen kunnen aangeven waar zij zich onveilig voelen, en waarom. Inmiddels telt de kaart al bijna vijftienduizend locaties. Kijkend naar de kaart krijg je de indruk dat vrouwen zich eigenlijk overal onveilig voelen – niet alleen aan de randen van de steden, niet alleen in stadscentra, niet slechts in donkere steegjes. Bij veel locaties staat opgemerkt: ‘vooral als het donker is’. Maar regelmatig ook: ‘tijdstip maakt niet uit’.
Ivana Ivkovic (1974) is politiek filosoof en journalist. Ze geeft onder andere filosofieles aan de Koningstheateracademie in Den Bosch en de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten en reageert regelmatig op de actualiteit als lid van het Filosofisch Elftal van dagblad Trouw.
De kaart illustreert zowel de urgentie als de moeilijkheid van het hedendaagse debat rondom veiligheid. Veiligheid staat hoog op de maatschappelijke agenda, maar eigenlijk gaat het daarbij om zeer verschillende soorten veiligheid: fysieke veiligheid in de openbare ruimte, veiligheid in de privésfeer, maar ook sociale veiligheid – die laatste is de afgelopen jaren uitgegroeid tot een belangrijk thema in organisaties, het onderwijs en culturele instellingen. Maakt die verbreding het begrip niet te diffuus? De kaart laat ook zien dat veiligheid niet alleen een kwestie is van criminaliteitscijfers, maar tevens draait om onze ervaring en perceptie van veiligheid. Is het überhaupt mogelijk om het gevoel van onveiligheid weg te nemen? En zit daar niet een verborgen prijskaartje aan – meer toezicht, meer controle – dat we niet altijd even wenselijk vinden?
Veiligheidsutopie
Verschillende critici vrezen dat ons streven naar veiligheid aan het doorschieten is. Al in 2002 waarschuwde socioloog Hans Boutellier hiervoor in zijn boek De veiligheidsutopie. Volgens Boutellier leven we in een samenleving die vrijheid en individualisme omarmt, maar tegelijk een groeiende behoefte heeft aan bescherming en controle. Die spanning leidt tot wat hij een veiligheidsutopie noemt: de verwachting dat veiligheid volledig te organiseren is, terwijl de werkelijkheid telkens nieuwe onzekerheden voortbrengt.
Een verwante intuïtie vinden we bij de Duitse filosoof Peter Sloterdijk. Hij beschrijft de moderne samenleving als een ‘comfortbroeikas’: een omgeving waarin steeds meer inspanningen worden gedaan om risico’s en ongemak uit te bannen. Maar precies daardoor lijkt de wereld buiten die broeikas steeds bedreigender. Hoe meer bescherming we organiseren, hoe gevoeliger we worden voor alles wat niet in dat beschermde klimaat past. Maar klopt dat beeld eigenlijk wel? Is ons streven naar veiligheid vooral een teken dat we fragieler zijn geworden? Of speelt hier iets anders?
Zichtbaar gevaar
Het denken van Michel Foucault biedt een andere invalshoek. Volgens hem draait veiligheid niet om het uitbannen van alle gevaar – veiligheid betekent juist dat je gevaar zichtbaar maakt door te meten en te berekenen. Het gaat er niet om elk risico uit te sluiten, maar om het veld van mogelijke gebeurtenissen te begrijpen en te sturen.
Die manier van denken ontstaat, zo laat Foucault zien, wanneer de traditionele manier van regeren via wetten en verboden op haar grenzen stuit. In het achttiende-eeuwse Frankrijk probeerde de staat schaarste en maatschappelijke onrust aanvankelijk te bestrijden door middel van strenge controle: graanprijzen vastzetten, oppotten verbieden. Maar dat werkte averechts en leidde juist tot meer tekorten en meer opstanden in de roerige decennia voor de Franse Revolutie. Iets soortgelijks gold voor de omgang met armoede en bedelarij. Armen werden van de straat gehaald en opgesloten in instellingen als het Hôpital général. Maar dat was dweilen met de kraan open. De instellingen raakten overvol, nieuwe voorzieningen moesten worden gebouwd, en ondertussen bleef de armoede gewoon bestaan en vulden de straten zich met nieuwe bedelaars.
Fileprobleem
Veiligheid is in dat opzicht een beetje als het fileprobleem. Je lost het niet op door hier en daar een rotonde of extra rijstrook aan te leggen, want dan verplaatst de file zich gewoon. Je kunt hoogstens proberen de doorstroming beter te begrijpen: niet door elk obstakel weg te nemen, maar door het hele systeem van stromen en knelpunten in samenhang te analyseren. Controle maakt dan plaats voor regulatie; in plaats van dingen te verbieden of te onderdrukken, gaat het erom processen in goede banen te leiden.
Dat is ook relevant voor het debat over sociale veiligheid. Op het eerste gezicht lijkt dat een ander domein, want het gaat over omgangsvormen, kwetsbaarheid en grensoverschrijdend gedrag. Toch is er wel een parallel te trekken: het lijkt erop dat duidelijke regels en morele normen – de spreekwoordelijke rotondes en extra rijstroken – onvoldoende zijn. Daarmee verschuift ook hier de vraag: niet alleen wat wel en niet mag, maar waar mogelijke schade kan ontstaan en hoe die te beperken.
Even tussendoor …
Meer lezen over filosofie en maatschappij? Schrijf je in voor de gratis nieuwsbrief:
Maar veiligheid, zo laat Foucaults analyse zien, vergt vaak vergaand toezicht om alles in kaart te brengen en het gevaar te kunnen aanwijzen. Het vraagt om classificatie van situaties, gedragingen en groepen. Naar aanleiding van verkennende gesprekken over sociale veiligheid krijgen we niet direct andere omgangsvormen, maar een veelheid aan nieuwe instrumenten: meldpunten, registraties, protocollen, vertrouwenspersonen en gedragscodes. Daarnaast verschuift de aandacht van concrete overtredingen naar risico’s. Niet alleen wat iemand heeft gedaan wordt relevant, maar ook wat iemand mogelijk zou kunnen doen. Dat brengt nieuwe problemen met zich mee. Risicoanalyse vraagt voortdurend om aanwijzingen waar gevaar zich waarschijnlijk zal voordoen. Zulke berekeningen ogen heel wetenschappelijk, maar zijn in feite nooit neutraal.
Gemobiliseerde angst
Omdat veiligheid niet draait om de afwezigheid van gevaar, maar om het zichtbaar maken en berekenen ervan, krijgt gevaar een nieuwe rol. In plaats van iets dat moet verdwijnen, wordt het iets dat voortdurend moet worden gemeten, gevolgd en geïnterpreteerd. Dat leidt tot een veiligheidssysteem dat voortdurend alert moet zijn op gevaar. Gevaar moet worden aangewezen, benoemd en soms zelfs uitvergroot om bestuurlijke aandacht te mobiliseren. In zo’n context wordt angst niet alleen een politieke strategie, maar ook een onvermijdelijk bijproduct van de veiligheidslogica zelf.
Dat betekent niet dat veiligheid simpelweg een instrument is waarmee machthebbers angst beheersen. Het punt is subtieler. Veiligheid vormt een andere opgave voor de staat dan voor het recht. Waar wetten vooral reageren op overtredingen – op wat al gebeurd is – probeert de staat met haar veiligheidsbeleid juist te anticiperen op wat zou kunnen gebeuren. In die zin gaat veiligheid aan het recht vooraf: je probeert het veld van mogelijke gebeurtenissen zo te ordenen dat bepaalde risico’s minder waarschijnlijk worden.
Ongelijk verdeeld
Precies omdat veiligheid met mogelijke gevaren werkt, ontstaat er ook een politieke gevoeligheid voor dreiging. Zodra bestuur begint te opereren in termen van risico en waarschijnlijkheid, wordt het moeilijker om onverschillig te blijven voor signalen van gevaar. De politieke verbeelding raakt gewend aan scenario’s van wat er mis zou kunnen gaan. En daar ontstaat iets wat we vandaag vaak tegenkomen in het publieke debat: de mobilisatie van angst. Niet alleen omdat angst strategisch wordt ingezet, maar ook omdat een samenleving die veiligheid belangrijk vindt structureel ontvankelijker wordt voor waarschuwingen, dreigingen en risicoverhalen.
Hier raakt Foucaults analyse aan het werk van de Amerikaanse filosoof Angela Davis. In haar analyses van politie en gevangenissen confronteert Davis ons met de vraag: wat als veiligheid niet primair gaat over bescherming, maar over het organiseren van gevaar? In moderne veiligheidsregimes is dreiging zelden abstract. Ze krijgt een gezicht, een lichaam en een sociale categorie. Maar die categorieën zijn nooit neutraal. Ze worden gevormd in een wereld waarin bepaalde groepen al als problematisch, gevaarlijk of afwijkend zijn bestempeld. Davis laat zien hoe het veiligheidsdiscours in de Verenigde Staten – en breder in samenlevingen met een koloniale en raciale geschiedenis – doorgaans samenvalt met bestaande hiërarchieën van ras en klasse. Politie, gevangenissen en toezichtssystemen volgen historische patronen van uitsluiting.
Het gevolg is een verontrustende paradox. Veiligheid lijkt universeel – iedereen zou immers moeten worden beschermd – maar in de praktijk wordt ze vaak ongelijk verdeeld. Sommigen ervaren vooral bescherming, anderen vooral toezicht. De vraag is dus niet alleen hoe de samenleving veiliger gemaakt kan worden, maar ook: voor wie?
Een politiek gesprek
De enige manier om deze problemen het hoofd te bieden, is om het gesprek over veiligheid meer vanuit een politieke blik te benaderen. Voor wie moet de samenleving veilig zijn? Wie of wat wordt als gevaar gezien, en waarom? Welke percepties tellen mee en welke niet? Tegelijkertijd moeten we beseffen dat dit gesprek niet automatisch oplossingen oplevert of direct tot meer veiligheid leidt. Het probleem van het hedendaagse veiligheidsdebat is juist dat dit politieke gesprek en de meer regulatieve kant van veiligheid in de praktijk vaak door elkaar heen lopen.
Om terug te komen op de onveiligheidskaart: daarin lopen al die verschillende aspecten van veiligheid door elkaar, op een manier die symptomatisch is voor de bredere discussie. Op het eerste gezicht lijken de punten op de kaart data waarmee je kunt aflezen waar het gevaar dreigt. Maar bij nader inzien gaat het om een verzameling van uiteenlopende ervaringen, indrukken en percepties. Dat maakt de kaart niet minder relevant, maar het betekent wel dat zij niet eenvoudig kan worden gebruikt als instrument om het land veiliger te maken.
Misschien biedt dat ook een ander antwoord op de kritiek dat het begrip veiligheid steeds minder betekent, omdat mensen van alles kunnen aanwijzen als bron van een onveilig gevoel. Inderdaad kunnen we een samenleving niet besturen op basis van alle individuele percepties. Maar evenmin kunnen we ze eenvoudig terzijde schuiven. Ze kunnen aanleiding zijn voor dat andere, politieke gesprek. Net zoals het uiteindelijk de vraag is wat die vijftienduizend stipjes op de kaart eigenlijk betekenen. Pas daarna wordt het mogelijk om te praten over welke oplossing dan ook.

