Er bestaat geen wij zonder zij
Carl Schmitt (1888-1985)

Wie zijn vijanden haat, heeft niet begrepen wat een vijand is, meent de Duitse filosoof en jurist Carl Schmitt. Dat betekent niet dat we onze vijanden maar beter kunnen liefhebben, zoals het Bijbelse gebod zegt. In allebei de gevallen verwarren we volgens Schmitt een vijand met een persoonlijke tegenstander. Iemand die je partner probeert te verleiden of je uit de markt probeert te prijzen is geen vijand, maar een rivaal of een concurrent. Zulke tegenstanders kun je het ergste toewensen of een slecht mens noemen. Maar zo gauw we het over vijanden hebben, betreden we volgens Schmitt het terrein van de politiek: daar gaat het niet om gevoel of goed en kwaad, maar over gemeenschappen: wie hoort bij jou en wie niet.
Een politieke gemeenschap bestaat volgens Schmitt alleen doordat er onderscheid gemaakt wordt tussen vriend en vijand: tussen de mensen die erbij horen en de mensen van een ander land, een andere staat. Er bestaat geen ‘wij’ zonder ‘zij’; wie vrienden wil, heeft ook vijanden nodig. In vredestijd weegt die vijandschap niet zo zwaar: je kunt prima persoonlijk vrienden worden met een Fransman of een Duitse, net zoals je een hekel kunt hebben aan mensen uit je eigen gemeenschap. Maar de ware betekenis van vriend en vijand blijkt in de oorlog: dan moet je bereid zijn voor je gemeenschap te sneuvelen en je vijand te doden, hoe hoog je hem ook acht.
Zo belangrijk als Schmitt de gemeenschap van de staat vindt, zo weinig ziet hij in het streven naar één groot wij waarin de hele mensheid opgenomen wordt. Wie oorlog voert in naam van ‘de mensheid’ spant dat begrip voor zijn eigen politieke karretje, meent Schmitt. Zulke oorlogen zijn extra gruwelijk, omdat de vijand tot iets onmenselijks wordt gemaakt, een gruwel ‘die niet slechts moeten worden afgeweerd maar die definitief moet worden vernietigd’. Het is volgens hem een ‘verschrikkelijke pretentie’ om ‘aan de vijand de eigenschap mens te zijn te ontzeggen’. Die woorden hebben een pijnlijke dubbele betekenis, want twee jaar na het schrijven ervan meldt Schmitt zich aan bij de nazipartij, waar hij onder andere de rassenwetten zal verdedigen. Schmitt zal daarvoor nooit berouw tonen.
Carl Schmitt is een omstreden Duitse jurist en filosoof. In zijn boeken, waaronder Het begrip politiek (1932), pleit hij voor vriend-vijanddenken en de eenheid van het volk.
Ieder mens hongert naar de groep
Elias Canetti (1905-1994)

Voor veel mensen heeft de massa iets afstotelijks. Een stadion vol voetbalsupporters, een massademonstratie, een winkelstraat op Black Friday – het aanzicht alleen al roept bij hen een fysieke reactie op. Liever blijven ze weg van dat kluwen van zwetende lichamen. ‘Voor niets is de mens meer beducht dan voor aanraking door iets onbekends,’ schrijft de Duitse schrijver Elias Canetti over deze natuurlijke weerzin tegen de groep in zijn boek Massa en macht (1960).
Maar bij weerzin alleen blijft het niet, ziet Canetti. Hoe valt anders te verklaren dat mensen elkaar toch in groten getale opzoeken? Dat volkeren zich zo sterk met elkaar verbonden voelen? Dat we extase ervaren op een groot feest of ons massaal scharen achter een sterke leider? Volgens Canetti komt dit doordat er maar één plek is waar we van onze aanrakingsvrees worden verlost – en dat is in de massa.
In de massa verdwijnt de angst voor de ander
Ieder mens vreest de massa én hunkert ernaar. Uit aanrakingsvrees houden we anderen op afstand. We vormen onze individualiteit om de fysieke en psychische afstand tot anderen te vergroten. Tegelijkertijd verlangen we ernaar om die individualiteit op te heffen en onze honger naar de massa te stillen. Die ‘honger’ wordt bevredigd op het moment van ontlading (Entladung): wanneer een verzameling individuen plotseling ophoudt verschillen te zien en zich gelijkwaardig voelt. In een dichte massa verdwijnt de angst voor de ander omdat iedereen deel uitmaakt van hetzelfde geheel.
In de massa ondergaat de mens een metamorfose: zijn individualiteit valt weg en hij wordt deel van een nieuw wezen. Dat verklaart waarom mensen in een groep dingen doen die ze anders nooit zouden doen. Pas wie de mens als massawezen begrijpt, doorgrondt de complexe dynamieken van de wereld, meent Canetti – van inflatie tot macht op het wereldtoneel.
Elias Canetti is een Duitstalige schrijver en Nobelprijswinnaar. In zijn magnum opus Massa en macht (1960) onderzoekt hij massavorming en groepspsychologie.
Ik ben omdat wij zijn
Mogobe Ramose (1950)

Stel dat alles wat je van je vrienden, familie, andere mensen en de wereld om je heen hebt geleerd ineens gewist was uit je geheugen. Was er dan nog iets van je over? Natuurlijk niet, zegt de Zuid-Afrikaanse filosoof Mogobe Ramose. Toch zien we onszelf binnen het westerse denken vaak als zelfstandige individuen met een vaste identiteit. Volgens vele Afrikaanse filosofieën ligt dat anders. Daar wordt benadrukt dat je identiteit gevormd wordt in relatie tot anderen en tot de wereld. Dat uitgangspunt heet ubuntu, vaak samengevat in de uitdrukking umuntu ngumuntu ngabantu: ‘Ik ben omdat wij zijn’.
Ubuntu betekent dat niets op zichzelf staat en dat alles geworteld is in verbondenheid. Volgens Ramose is dat ook terug te zien in de opbouw van het woord ‘ubuntu’. Ubu verwijst naar het zijn in algemene zin, het bestaan als zodanig. Ntu verwijst naar wat concreet bestaat: een mens, een boom, een dier. Samen drukken de woorden uit dat het concrete en het algemene niet los van elkaar kunnen worden gedacht. Het concrete maakt altijd deel uit van het grotere geheel van het bestaan. Jij bent geen los individu dat eerst op zichzelf staat en daarna pas relaties aangaat; het individuele en het gemeenschappelijke vallen samen.
Als alles met elkaar samenhangt, dan is zorg voor anderen of de natuur geen extra morele inspanning, maar een vorm van zelfzorg. Wat je een ander aandoet, doe je ook het grotere geheel aan waarvan je zelf deel uitmaakt. Daarom moeten beslissingen, conflicten en verantwoordelijkheden niet bekeken worden vanuit individueel belang, maar vanuit de vraag wat de onderlinge verbondenheid versterkt of schaadt.
Maar op deze manier mens-zijn gaat niet vanzelf, volgens Ramose. Je ‘ik’ kan weliswaar niet bestaan zonder ‘wij’, maar dat betekent niet dat je vanzelf opgaat in het collectief; daarvoor moet je ubuntu belichamen. Denk je vanuit het wij, dan komt het ik pas echt tot zijn recht.
Magobe Ramose is een Zuid-Afrikaanse filosoof. Hij staat bekend om zijn uitwerking van het begrip ‘ubuntu’ als fundament van de Afrikaanse filosofie.
Een gemeenschap is meer dan haar verleden
Wendy Brown (1955)

Iedere voetbalfan heeft wel feitjes paraat die bewijzen dat zijn team het beste is en elk land kent wel een historische figuur die nationale trots oproept. Maar waar ga je prat op wanneer jouw groep eeuwenlang is buitengesloten, onderdrukt of belachelijk is gemaakt?
Volgens de feministische filosoof Wendy Brown baseren mensen uit achtergestelde groepen hun identiteit vaak juist op de onderdrukking die ze zo veroordelen. Ze vinden hun positie onrechtvaardig, maar zijn trots op de veerkracht, vindingrijkheid of menslievendheid die ze hebben ontwikkeld in de overlevingsstrijd tegen dat onrecht. Ze erkennen dat bevoorrechte mensen het makkelijker hebben, maar vinden ook dat ze door hun privileges lui, onwetend of zelfs wreed zijn geworden. Zo wordt onderdrukking omgetoverd tot iets wat je moreel beter maakt.
Brown waarschuwt dat deze belangrijke rol van onderdrukking voor wie je bent gevaren met zich meebrengt. Plat gezegd: als je moet lijden om goed te zijn of tot een groep te horen, wordt het onmogelijk om dat leed op te geven. Dan zou je namelijk net zo slecht worden als de bevoorrechte mensen. Gemarginaliseerde gemeenschappen houden oude wonden open, omdat heling voor een identiteitscrisis zou zorgen, meent Brown. Maar ze werken zo hun eigen emancipatie tegen.
Maar hoe kun je een wij worden als je niet mag teruggrijpen op gedeelde ervaringen? Dat is heel moeilijk, erkent Brown. Het klinkt gevoelloos om te zeggen dat mensen hun pijn en ressentiment los moeten laten als deze gerechtvaardigd zijn. Maar ze wijst erop dat mensen meer zijn dan hun verleden: te allen tijde hebben we de mogelijkheid om iets nieuws te scheppen. En dat kan ons bijeenbrengen tot een ander soort gemeenschap, vindt Brown. Als we een eerlijke samenleving willen, kunnen we onze groepsidentiteit beter baseren op de toekomst die we willen waarmaken, dan op wat ons in het verleden is aangedaan.
Wendy Brown is een Amerikaanse feminist en politiek filosoof. In haar boek States of injury (1995) betoogt ze dat individuele en groepsidentiteit vaak gebaseerd zijn op kwetsingen die ons zijn aangedaan.
