Terwijl ik dit schrijf, ligt Nous’che languit op de bank te slapen. Al twaalf jaar breng ik het grootste deel van mijn leven met haar door. Hoe zou zij over mij denken? Is ze anders naar me gaan kijken in die tijd? Wat vindt ze van het getik op mijn laptop, elke dag opnieuw? Waardeert ze mijn gitaarspel? Of zou ze meer hebben met de contrabas die ik ook bespeel? Eigenlijk betwijfel ik of muziek haar überhaupt raakt. Al zing ik mijn gevoeligste lied, het lijkt haar weinig te doen. Maar dat kan natuurlijk ook aan mij liggen.
En hoe zie ik haar? Misschien in de eerste plaats als niet-mens, daarna als hond, vervolgens als teckel, en pas als laatste als uniek wezen: als Nous’che. Al schuift de unieke Nous’che, naarmate ik haar langer ken, steeds meer op de voorgrond. We lijken elkaar steeds beter te begrijpen.
Wat zij over mij denkt, weet ik dus niet precies, maar dát zij iets over mij denkt, kan bijna niet anders. Hoewel ze nu ligt te slapen, observeert ze me vaak op een aandachtige en doordringende manier. In de afstand tussen haar blik en de mijne ligt een vraag die filosofen al eeuwen bezighoudt: wat is het verschil tussen mens en dier? En niet alleen filosofen trouwens. Er is zelfs een naam voor dit vraagstuk: ‘het antropologisch verschil’.
Spiegels
Niet-menselijke dieren fungeren vaak als spiegels, projectieschermen of contrastmiddelen. Ze zijn de ander waartegen wij afsteken als slim, talig, creatief of zelfbewust. Sinds Aristoteles (384-322 v.Chr.) omschrijft de mens zichzelf graag als animal rationalis. Volgens de Griekse denker is de mens een soort ‘dier+’ (en een dier een ‘plant+’). Alle levende wezens hebben een ziel (psyche), maar in gradaties. Planten bezitten een vegetatieve ziel, gericht op groei en voortplanting. Dieren hebben daarbovenop een sensitieve ziel die waarneming, begeerte en beweging mogelijk maakt. Alleen de mens beschikt over een derde onderdeel, de rationele ziel, die ons in staat stelt te spreken, te redeneren en onszelf te beschouwen.
Ik kan ook niet weten hoe het is om een ander mens te zijn
Wanneer natuuronderzoeker Carl Linnaeus (1707-1778) twintig eeuwen na Aristoteles in Systema naturae zijn indeling van levende wezens publiceert, doet hij iets soortgelijks. Hij plaats de mens weliswaar in het dierenrijk – klasse: zoogdieren, orde: primaten, geslacht: homo, soort: homo sapiens – maar waar hij bij andere dieren fysieke kenmerken noteert, schrijft Linneaus bij de mens: nosce te ipsum, ken uzelf. Geen biologische eigenschap, maar een morele en epistemologische opdracht. Daarmee maakt hij de mens opnieuw tot een uitzonderlijk dier, verschillend van alle andere dieren. Niet rationeel dit keer, maar sapiens, wijs.
In zekere zin sluit de hedendaagse Amerikaanse filosoof Thomas Nagel (1937) aan bij deze traditie. In zijn essay Hoe is het om een vleermuis te zijn? uit 1974, vraagt hij zich af of we als mens de ervaring van een vleermuis kunnen begrijpen. Hij kiest niet voor niets de vleermuis. Die heeft een zintuig dat wij niet hebben: echolocatie, het vermogen om de omgeving waar te nemen door geluidsgolven uit te zenden en de weerkaatsing daarvan te interpreteren. Nagels conclusie is dat, hoeveel we ook te weten komen over echolocatie, we nooit kunnen ervaren hoe het is om als vleermuis door het leven te gaan. De subjectieve beleving van een ander dier blijft voor ons principieel ontoegankelijk.
Ik denk dat Nagel gelijk heeft, maar toch stoort het me dat hij het probleem juist aan de hand van de vleermuis scherpstelt. Door een niet-menselijk dier als voorbeeld te nemen, dreigt het verschil tussen mens en dier opnieuw een absoluut onderscheid te worden, terwijl het mij eerder gradueel lijkt. Ik kan namelijk ook niet precies weten hoe het is om een ander mens te zijn. Al kom ik waarschijnlijk wel dichter in de buurt dan bij een vleermuis.
In plaats van verschillen te benadrukken, lijkt het mij vruchtbaarder te beginnen bij de minimale overeenkomsten met andere soorten. We leven, we hebben lichamen, we kennen honger, pijn, vermoeidheid en verlangen. We bewegen ons door een wereld die tegelijk weerstand biedt en uitnodigt. Die gedeelde levensomstandigheden maken ons niet direct transparant voor elkaar, maar openen wel de mogelijkheid voor een vorm van begrip.
Tekst loopt door onder afbeelding

Kijkende kat
De Franse filosoof Jacques Derrida (1930-2004) heeft daar meer oog voor. Hij beschrijft hoe hij naakt in zijn badkamer staat en merkt dat zijn kat hem bekijkt. Hij schaamt zich – niet omdat hij door een mens wordt gezien, maar door een dier. De blik van zijn kat is niet leeg of neutraal. Het is de blik van een levend wezen dat hem aankijkt. En daarmee, zegt Derrida, begint het abstracte begrip ‘dier’ te wankelen. Deze kat is geen categorie, maar een individu. Een lichaam dat ziet en gezien wordt.
Tegelijk wijst Derrida erop dat deze nabijheid nooit onschuldig is. Wie zich verwant weet met dieren, leeft ook met het besef van het geweld dat mensen dieren aandoen – door ze te gebruiken, te eten, op te sluiten of te reduceren tot hun soort. Die dubbelheid laat zich niet oplossen. Ik herken iets van die verstoring van het begrip ‘dier’ wanneer Nous’che mij observeert. Mijn blik is getraind in indelen, in het onderbrengen van het levende in overzichtelijke hokjes, een manier van kijken waaraan de classificaties van Linnaeus ongetwijfeld hebben bijgedragen. Maar wat verdwijnt er uit beeld wanneer ik haar zo bekijk?
Waar Derrida laat zien hoe ‘het dier’ instort door een blik, vraagt de Belgische filosoof Vinciane Despret (1959) zich af hoe wij zo lang hebben kunnen kijken naar andere dieren zonder iets te zien. Onze vragen aan dieren bepalen vaak al wat we waarnemen. We vragen niet wat een dier doet, maar of het voldoet aan onze verwachtingen: of het slim is, kan praten, schaamte kent. Wie niet antwoordt zoals gehoopt, wordt afgeschreven.
Misschien vindt ze daar wel de blinde vlek van het dier ‘mens’. Het getuigt in ieder geval niet van veel zelfbewustzijn. Het dringt bijna nooit tot me door dat een hond als Nous’che net zo goed redenen heeft om mij beperkt te vinden. Wanneer zij tijdens het wandelen in een vies hoekje wil snuffelen en ik haar wegtrek, denkt ze misschien wel: ‘Ruikt deze geurblinde idioot dan niet hoe belangrijk dit is? Heeft hij geen neus?’ Despret pleit daarom voor aandacht: niet de aandacht van de onderzoeker die meet en vergelijkt, maar die van iemand die zich laat verrassen. Dieren zijn geen objecten van kennis, maar deelnemers aan relaties. Ze leven niet naast ons, maar met ons, in overlappende werelden.
Ook de Amerikaanse filosoof en bioloog Donna Haraway (1944) denkt in die lijn over andere soorten. Ze spreekt van becoming with, ‘samen worden’. Mensen en andere dieren zijn samen geworden wie ze zijn. De hond is niet simpelweg een gedomesticeerde wolf, hij is gevormd door het samenleven met mensen. En omgekeerd zijn wij door honden gevormd, in onze emoties, onze tijd, onze ideeën over gezelschap en trouw.
Als relaties constitutief zijn voor wie we zijn, geldt dat niet alleen voor ons samenleven, maar ook voor hoe we voelen en communiceren. In dat licht krijgt mijn vraag wat Nous’che van mijn gitaarspel vindt een andere klank. Misschien luistert ze niet zoals ik luister, is luisteren voor haar een lichaam dat trilt in een landschap van geluiden waarin muziek geen apart domein vormt. Ook emoties en taal blijken wankele grenzen tussen mens en dier. Dieren rouwen, spelen, hechten zich. Vogels zingen in dialecten, bijen dansen routes, walvissen wisselen complexe klankpatronen uit. Misschien zijn emoties en taal niet zozeer eigenschappen als wel manieren om met elkaar af te stemmen.
Pigcasso
En dan is er onze laatste verdedigingslinie: de kunst. Maar wat gebeurt er wanneer een varken een doek beschildert? Het werk van het Zuid-Afrikaanse varken Pigcasso hangt in galeries en wordt voor veel geld verkocht. De interessante vraag is volgens mij niet of ze echt een kunstenaar is, maar waarom die mogelijkheid ons zo ongemakkelijk maakt. Misschien omdat het varken ons herinnert aan een oorsprong van kunst die we soms liever lijken te vergeten: kunst als spel, als lichamelijke omgang met materiaal.
Geen filosoof vroeg ooit naar het verschil tussen giraf en dier
Zou dat zijn wat Nous’che mij leert, slapend op de bank terwijl ik schrijf? Niet door mij te spiegelen of te overtreffen, maar door eenvoudig een ander perspectief op dezelfde wereld te bieden. In dat licht klinkt de vraag naar het verschil tussen mens en dier eigenlijk vreemd. En is die vraag wel te beantwoorden? Dat is nu toe in ieder geval niet gelukt. Telkens als iemand een uniek menselijke eigenschap denkt te hebben gevonden, duikt er wel een ander dier op dat die eigenschap ook blijkt te hebben. Het probleem zit waarschijnlijk in de vraag zelf: je vergelijkt de mens met alle andere dieren. Vervang ‘dier’ en ‘mens’ eens door een willekeurig andere verzamelnaam en een onderdeel daarvan, bijvoorbeeld ‘meubel en tafel’, of ‘schrijfgerei en balpen’, en je ziet het probleem direct: wat is het verschil tussen tafel en meubel?
Waarom valt dat bij ‘mens en dier’ niet zo op? Omdat mensen de neiging hebben om zich buiten de rest van de natuur te plaatsen. Geen filosoof vroeg ooit naar het verschil tussen giraf en dier. Misschien is het interessanter om te vragen waarom mensen toch maar steeds blijven vragen naar het verschil tussen mens en dier. Is dat wat Nous’che mij leert, zonder woorden en zonder theorie: dat het probleem niet is dat zij een dier is, maar dat wij zo graag vergeten dat wij dat ook zijn?

