Home Klassieke Oudheid ‘Plato’s mythen zijn geen museumstukken, maar denkinstrumenten’
Klassieke Oudheid

‘Plato’s mythen zijn geen museumstukken, maar denkinstrumenten’

Nog altijd inspireren Plato’s mythen denkers en kunstenaars. Filosoof Bert van den Berg licht toe waarom deze verhalen ons blijven boeien.

Door Cas van Driel op 31 augustus 2022

grot licht bruno van der kraan Plato mythe beeld Bruno van der Kraan

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Filosofie.nl? U bent al abonnee vanaf €4,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

De westerse filosofie wordt weleens omschreven als een reeks voetnoten bij Plato. Filosoof Bert van den Berg omschrijft het net iets anders: ‘De westerse filosofie bestaat voor een groot deel uit een reflectie op Plato’s mythen.’ Bij filosofie wordt vaak gedacht aan droge, stugge teksten. Onterecht, laat Plato zien. Van den Berg: ‘Hij was niet alleen een begenadigd denker, maar ook een fantastische verhalenverteller.’ Plato’s mythe over de verzonken stad Atlantis, zijn allegorie over geketende gevangenen in de grot, zijn omschrijving van de ziel als een wagenmenner met twee paarden die elk een andere kant op willen – ze spreken nog altijd tot de verbeelding, en geven aanleiding tot reflectie.

Plato’s mythen zijn tijdloos en aantrekkelijk omdat die gaan over thema’s die mensen van alle tijden bezighouden, zegt Van den Berg, werkzaam als universitair docent aan de Universiteit Leiden. ‘Zoals liefde, sterfelijkheid en waarheid.’ Onlangs publiceerde hij samen met classicus Hugo Koning, werkzaam aan dezelfde universiteit, het boek De mythen van Plato. Verhalen voor alle tijden. Het bevat alle mythen van Plato in nieuwe vertaling en begeleidende essays waarin Van den Berg en Koning de blijvende kracht van Plato’s mythen illustreren. ‘Die zijn ook een uitstekend middel om mee te denken. Dat blijkt ook uit de grote populariteit van de mythen onder filosofen en kunstenaars na hem.’

Verrassend genoeg uit Plato ook scherpe kritiek op mythen. ‘Zo laat hij zich in De staat laatdunkend uit over de traditionele Griekse mythen: die zijn maar spel, vermakelijke verhalen waar eigenlijk alleen kinderen naar zouden moeten luisteren. Het zijn volgens Plato verhalen met de nodige pretentie, maar zonder enige substantie.’

Hoe rijmt u deze kritiek van Plato met zijn veelvuldige gebruik van mythen?
‘Populaire mythen over helden die monsters verslaan of ijdele goden die met elkaar vechten vond Plato waardeloos. Die verhalen waren op z’n best amusement, maar in het ergste geval leidden ze tot morele corruptie van de jeugd. Hij geloofde wel in opvoedkundige mythen, die als doel hebben de jeugd te overtuigen van een bepaalde politieke of sociale boodschap. Maar mythen konden volgens hem vooral van waarde zijn als ze aansluiten op ‘de Waarheid’. Hiermee doelt Plato op de grote filosofische concepten die hij dacht te kunnen bewijzen, zoals het bestaan van kosmische rechtvaardigheid en de onsterfelijkheid van de ziel. Mythen helpen om die vaak tamelijk abstracte waarheden aanschouwelijker en persoonlijker te maken.’

Kunt u een voorbeeld geven?
‘In zijn beroemdste mythe – de grotallegorie – zien geketende gevangen schaduwen op de muur van een grot, veroorzaakt door een vuur achter hen. Deze schaduwen staan voor Plato symbool voor de zintuiglijke wereld en zijn volgens hem slechts afspiegelingen van de werkelijkheid. De werkelijke wereld – de Ideeënwereld, in Plato’s termen – bevindt zich buiten de grot.’

‘Plato meent het bestaan van die Ideeënwereld met argumenten te kunnen bewijzen. Maar het is natuurlijk moeilijk om het bestaan van zo’n wereld te accepteren. De grotvergelijking maakt het makkelijker om je er iets bij voor te stellen en dus ook om Plato’s argumenten te accepteren. Bovendien wordt het nu persoonlijk: jij bent een gevangene, dus jij moet proberen de grot uit te komen.’

‘Wat nauw samenhangt met de Ideeënwereld is de overtuiging van de onsterfelijke ziel. Na onze dood verblijft de ziel volgens Plato tijdelijk in het hiernamaals, waar we de perfecte Ideeën kunnen aanschouwen. Via de ziel en door te denken zijn mensen in staat om tijdens hun sterfelijke leven kennis van de Ideeën te hebben.’

In het boek staat dat we ons volgens Plato niet moeten laten afleiden door lichamelijke behoeftes.
‘Inderdaad. In de dialoog Phaedrus gebruikt Plato de mythe van de wagenmenner om dat duidelijk te maken. Daarin omschrijft Plato’s protagonist Socrates de ziel als een gevleugelde tweespan: een rationele menner zit in een kar die voortgetrokken wordt door een nobel paard en door een lelijk paard. De menner en het nobele paard willen graag naar de rand van de hemel om de Ideeën te aanschouwen, maar het slechte, lelijke paard begint te steigeren, omdat het seks wil. De morele les is dat we ons moeten richten op het denken en het lelijke paard – dat symbool staat voor onze lichamelijke behoeftes – in de hand moeten houden.’

‘In Plato’s mythen ligt de moraal er vaak dik bovenop. Hij wil dat de mens de mythe op zichzelf betrekt en zijn leven erop aanpast. Dit is ook duidelijk zichtbaar in de mythe van Er. Na een verloren veldslag wordt de overledene Er op de brandstapel gelegd, maar na enige tijd komt hij weer tot leven.’

‘Hij vertelt over wat hij zag gedurende het moment dat hij dood was: in het hiernamaals worden de zielen die zich tijdens hun leven hebben misdragen verschrikkelijk gestraft. Na deze periode van straf – of in het geval van deugdzame mensen, beloning – moeten alle zielen een nieuw leven kiezen. Dan blijkt dat die keuze afhangt van of we ons in dit leven wel genoeg met filosofie hebben beziggehouden. Alleen wie de tijd neemt voor filosofische reflectie is volgens Plato in staat de juiste keuzes te maken en dus om een deugdelijk leven te leiden.’

Dat klinkt nogal dogmatisch. Is Plato’s boodschap dan niet eerder religieus dan filosofisch?
‘Er zit een religieus aspect in Plato. Onder conservatieven wordt zijn filosofie vaak gebruikt als autoriteit om een bepaalde – vaak christelijk georiënteerde – machtsorde te legitimeren, waarin de nadruk wordt gelegd op zijn geloof in het absolute Goede, Ware en Schone. Maar dit perspectief doet geen recht aan Plato.’

Hoezo niet?
‘Plato’s werk is ambivalent – dat maakt hem zo interessant. Hij gelooft stellig in de Ideeënwereld, de onsterfelijke ziel en de mogelijkheid om tot ware kennis te komen. Maar wat de invulling van die kennis is, dat blijft in zijn mythen en dialogen tamelijk ongewis. Iemand die pretendeert hier weet van te hebben, legt hij via de socratische dialoog het vuur aan de schenen. Plato biedt daarom net zo goed inspiratie voor tegendraadse en progressieve geluiden.’

We zien in Plato’s mythen dus wat we willen zien?
‘Mensen projecteren vaak eigen denkbeelden op zijn mythen, maar vinden er ook aanknopingspunten om mee te denken. Zo heeft voormalig Denker des Vaderlands René ten Bos Plato’s grotallegorie recent nog gebruikt om zijn ideeën over de tegenstelling tussen volk en elite scherp te krijgen. Hoe men naar Plato kijkt heeft dus meer te maken met de tijd dan met de aard van de mythen.’

‘De grap is dat dit element van spanning ook in de grotvergelijking zelf zit. In het verleden is daar vaak overheen gelezen. Ten Bos pikt dit terecht op en geeft er vervolgens een draai aan die Plato zeker niet zou hebben bevallen: hij beargumenteert dat het volk in de grot zich terecht verzet tegen de intellectuele elite. Met zo’n tegendraadse lezing is niets mis. Sterker nog, dat is nu precies het punt van ons boek. Plato’s mythen zijn meer dan historische museumstukken; ze zijn ook denkinstrumenten. Zo zijn ze keer op keer door latere filosofen gebruikt, en zo mag onze lezer ze ook gebruiken.’

De mythen van Plato

De mythen van Plato. Verhalen voor alle tijden
Bert van den Berg en Hugo Koning
Damon
192 blz.
€ 24,90