Home Madame Bovary en De muur

Madame Bovary en De muur

Door Reindert Brongers op 13 november 2012

02-2001 Filosofie magazine Lees het magazine

Flauberts romanpersonages zijn overgeleverd aan het nood­lot. Madame Bovary is niet in staat 'zichzelf te ontwer­pen' en pleegt zelfmoord. Fascinerend boek, vond Sartre, maar naar zijn idee moet een roman meer 'denken', en zo 'zijn en noodlot samenbrengen'.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Filosofie.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste verhalen over filosofie. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Over Sartres politieke vergissingen en het echec van zijn existentialisme is wel genoeg gezegd. Waarom zouden we dat bandje eindeloos blijven afdraaien? Die vraag stelt jour­nalist Philip Petit in La cause de Sartre, dat het beste is te vertalen met 'Het belang van Sartre'.

Interessanter vindt Petit de plaats die Sartres literaire werk en opvattingen nog innemen. Sar­tre wordt volgens Petit te arbitrair gelezen. Elke nieuwe generatie critici en journa­listen zou een ideolo­gisch, stoffig imago van hem in stand willen houden. Zo heeft de term 'enga­gement' ten onrechte een politieke, ideolo­gi­sche bijklank gekregen, meent Petit. Eigen­lijk bedoel­de Sartre er niets meer of minder mee, dan dat de schrijver schri­jft voor zijn tijdgenoten. Dat heeft Sartre zelf helder uiteen gezet in Wat is literatuur: 'Het schijnt, dat bananen beter smaken als ze vers geplukt zijn: geestespro­ducten moeten ook ter plaatse worden genoten.'

Sartres engagement is in de eerste plaats filosofisch en pas daarna politiek, stelt Petit. Met dat engagement had Sartre een literatuuropvatting die 'precies tegenovergesteld is aan die van Flaubert', zoals hij zei. Sartre stond am­biva­lent tegenover Gustave Flaubert, maar wees hem bepaald niet af: hij raakte door hem 'gefascineerd'.

Flaubert, die met zijn Madame Bovary als de grondlegger van de moderne psychologische roman wordt beschouwd, zag de roman als autonoom kunstwerk, waarbij schoonheid de maatstaf was. Jean-Paul Sartre zag de roman als onderdeel van een tijdperk, waarmee de schrijver een beroep doet op zijn lezer. Hij gruwde van het 'L'art pour l'art'-idee.

Uitgaande van Sartres omvangrijke en 'onderschat­te' studie L'idiot de la famille (1971) over Flaubert, behandelt Petit de verbondenheid tussen literatuur en filoso­fie in het werk van Sartre. Dat gebeurt zo gedetailleerd, dat enige kennis van Sar­tres ideeën over object en subject onontbeer­lijk blijkt.

La cause de Sartre is een bijna puur filosofisch essay – niet eenvou­dig voor de lite­ratuurlief­hebber die niet thuis is in Sartres gedach­tewe­reld. Want natuurlijk kan Petit niet om het 'nog nauwelijks onderwezen existentialisme' heen als hij Sartres literatuuropvattingen onder de loep neemt.

Een boek voor een klein publiek is het dus – nog afgezien van de taalbarrière – terwijl Sartre zelf zo toe­ganke­lijk schreef. In dit verband is het opmer­kelijk dat Petit schrijft dat 'we L'Idiot de la famille en L'être et le Néant prefereren boven de rest van Sartres oeuvre.' Hoe­veel lezers zouden de driedui­zend pagina's tellende bio­grafie en het zevenhonderd pagina's tellende filosofische hoofdwerk in de boeken­kast hebben staan? Waar­schijnlijk zijn De muur en Vuile handen beter vertegen­woor­digd. Behoren de verhalen in De muur niet nog altijd tot de aller­beste ooit ge­schreven?

Dit alles neemt niet weg dat Petit Sartres literaire werk in de actualiteit plaatst, in een tijd waarin 'de roman ons in de steek dreigt te laten'. Belangrijke aspecten in La cause de Sartre zijn tijd en geschiedenis. Welke plaats neemt een roman in de tijd in? Wie spreekt hij aan? Elke roman, zowel de psycho­logische (Flau­bert) als de filo­so­fische (Sartre) is hetzelfde lot van de tijde­lijkheid be­scho­ren. Een verhaal bestrijkt slechts een beperkte duur, terwijl de ge­schiedenis onein­dig is. Lite­ratuur en geschiede­nis lijken dan ook onmoge­lijk met elkaar te ver­zoenen, constateert Petit. Daarbij is ook de mens slechts onderdeel van een totaliteit. Met deze 'dubbele eindigheid' worstelden beide schrijvers.

Sartre vroeg zich dan ook af welke 'duur' de schrijver voor zijn verhaal moest kiezen. Hij liet zijn romanpersonages figureren in het heden, waarin ze vorm en betekenis konden geven aan hun bestaan, door bepaalde keuzes te maken. Daarmee beïnvloeden ze, hoe minuscuul ook, de geschiedenis. Antoine Roquentin in de roman Walging is een goed voorbeeld.

De mens is afhankelijk van zijn tijd en (historische) situatie en niet van een 'mense­lijke na­tuur'. Bij Sartre is de mens niet in zichzelf opgeslo­ten, maar be­vindt hij zich in een 'menselijk universum': hij kan zich­zelf te buiten gaan en beschouwen. Tege­lijkertijd ontwerpt hij zich­zelf in relatie tot de Ander, hetgeen Sartre intersub­jecti­viteit noemt. Deze 'transcendentie van het ego' staat in contrast met het ego van Flaubert.

Flauberts romanpersonages zijn overgeleverd aan het nood­lot. Ze zijn niet in staat 'zichzelf te ontwer­pen' (Madame Bovary pleegt zelfmoord) en daarom in Sartres ogen saai en voorspel­baar; ze figureren slechts in een schijn­wereld, in verbeelding en verlangen. Niettemin erkent Sartre het belang van het 'flau­bertiaanse fatum' in de literatuur.

Sartre probeerde literatuur en filosofie te laten versmelten: hij wilde tegelijk Stendhal en Spinoza zijn. Aan het einde van La cause de Sartre stelt Petit de toekomst van de roman aan de orde. Hij stelt de vraag of de werkelijke roman zonder filoso­fie kan. 'Kan de roman zich losmaken van de filosofie, of is hij, zoals Sartre liet zien, veroordeeld een werkelijke roman te worden, een roman dus die denkt en kan wat noch alleen de filosofie, noch alleen de moderne roman kan: het zijn en het noodlot samenbrengen?' Petit beantwoordt de vraag niet. Voor het antwoord zouden we Sartres Wat is literatuur kunnen lezen, dat door Petits boek zijn actualiteit hervindt.
 
La cause de Sartre, door Philip Petit, uitg. Pres­ses Univer­si­taires de France, Parijs 2000, 256 blz., 125 FF.