Home De dood Kun je God meten?
De dood

Kun je God meten?

Door Sanne ten Wolde op 24 februari 2026

licht op een deur God meten
beeld Dark Narrative/Unsplash
Filosofie Magazine hoe denken we dat dieren denken
03-2026 Filosofie Magazine Lees het magazine
Sanne ten Wolde probeerde jarenlang Gods bestaan te meten. Maar toen haar broertje overleed hield ze ermee op.

Iemand die ik van baptistengemeente De Bron kende en alleen nog met kerstnacht zag, had me aangeraden het bestaan van God bij te houden. Dat leek me een mooi idee. Het was een lieve jongen die het voorstelde. Hij was vrij vroeg getrouwd met een meisje van onze jeugdgroep en elke zondag trompet blijven spelen bij de voorzang. Ik was filosofie gaan studeren in Groningen.

Hij stelde een soort barometer van het bovenzinnelijke voor: een horizontale streep op de muur met ‘niet’ aan de linker- en ‘wel’ aan de rechterkant en in het midden een wijzer. Daarop zou ik kunnen meten hoezeer de Heer in mijn leven aanwezig was. ‘Vooruit dan maar,’ hoorde ik mezelf zeggen. Hij keek zo ‘kom terug, verdwaald schaap’-achtig dat ik onmogelijk kon weigeren. En het had wel wat: eens in de gaten houden hoe God bij elk wonder en iedere tegenslag, soms een beetje meer, dan weer een beetje minder bestond.

Wil je dit artikel verder lezen?

Sluit een abonnement af op Filosofie Magazine voor slechts 4,99 per maand en krijg toegang tot dit artikel én de duizenden andere diepgaande filosofische artikelen. Luister nu ook alle nieuwe artikelen als audio.
Word abonnee en lees verder > Al abonnee? Log dan in en lees (of luister) verder.

Sanne ten Wolde (1990) is filosoof, schrijver, podcastmaker en bedenker van filosofische huiskamercafés in het hoger en voortgezet onderwijs. Ze woont in Groningen.

Tot nog toe had ik God begrepen als een absoluut figuur. Ik dacht dat God was als zwanger zijn: je kunt het niet een beetje zijn. Je bestaat, of je bestaat niet, geen graduele praktijken. Maar van de dichter Samuel Taylor Coleridge (1772-1834) heb ik geleerd dat het kan lonen om elke nieuwe werkelijkheid als een jasje aan te proberen. Om alles een tijdje te geloven, ook als je het niet gelooft. The willing suspension of disbelief. Neem pratende dieren in verhalen, zegt Coleridge. Naar die dieren moet je wel proberen te luisteren. Je zult de elfenstof per definitie missen als je met de hakken in het zand een sprookje leest.

Ik nam het grapje erg serieus. Volgens een precies puntensysteem maakte God jarenlang kleine stapjes over mijn wand. Bij elke bijzondere ontmoeting of opluchting verschoof ik hem een beetje naar rechts. Bij elke teleurstelling verschoof hij weer terug. Heldere dromen, kat vermist, kat teruggevonden, groene stoplichten – allemaal verschillende puntenaantallen. Behalve mijn vader wisten de meesten dat ze er met hun tengels af moesten blijven. Zijn terugkerende grap om hem bij wijze van christelijke heropvoeding in één beweging naar volledig bestaand te schuiven, riep een wanhopige oplettendheid bij me op. Totdat mijn broertje doodging en God wat mij betreft de tyfustering kon krijgen.

Zinloze wereld

Ik weet niet hoeveel weken ik op de grond van mijn woonkamer heb gelegen. Ik lag daar maar als een idioot, te voelen hoe het voelde om levend te zijn. ‘Wat zijn in godsnaam de werkelijke dingen,’ vroeg ik me af. Maar niet met ijver en scherpte: het hoefde niet meer zus of zo te zijn. De hele tijd was ik bang geweest om te vallen. Maar gevallen zijn is iets heel anders: het is een toestand van enkel aanwezigheid. Van stille, ontvankelijke leegte.

Als je heel stil ligt, wordt de wereld dominanter dan jij; de wereld krijgt vrij spel en jij kunt die enkel nog ontvangen. Zo begon het licht me ineens op te vallen, als een soort broeder. Het diende zich geleidelijk aan en werd een tijdje het centrum van mijn horizontale universum. Hele dagen lette ik alleen maar op hoe het licht in mijn kamer viel. ’s Ochtends verlegen, bemoedigend. In de middag plaatste het klaarwakker zwevende pluisjes in de schijnwerpers. ’s Avonds vielen er zachte strepen op mijn boekenkast, een vriendelijke moeheid. Het licht voelde aan als een voltooid leven: helemaal tevreden met het eigen doven. Het mag zich gelukkig prijzen, dacht ik toen.

Ik raakte zo gewend aan bijna niets dat ik niet wist wat ik meemaakte toen ik eindelijk weer naar buiten ging om in het bos te wandelen. De natuur deed me allesbehalve natuurlijk aan. Eerder kunstmatig, alsof iemand flink had uitgepakt omdat ik langskwam, maar zich baseerde op een oude blauwdruk van mij. Gek dat uitgerekend de natuur daarvoor geen voelsprieten had. ‘Ik verkeer op verschrikkelijke voet met het bos,’ schreef ik in mijn notities. ‘Het lijkt wel een kermis, zo luid en theatraal, met die beweeglijkheid. Griezeltakken. Onenigheid tussen dat vogelvolk. De bomen hingen over me heen als tantes boven mijn wieg.’

We willen voortdurend controleren wat zich alleen maar kan ontvouwen

Ik vond het al heel wat om te bestaan, een lichaam te hebben, een lichaam te zijn. En te denken aan dat van hem. Wensend dat het nooit meer mag regenen, in hemelsnaam, laat hem voor altijd droog blijven in dat roze corduroyjasje onder de grond.

Meteen na zijn overlijden begon ik verder te praten waar we gebleven waren. Zijn nek was nog warm en ik raakte zijn koude vingers aan. Ik had ze nog één keer goed bekeken toen ze nog leefden. Mijn broertje vond zelf dat het heel goed ging met nagelbijten, maar dat zag hij duidelijk vanuit het perspectief van de bijter. Het was ongelooflijk om naar hem te kijken zonder dat hij terugkeek. Ik wist niet waartegen ik moest praten. Het voelde alsof hij naast me stond en we samen naar zijn lichaam keken, zo van: ‘Tjongejonge, hoe kan dit gebeuren.’ Ik probeerde met hem te overleggen toen ik de speech schreef voor zijn begrafenis. Ik wist dat hij zijn hoofd zou schudden omdat ik te laat begonnen was, zoals ik overal te laat mee begin.

Als iemand uit je leven verdwijnt, mis je eerst die persoon, maar later begin je ook jezelf te missen. Er zijn kamers in mij waarvan ik weet dat het er stoffig is, maar ik weet niet meer hoe ik er kom. Hij had de ‘ik-hoe-ik-bij-hem-was’ meegenomen. Waar waren ze gebleven, de grappigste delen van mijn ziel die alleen samen met hem naar boven kwamen? Waren die nog ergens? ‘Hallo,’ zei ik op een dag, ‘niet kijken, want ik ga nu douchen.’ Begrijp me niet verkeerd: als hij nergens meer is, is het ook goed. Veel minder leuk natuurlijk, maar ook goed. Maar mocht hij toch nog ergens uithangen, dan leek het me zo’n rare overgang; om mij bloot te zien na twintig jaar de badkamerdeur op slot doen.

Denken als een kind

Ik ben me bewust van de zweem van wishful thinking. Sinds zijn dood bekruipt me voortdurend het gevoel dat ik niet word geloofd. ‘Wat mooi dat je daarin troost vindt,’ zeggen de mensen steeds, hun ongeloof nauwelijks verhullend. Rouw wordt gezien als een toestand waarin je niet helemaal voor rede vatbaar bent. In Het jaar van magisch denken (2005) beschrijft de Amerikaanse essayist Joan Didion hoe ze na het verlies van haar echtgenoot zichzelf betrapte op naïeve, troostende gedachten. Dat ze zijn kleren aan het wegdoen was, maar zijn schoenen liet staan omdat hij die nodig zou hebben als hij terugkwam. Ze noemt het magisch denken: ‘Ik dacht als een klein kind, alsof mijn gedachten en wensen de macht hadden het verhaal terug te draaien en de afloop te veranderen.’

Zoiets las ik al eens bij Jean-Paul Sartre (1905-1980), die dacht dat we door emoties als verdriet onze leefwereld opnieuw inrichten. We bezitten de mentale kracht om de werkelijkheid te ‘laden’ met betekenissen en relaties die er objectief gezien niet zijn. Dat noemt hij magie: het vermogen om de wereld die aan ons verschijnt te ‘vertoveren’. Je handelt alsof deze nieuwe kwaliteit van de werkelijkheid echt is. Het is een manier om je aan de realiteit te onttrekken, soms om het draaglijker te maken, soms om er überhaupt te blijven bestaan.

In mijn beleving was magie iets heel anders; het onderwerp van Harry Potterboeken. Magie was zoiets als met bovennatuurlijke krachten de natuurlijke wereld beïnvloeden. Maar het lijkt erop dat niemand echt in magie gelooft. We zien magie altijd als schijn, zoals we een truc van een illusionist ook niet echt geloven. Sartre noemt de magie van emoties zelfs een vorm van zelfbedrog: we hebben een klap op de kop gehad en de oorspronkelijke, redelijke wereld verruild voor die van de verzinsels.

Maar waarin had ik mezelf nog te bedriegen? Mijn broertje was dood, en die werkelijkheid was ik juist niet aan het veranderen. Ik was nog nooit zo wakker geweest; ik bevond me in een staat van overgave. Alles wat er was, liet ik toe. Ik wilde de werkelijkheid kennen zoals die is.

Ik onderging hoe de kleuren van mijn broertje zich ontmengden uit de bedrading van ons weefsel. De draden verlieten mij niet. Ik voelde ze liggen met dezelfde precisie als wanneer ik zonder te kijken weet dat mijn veter loszit, die paar gram sliert rustend op mijn voet. Als we samen over straat liepen, leunde ik vaak zonder dat ik het doorhad tegen mijn broertje aan. Dat liet hij me soms voelen. Dan stopte hij ineens met tegengewicht bieden en liepen we samen de bosjes in. Als het tegenwicht verdwijnt, ervaar je tot in detail de herinnering aan het gevuld zijn. En daarin voelde ik heel helder zijn bestaan.

Ik kan hem nog altijd met mijn ogen dicht voor de geest halen. Het is een geur van de ziel die niemand anders heeft. Als ik dat doe, gaan mijn mondhoeken vanzelf omhoog. Soms gebeurt het andersom, dan begint mijn mond te lachen en denk ik daarna pas: het voelt hier als mijn broertje.

Deze ervaringen zijn werkelijker voor mij dan veel concrete dingen. Het is een gevoel van echtheid dat zich toont als je met heel je lichaam luistert. Je kunt het niet zoeken; het dient zich aan alsof het jou zocht. Ik weet niet precies wat, maar het is een bestaan dat pas bereikbaar lijkt als je loslaat dat het moet kloppen.

Je kunt die ervaringen allerlei woorden geven, maar het zijn gevaarlijke woorden: ‘aards’, ‘geestelijk’, ‘spiritueel’ en ‘goddelijk’ al helemaal. Voor sommigen zijn het zelfs besmette woorden: als ze die horen, luisteren ze niet meer. De Duitse spirituele leraar Eckhart Tolle (1948) zegt daarover: ‘Het woord honing is niet de honing zelf. Als je die geproefd hebt, hecht je minder waarde aan het woord. Andersom geldt ook: als je het woord honing op de een of andere manier niet prettig vindt, kan het je ervan weerhouden een keer honing te proeven. De werkelijkheid achter het woord.’

Honing maken

Ik vraag me af wat ik al die tijd aan het meten ben geweest. De Godmeter was iets voorbij het midden blijven hangen, toen ik besefte dat ik een categoriefout had gemaakt. Ik was in het verkeerde gebied gaan zoeken. Wat ik probeerde te meten, voelt niet als een ‘wezen’, maar meer als een ‘wezenlijkheid’ waar ik net zoveel deel van lijk uit te maken als mijn broertje. Soms voel ik gebeuren waar Vasalis over dichtte: Maar er zijn soorten van verdriet,/ die iets verandʼren aan het lied./ Men wordt bespannen met heel and’re snaren,/en wie het niet ervoer, die weet het niet.

Tijdens mijn studie schreef ik een scriptie over het sublieme. Ik heb een paar keer de ervaring gehad, in de natuur, muziek of liefde, verpletterd te worden door iets groters dan mezelf. Ik balanceerde op de grens tussen wat je kunt vatten en wat je overspoelt. Op zulke momenten zoek je naar samenhang en fundament, terwijl je stuit op de grenzen van het kenbare. Je verstand faalt en je ervaart iets paradoxaals: een grootsheid en nederigheid tegelijk, een voortdurend bijna-begrijpen, net of je met één been in het zinnelijke en één in het bovenzinnelijke staat.

Zoiets voelde ik nu weer, alsof de diepte van de pijn me toegang gaf tot het meest echte wat ik kon bevatten. Het had iets te maken met dat ik had opgegeven. Hier is mijn neergevallen bijltje. Wanneer je niets meer probeert, blijk je in die leegte te kunnen blijven. Er is ‘iets’ dat blijft, op het moment dat je je greep loslaat. Simone Weil (1909-1943) noemt dat ‘het gewicht van het Absolute’, dat in een mens zakt zodra hij zich overgeeft. Er is daar gek genoeg geen lijden. Het is me nog nooit gelukt om op een directe manier te beschrijven wat er wel is. Het is niet wetenschappelijk te verklaren, niet filosofisch uit te leggen en toch is het zo echt als een ademhaling. Zodra ik erover spreek, brokkelt het alweer af. Je wijst het aan en vraagt je af waarnaar je gewezen hebt.

Dit is wat ik inzag terwijl ik op de grond lag en naar het licht keek: dat we voortdurend willen controleren wat zich alleen maar kan ontvouwen. We zoeken houvast, vorm, een logisch verloop. Dat doen we dwingend, niet tastend. Maar er gebeurt iets met de werkelijkheid als je die anders wil maken dan die is. Je begeeft je er niet meer echt in; je bent minder aan het bestaan.

Als iemand roodborstjes aanwijst die mijn broertje moeten voorstellen, krijg ik de kriebels. Maar mijn blik wordt zacht als iets zich zomaar aandient. Als mijn kat begint te spelen met het armbandje met zijn naam erop. Of als ik overal zijn geboortedatum zie: op de rekening van het kerstdiner, op de klok waar ik naartoe loop als ik hard moet huilen, op een nieuw paaltje naast mijn huis, op de aankomsttijd van mijn navigatie. Het is moeilijk te bevatten, maar wat zuiver voelt is alleen voor de enkeling waar.

Alles wat we niet verstandelijk kunnen begrijpen, wordt verdacht van sentiment. Ik kan het uit elkaar pluizen en grondig analyseren. Dan krijg ik vast gelijk en is er niets. Maar ik kan het ook wél geloven. Eigen honing maken van de druppels nectar uit het onbekende. Het lijkt wel alsof je alleen toegang krijgt tot dat waar je in gelooft. Dat is waar Søren Kierkegaard (1813-1855) op doelt als hij het heeft over de absurde sprong: een overgave aan wat geen rationele zekerheid biedt, maar toch waar voelt. ‘Die sprong kan door de rede niet worden gemaakt,’ schrijft Kierkegaard. ‘Want wanneer de rede dat zou kunnen, zou er geen sprong zijn.’

Wat de Godmeter betreft: op Bevrijdingsdag was ik op de bank in slaap gevallen, totdat ik plots wakker schrok van een klap. De Godmeter was na zeven jaar van de muur gevallen. Ik keek op mijn telefoon, zag dat het net na vijven was en dutte weer in. Tien minuten later had ik acht gemiste oproepen van mijn moeder. Opa was overleden. Ik keek naar mijn bungelende God: ‘wel’ zat nog vast, ‘niet’ was van de muur gekletterd. Op de grond was hij nergens te bekennen.

Ik heb niet alles overhoopgehaald om het kaartje te zoeken. Waarom zou ik? Daar, in dat gebied, wil ik leven.

Loginmenu afsluiten